Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5103

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
6629614 AC EXPL 18-343
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering kinderopvang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 6629614 AC EXPL 18-343 RW/1368

Vonnis van 24 oktober 2018

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Partou B.V.,

gevestigd te Vianen,

verder ook te noemen Partou,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. O.J. Boeder, gerechtsdeurwaarder, werkzaam bij Agin Boeder,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. A.I. de Haan.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De procedure is als volgt verlopen:

  • -

    Partou heeft een vordering ingesteld.

  • -

    [gedaagde] heeft daarop geantwoord en een tegenvordering ingesteld.

  • -

    Partou heeft daarop gereageerd en een conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie genomen.

  • -

    Vervolgens heeft [gedaagde] een conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie genomen.

  • -

    Daarna heeft Partou nog een akte in conventie genomen en in reconventie een conclusie van dupliek.

  • -

    [gedaagde] heeft daarna nog kunnen reageren op de productie die Partou bij het laatste processtuk bijgevoegd had.

1.2.

Daarna is bepaald dat in deze zaak een vonnis zal wordt uitgesproken.

2 De feiten en het geschil in conventie en in reconventie

2.1.

[gedaagde] heeft vanaf 2008 haar kinderen voor de kinderopvang ondergebracht bij Partou. [gedaagde] moest aan Partou steeds het verschil betalen tussen de totale kosten voor de kinderopvang en de door Partou ontvangen kinderopvangtoeslag van de belastingdienst en subsidie van de gemeente Amersfoort. Op 1 augustus 2013 eindigde een overeenkomst en Partou heeft toen het op dat moment bestaande saldo van € 1.182,45 aan [gedaagde] uitbetaald. Op 12 september 2013 heeft [gedaagde] een nieuwe overeenkomst gesloten met Partou. Daarna is een betalingsachterstand van [gedaagde] ontstaan. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van die achterstand.

2.2.

Op 22 september 2015 heeft de gemachtigde van Partou (hierna: Agin) een “Vaststellingsovereenkomst” opgesteld (zie productie 7 van [gedaagde] en productie 5 van Partou, hierna: de vaststellingsovereenkomst). Daarin is onder het kopje “Totaal verschuldigd inclusief tot vandaag gemaakte kosten, onverminderd rente:” onder meer opgenomen een verschuldigde hoofdsom van € 2.275,10 en incassokosten van € 412,94. Ook is in de vaststellingsovereenkomst opgenomen: “ARTIKEL 1 [= [gedaagde] , kantonrechter] erkent gaaf en onvoorwaardelijk de vordering welke de gerechtsdeurwaarder ten behoeve van [Partou, kantonrechter] ter incasso in handen heeft tot bovenvermeld totaalbedrag exclusief rente;”. In de vaststellingsovereenkomst is een betalingsregeling opgenomen van € 40,00 per maand. [gedaagde] heeft de vaststellingsovereenkomst op 29 september 2015 ondertekend.

2.3.

In deze procedure vordert Partou in conventie de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten, verminderd met betalingen van [gedaagde] van € 1.080,00, met nevenvorderingen. Volgens Partou is [gedaagde] de betalingsregeling niet nagekomen en is daarmee de vordering ineens opeisbaar.

In conventie voert [gedaagde] verweer; volgens haar klopt de hoofdsom niet en is dat bedrag minder.

2.4.

In reconventie vordert [gedaagde] vernietiging van de vaststellingsovereenkomst.

Partou voert verweer.

3 De beoordeling in conventie en in reconventie

3.1.

In de vaststellingsovereenkomst erkent [gedaagde] dat zij de hoofdsom verschuldigd is. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen zich tegenover elkaar aan wat zij daarin overeenkomen, juist om onzekerheid en/of een geschil te voorkomen of te beëindigen. Niettemin zal de kantonrechter nagaan of het bedrag van € 2.275,10 dat in de overeenkomst staat correct is berekend.

3.2.

Partou is voor de vaststelling van de hoofdsom eerst uitgegaan van totaal € 15.983,83 aan kosten voor de kinderopvang van [gedaagde] (zie productie 5 van [gedaagde] ) over 2013. Bij haar laatste akte (ongenummerde productie bij die akte) heeft Partou dat bedrag bijgesteld naar € 16.773,83, een verschil van € 790,00.

De kantonrechter houdt het ervoor dat dat verschil wordt veroorzaakt door het feit dat in de eerste berekening de in 2012 door Partou ontvangen kinderopvangtoeslag van € 790,00 rechtstreeks in mindering is gebracht op de “verkoopfactuur” van januari 2013. Die bedraagt in de eerste opstelling € 179,70. In de tweede berekening bedraagt de factuur van januari 2013 € 969,70, maar is ook de ontvangst van de kinderopvangtoeslag van 2012 opgenomen. Bij die ontvangst, van 20 december 2012, is vermeld “Belastingdienst jan-13”. Die verrekening acht de kantonrechter juist. De totale kosten voor de kinderopvang zijn dus € 16.773,83 wanneer de in 2012 ontvangen kinderopvangtoeslag apart als ontvangst wordt gerekend.

3.3.

[gedaagde] stelt dat de belastingdienst feitelijk € 13.507,00 aan kinderopvangtoeslag aan Partou heeft betaald, en daarbovenop later nog eens € 156,00. Volgens Partou heeft zij € 13.508,00 ontvangen.

Dat Partou € 156,00 zou hebben ontvangen, volgt niet uit de door [gedaagde] overgelegde “Definitieve berekening” van de belastingdienst (productie 9 van [gedaagde] ). De belastingdienst schrijft daar “U hebt bij de eerdere definitieve berekening van uw kinderopvangtoeslag te weinig ontvangen. Daarom krijgt u nog € 13.166. Wij maken dit bedrag over of verrekenen het met toeslagen die u nog aan ons moet terugbetalen.”. Ten eerste is de brief aan [gedaagde] zelf gericht, wat erop zou wijzen dat de belastingdienst het bedrag aan haar zou betalen en niet aan Partou. Ten tweede kan dat bedrag verrekend zijn met toeslagen die [gedaagde] eventueel nog schuldig was aan de belastingdienst. Ten derde is de brief opgesteld op 29 mei 2015, toen de overeenkomst tussen [gedaagde] en Partou al was beëindigd. Al met al staat ontvangst van dat bedrag niet vast.

3.4.

De kantonrechter gaat uit van een ontvangen bedrag van € 13.508,00 aan door Partou ontvangen kinderbijslag, inclusief de op 20 december 2012 betaalde € 790,00 zoals hiervoor genoemd. Geen discussiepunt is dat de gemeente Amersfoort € 1.405,24 aan subsidie voor [gedaagde] aan Partou heeft voldaan.

Het verschil tussen de totale kinderopvangkosten van € 16.773,83 en de door Partou ontvangen bedragen van de belastingdienst en de gemeente Amersfoort (totaal € 14.913,24) is € 1.860,59. Partou kan (zoals [gedaagde] erkent) de door haar uitbetaalde € 1.182,45 van [gedaagde] terugvorderen, dus in totaal was [gedaagde] (€ 1.860,59 + € 1.182,45 =) € 3.043,04 aan Partou verschuldigd. Volgens Partou heeft [gedaagde] € 767,94 betaald, wat volgt uit het betalingsoverzicht van de (ongenummerde) productie bij de akte van Partou. Dit leidt tot de door Partou gestelde hoofdsom, die [gedaagde] voorafgaand aan de betalingsregeling schuldig was, (€ 3.043,04-/- € 767,94 =) € 2.275,10.

3.5.

De kern van het geschil in conventie is dus de vraag of [gedaagde] méér heeft betaald dan € 767,94. Omdat Partou dat bedrag concreet heeft onderbouwd met haar betalingsoverzicht, is het aan [gedaagde] om feitelijk te stellen en te onderbouwen wanneer zij buiten dat betalingsoverzicht nog meer betalingen heeft verricht. Dat doet [gedaagde] niet. In haar productie 5 schrijft zij wel “ [gedaagde] : betaald 566,- in 2013 + E300,-“, maar dat bedrag (de door haar gestelde € 866,00) volgt niet uit die productie (die telt op tot € 566,00). De kantonrechter gaat op grond van het voorgaande uit van de juistheid van het betalingsoverzicht van Partou. Daaruit volgt dat de vordering in hoofdsom, voorafgaand aan de betalingsregeling zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst, € 2.275,10 bedraagt.

3.6.

Is de vaststellingsovereenkomst vernietigbaar? Voor zover dat (omdat de in de vaststellingsovereenkomst genoemde hoofdsom van € 2.275,10 al vast is komen te staan) nog van belang is, overweegt de kantonrechter daarover het volgende.

3.7.

Volgens [gedaagde] heeft zij met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst nooit bedoeld om zich te binden aan de hoogte van de daar genoemde hoofdsom. Zij was naar haar zeggen in de veronderstelling dat zij met de ondertekening alleen akkoord gaf op de betalingsregeling. Zelfs al zou dat zo zijn, dan nog geldt dat de tekst van de vaststellingsovereenkomst duidelijk zegt dat [gedaagde] de hoofdsom zoals daar is vermeld, erkent. Haar verklaring is dus duidelijk en niet voor meer dan één uitleg vatbaar.

3.8.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij heeft gedwaald bij de ondertekening, doordat in het contact tussen haar gemachtigde (mr. De Haan) en Agin steeds duidelijk was dat zij het niet eens was met de hoogte van de hoofdsom. Maar Agin zou desondanks, al dan niet bewust buiten mr. De Haan om, de vaststellingsovereenkomst rechtstreeks hebben toegestuurd aan [gedaagde] , onder het mom dat dit nodig zou zijn om de betalingsregeling in te laten gaan. Op die manier zou, als de kantonrechter [gedaagde] goed begrijpt, voldaan zijn aan het criterium voor dwaling, namelijk dat [gedaagde] onder invloed van een mededeling van Agin de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend.

3.9.

Dat (Agin namens) Partou letterlijk zou hebben gezegd dat de vaststellingsovereenkomst uitsluitend zou gaan over de betalingsregeling, is niet door [gedaagde] feitelijk genoeg onderbouwd. Voor een geslaagd beroep op dwaling, zou dan moeten blijken dat die mededeling stilzwijgend zou moeten volgen uit de omstandigheden, waarbij het volgens [gedaagde] van belang is dat (Agin namens) Partou bewust de gemachtigde van [gedaagde] niet zou hebben geïnformeerd over de inhoud van de overeenkomst, wetende dat mr. De Haan het daarmee oneens zou zijn.

3.10.

Agin heeft aannemelijk gemaakt dat zij de vaststellingsovereenkomst direct bij de verzending op 22 september 2015, behalve per post aan [gedaagde] , ook direct per e-mail aan mr. De Haan heeft gestuurd. De notitie daarvan in het systeem van Agin (zie productie 5 van Partou) ondersteunt dat. Er is geen enkele aanwijzing dat dit overzicht een vervalsing zou zijn. Verder heeft Agin naar eigen zeggen geen digitale versie naar [gedaagde] gestuurd, alleen naar mr. De Haan. En de vaststellingsovereenkomst van productie 7 is niet op briefpapier van Agin afgedrukt, maar op gewoon wit A4-papier, kennelijk vanuit een bijlage bij een e-mail. Dit valt niet anders uit te leggen dan dat mr. De Haan destijds die digitale versie wel heeft ontvangen. Dat Agin de vaststellingsovereenkomst, buiten mr. De Haan om, alleen naar [gedaagde] zou hebben gestuurd, staat dus niet vast.

Bovendien, al zou de vaststellingsovereenkomst niet in kopie naar mr. De Haan zijn gestuurd, dan nog zit tussen de het opmaken van de vaststellingsovereenkomst en het terugsturen daarvan een periode van een week. Daarin heeft [gedaagde] de tijd gehad de vaststellingsovereenkomst goed te lezen en te overleggen met mr. De Haan. Als zij dat niet heeft gedaan, zou dat alsnog voor haar risico komen.

Al met al is aan het criterium voor dwaling niet voldaan. Verder mocht Partou op de verklaring van [gedaagde] vertrouwen; uit niets blijkt dat dit anders zou zijn. Dit houdt in dat de vaststellingsovereenkomst in stand blijft. De vordering in reconventie wordt daarom afgewezen.

3.11.

Partou maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, waarop het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De door Partou aan [gedaagde] verstuurde aanmaning (productie bij dagvaarding) voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Partou vordert niet de in de vaststellingsovereenkomst bepaalde € 412,94, maar een lager bedrag van € 216,90, gebaseerd op het wettelijke tarief over het bedrag dat Partou vordert ná de door [gedaagde] uitgevoerde betalingen van de betalingsregeling. Dat bedrag is toewijsbaar.

3.12.

De kantonrechter brengt in overeenstemming met de wettelijke regels het betaalde bedrag van € 1.080,- eerst in mindering op de rente van € 202,01 en de kosten van € 216,90, waarna er een hoofdsom resteert van € 1.614,01. De daarover gevorderde rente is als onweersproken toewijsbaar.

3.13.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie en in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Partou worden begroot op:

- dagvaarding € 101,75

- griffierecht € 476,00

- salaris gemachtigde € 525,00 (3,5 punten x tarief € 150,00)

Totaal € 1.102,75

4 De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter:

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Partou tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.614,01, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 2 februari 2018 tot de dag van betaling;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Partou, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.102,75, waarin begrepen € 525,00 aan salaris gemachtigde;

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2018.