Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5101

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
6457884
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onterechte overdracht klassieke Jaguar door bemiddelaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Lelystad

zaaknummers: 6457884 LC EXPL 17-3895 (hoofdzaak) en 6782595 LC EXPL 18-933 (vrijwaringszaak), RW/1368

Vonnis van 17 oktober 2018

inzake in de hoofdzaak:

[partij X] ,

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

eisende partij in de hoofdzaak,

gemachtigde: mr. J.M. van Raaijen,

tegen:

[partij Y] , voorheen h.o.d.n. [handelsnaam]

wonende te [woonplaats] (Duitsland), voorheen zaakdoende te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

gemachtigde: J.A. Rottiné, werkzaam bij Reformatorisch Maatschappelijke Unie,

en in de vrijwaringszaak:

[partij Y] , voorheen h.o.d.n. [handelsnaam]

wonende te [woonplaats] (Duitsland), voorheen zaakdoende te [vestigingsplaats] ,

eisende partij in de vrijwaringszaak,

gemachtigde: J.A. Rottiné, werkzaam bij Reformatorisch Maatschappelijke Unie,

tegen

[partij Z] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij in de vrijwaringszaak,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna [partij X] , [partij Y] en [partij Z] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:

- het vonnis van 7 maart 2018 in het incident, waarbij [partij Y] toestemming heeft gekregen om [partij Z] in vrijwaring op te roepen,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek,

- de akte uitlating producties van [partij X] .

1.2.

Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord, mondeling gegeven door [partij Z] op de zitting van 4 april 2018,

- de conclusie van repliek.

1.3.

In de vrijwaringszaak heeft [partij Z] , hoewel daartoe behoorlijk in staat te zijn gesteld, niet voor dupliek geconcludeerd.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak.

2 De feiten en de geschillen

2.1.

[partij X] was eigenaar van een klassieke Jaguar, type XJ S met het kenteken [kenteken] (hierna: de Jaguar). De waarde van de Jaguar is op 10 november 2010 door [taxatiebureau 1] getaxeerd op € 20.000,00 (productie 1 van [partij X] ). In 2014 is [partij X] naar Duitsland verhuisd. In mei 2015 heeft [partij X] [partij Y] gevraagd om de Jaguar te verkopen. [partij Y] had op dat moment een autobedrijf.

2.2.

Op 17 november 2016 is de Jaguar op naam gesteld van [partij Z] . [partij Z] bezit ook de sleutels en alle kentekenbewijzen van de Jaguar.

2.3.

In de hoofdzaak vordert [partij X] een verklaring voor recht dat [partij Y] onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld, en dat [partij Y] € 20.000,00 aan hem betaald, met rente en buitengerechtelijke incassokosten. [partij X] stelt dat [partij Y] de Jaguar zonder zijn toestemming heeft overgedragen aan [partij Z] en daarom is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst tussen hen, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [partij X] . Volgens [partij X] moet [partij Y] de daardoor ontstane schade, namelijk de waarde van de Jaguar (volgens [partij X] € 20.000,00) aan hem vergoeden.

2.4.

In de hoofdzaak voert [partij Y] verweer en stelt het volgende. In onderling overleg tussen hem, [partij X] en [partij Z] is besloten om de Jaguar op naam van [partij Z] te zetten. De Jaguar stond eerst op naam van [partij Y] , maar doordat hij schulden had en mogelijk beslag op de Jaguar zou kunnen worden gelegd, was dat niet langer wenselijk. Ook kon de Jaguar niet op naam van [partij X] zelf gezet worden, omdat [partij X] in Duitsland woonde. Verder had [partij X] huurschulden aan [partij Z] (de Jaguar stond vanaf 2010 tot 2015 gestald bij [partij Z] en [partij X] was daarvoor huur verschuldigd) die [partij X] onbetaald liet. Het op naam stellen van de Jaguar (die rond september 2016 is gestald bij de zoon van [partij Z] ) diende als waarborg voor het terugbetalen van die schulden. Verder is de waarde van de Jaguar geen € 20.000,00, maar € 5.500,00 (zie taxatierapport van [taxatiebureau 2] van 20 juni 2018, productie 4 van [partij Y] ). Voor zover hij al schadevergoeding zou moeten betalen, kan dat nooit meer zijn dan dat bedrag, aldus [partij Y] .

2.5.

[partij Y] heeft [partij Z] opgeroepen in vrijwaring. Omdat de Jaguar als waarborg voor het terugbetalen van de huurschulden van [partij X] aan [partij Z] is afgegeven, staat [partij Y] buiten die overeenkomst. Ook als [partij Z] de Jaguar onrechtmatig onder zich houdt, staat [partij Y] daarbuiten, want dan zal [partij Z] de Jaguar aan [partij X] terug moeten geven. In ieder geval is [partij Y] niet degene die uiteindelijk de mogelijke nadelige financiële gevolgen van de overdracht zou moeten dragen, aldus [partij Y] .

2.6.

[partij Z] voert in de vrijwaringszaak verweer. Volgens hem heeft hij nergens iets mee te maken, en heeft hij gewoon de Jaguar van [partij Y] gekocht voor € 20.000,00.

3 De beoordeling

3.1.

Dat de kantonrechter (gezien de internationale aspecten in deze zaken) bevoegd is en dat het Nederlandse recht van toepassing is, is al overwogen in het incidentele vonnis van 7 maart 2018.

3.2.

De kernvraag in de hoofdzaak is of [partij Y] de Jaguar gerechtvaardigd heeft kunnen overdragen aan [partij X] . [partij Y] stelt dat dit niet is gebeurd, omdat hij de auto had verkocht voor [partij X] . De opdracht die [partij X] aan [partij Y] heeft gegeven, hield in dat [partij Y] mocht verkopen voor [partij X] , nadat de laatste had ingestemd met de verkoopprijs. Uit de stellingen van [partij Y] volgt dat van een verkoop geen sprake is. Als [partij Y] de opdracht had teruggegeven aan [partij X] , had [partij Y] de auto ook weer aan [partij X] ter beschikking moeten stellen. Dat is ook niet gebeurd.

Uit de uitvoering van de overeenkomst van opdracht of uit het beëindigen daarvan door [partij Y] volgt dus niet dat de auto terechtkomt (met papieren en al) bij [partij Z] . [partij Y] geeft daarvoor (dan ook) een andere verklaring. Volgens [partij Y] die overdracht aan [partij Z] met toestemming van [partij X] geweest. [partij X] ontkent dat. Dan is het aan [partij Y] om die stelling voldoende feitelijk en concreet te onderbouwen.

3.3.

[partij Y] is daar niet in geslaagd. Het kan zijn dat [partij X] huurschulden had bij [partij Z] en dat het onwenselijk was dat de Jaguar op naam van [partij Y] zou blijven staan, maar dat houdt nog niet in dat alleen om die reden [partij X] ermee ingestemd zou moeten hebben dat [partij Y] de Jaguar bij wijze van waarborg voor die huurschulden aan [partij Z] zou overdragen. [partij Y] stelt wel dat die afspraak in ‘onderling overleg’ tussen hem, [partij X] en [partij Z] is gemaakt, maar voert daarover niets feitelijks aan, bijvoorbeeld over wanneer en waar partijen tot die afspraak zouden zijn gekomen. In de vrijwaringszaak bevestigt [partij Z] de door [partij Y] gestelde afspraak in ieder geval niet, terwijl [partij Y] die afspraak in de vrijwaringszaak stelt en [partij Z] zélf volgens [partij Y] daar bij betrokken was. Ook voert [partij Z] in de vrijwaringszaak aan dat hij niets weet van schulden van [partij Y] . De in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak door [partij Y] gestelde afspraak is, als onvoldoende nader onderbouwd, niet komen vast te staan. Dat [partij X] om een andere reden toestemming zou hebben gegeven voor de overdracht van de Jaguar aan [partij Z] , is niet gesteld en ook niet gebleken. De conclusie is daarom dat [partij Y] de Jaguar buiten medeweten en zonder toestemming van [partij X] heeft overgedragen aan [partij Z] .

3.4.

Heeft [partij Y] de Jaguar aan [partij Z] verkocht, in die zin dat hij daarvoor geld heeft ontvangen? Dat is niet vast komen te staan. In de vrijwaringszaak zegt [partij Z] wel dat hij de Jaguar voor € 20.000,00 heeft gekocht van [partij Y] , maar [partij Y] betwist dat en [partij Z] heeft in de vrijwaringszaak geen conclusie van dupliek genomen. Blijft dus over dat [partij Y] kennelijk de Jaguar om niet heeft overdragen aan [partij Z] . Ten tijde van de overdracht bestond tussen [partij X] en [partij Y] nog een bemiddelingsopdracht: [partij Y] stelt wel dat hij die opdracht beëindigd zou hebben, maar [partij X] ontkent dat en [partij Y] komt daar niet meer op terug. [partij Y] is dus toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de bemiddelingsovereenkomst, die inhield dat [partij Y] de Jaguar (volgens [partij X] voor minimaal € 20.000,00) voor [partij X] zou moeten verkopen. Door dat niet te doen, moet [partij Y] de daardoor ontstane schade aan [partij X] vergoeden.

3.5.

De in de hoofdzaak door [partij X] gevorderde verklaring voor recht dat [partij Y] onrechtmatig tegenover [partij X] heeft gehandeld, is niet toewijsbaar. De kantonrechter houdt het ervoor dat [partij X] daarmee het onrechtmatig handelen zoals genoemd in artikel 6:162 BW bedoeld (onrechtmatige daad), maar de grond van de schadevergoedingsplicht van [partij Y] is geen onrechtmatig daad, maar zijn toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de bemiddelingsovereenkomst.

3.6.

De schade van [partij X] bestaat uit het verlies van de Jaguar. Dat [partij X] [partij Y] zou hebben opgedragen om de Jaguar voor minimaal € 20.000,00 te verkopen mag zo zijn, maar dat betekent nog niet dat de daadwerkelijke schade van [partij X] dat bedrag is. De schade is in ieder geval de waarde van de Jaguar. Daarover het volgende.

3.7.

Het taxatierapport waar [partij X] zich op beroept is ten tijde van de overdracht van de Jaguar gedateerd. Volgens [partij Y] heeft de Jaguar ná het taxatierapport van 10 november 2010 vochtschade opgelopen, toen deze in de opslag bij [partij Z] stond. Dat de waarde van de Jaguar door de vochtschade is gedaald, is aannemelijk. Van geen belang is dat [partij X] stelt dat dit tot het risico van [partij Z] behoort; [partij Z] is in de hoofdzaak geen partij. Hoewel [partij X] en [partij Y] elkaars taxatierapporten over en weer ter discussie stellen, ziet de kantonrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de in de taxatierapporten weergegeven waarden van de Jaguar op respectievelijk 10 november 2010 (direct na de restauratie door [partij X] ) en 20 juni 2018 (dus circa 7,5 jaar later en ná de vochtschade). Beide taxatierapporten zijn naar behoren onderbouwd en uitgevoerd door kennelijk deskundige taxateurs. [partij X] heeft gelijk als hij stelt dat ook tussen het moment van overdracht op 17 november 2016 en de laatste taxatie op 20 juni 2018 de waarde van de Jaguar verminderd kan zijn. Zowel [partij X] als [partij Y] voeren niets aan over wat er feitelijk met de Jaguar is gebeurd na de overdracht aan [partij Z] (voor zover dat zij dat al feitelijk zouden weten) en ook [partij Z] zegt daarover niets in zijn antwoord in de vrijwaringszaak. De kantonrechter zal daarom waarde van de Jaguar ten tijde van de overdracht aan [partij Z] (en dus de door [partij Y] te betalen schadevergoeding aan [partij X] ) zelf schatten als volgt. In circa 7,5 jaar is de waarde verminderd met € 14.500,00, dat is circa € 2.000,00 per jaar. Tussen het moment van overdracht op 17 november 2016 en de laatste taxatie op 20 juni 2018 zit circa 1,5 jaar. De waarde is tussen het moment van overdracht en de laatste taxatie dan verminderd met circa € 3.000,00 (1,5 x € 2.000,00). De waarde op het moment van de overdracht zou dan (€ 5.500,00 + € 3.000,00 =) € 8.500,00 zijn. Dat bedrag is aan hoofdsom toewijsbaar.

3.8.

[partij X] maakt in de hoofdzaak aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, waarop het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing. [partij X] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief, omdat de hoofdsom gedeeltelijk wordt afgewezen. Toewijsbaar is het wettelijke tarief. Berekend over de toe te wijzen hoofdsom van € 8.500,00 is dat € 968,00 inclusief btw, dus samen € 9.468,00.

3.9.

De gevorderde rente in de hoofdzaak is als onweersproken toewijsbaar.

3.10.

[partij Y] zal in de hoofdzaak als de meest in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een gedeelte van de vordering wordt afgewezen, moet het griffierecht voor zover dit een bedrag van € 223,00 te boven gaat, als onnodig veroorzaakt voor rekening van [partij X] te blijven. De kosten aan de zijde van [partij X] worden begroot op:

- dagvaarding € 124,82

- griffierecht € 223,00

- salaris gemachtigde € 625,00 (2,5 punten x tarief € 250,00)

Totaal € 972,82

De wettelijke rente over de proceskosten is als hierna bepaald toewijsbaar.

3.11.

In de hoofdzaak is komen vast te staan dat [partij Y] , omdat hij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen in zijn overeenkomst met [partij X] , de schade van [partij X] moet voldoen. [partij Y] heeft buiten medeweten van [partij X] de Jaguar overgedragen aan [partij Z] . De door [partij Y] gestelde afspraak, namelijk dat tot de overdracht is besloten in onderling overleg tussen hem, [partij X] en [partij Z] , is niet komen vast te staan. In de vrijwaringszaak stelt [partij Y] die afspraak ook, maar [partij Z] ontkent dat. [partij Y] miskent bij zijn conclusie in repliek vervolgens dat het dan vervolgens aan hém is (en niet aan [partij Z] ) om die afspraak nader te onderbouwen, wat [partij Y] dus niet heeft gedaan.

Omdat [partij Y] zijn vordering in vrijwaring op [partij Z] op het bestaan van die afspraak heeft gebaseerd, is de vordering in vrijwaring niet toewijsbaar. Ook de nevenvorderingen worden daarom afgewezen.

3.12.

[partij Y] zal in de vrijwaringszaak als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Aan de zijde van [partij Z] worden de kosten gesteld op € 50,00 aan verletkosten.

4 De beslissing

De kantonrechter:

in de hoofdzaak:

4.1.

veroordeelt [partij Y] om aan [partij X] tegen bewijs van kwijting te betalen € 9.468,00, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 8.500,00 vanaf 17 november 2016 tot de dag van betaling;

4.2.

veroordeelt [partij Y] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [partij X] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 972,82, waarin begrepen € 625,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van betaling;

4.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in de vrijwaringszaak:

4.5.

wijst de vordering af;

4.6.

veroordeelt [partij Y] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [partij Z] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 50,00 aan verletkosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2018.