Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5054

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
UTR 17/1505
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

weigering omgevingsvergunning

Omgevingsvergunning voor het exploiteren van een onbemand tankstation op juiste gronden geweigerd. Externe veiligheid en brandveiligheid in en rondom de inrichting onvoldoende gewaarborgd. Ex tunc-toetsing. Met de pas ruim na de weigering overgelegde onderzoeken kan bij de beoordeling geen rekening worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/1505

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van

1 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren, verweerder

(gemachtigden: mr. F.T.J. Kruijsbergen en ing. J. Winkel).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] B.V.,

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd aan

eiseres een milieu-omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten van een onbemand

tankstation met garagebedrijf op het perceel [straatnaam] [nummeraanduiding 1] te [vestigingsplaats] (het perceel).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, vergezeld door ing. [B] . Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

De rechtbank heeft de behandeling ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld om met elkaar in gesprek te gaan. Met partijen is afgesproken dat eiseres de door verweerder gewenste informatie alsnog levert en dat verweerder concreet, per punt, zal aangeven welke informatie hij nog van eiseres verlangt (zie het verkort proces-verbaal van 14 december 2017).

Partijen hebben vervolgens een aantal aanvullende stukken naar de rechtbank gezonden.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, vergezeld door

ing. [B] . Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiseres exploiteert een garagebedrijf met een bemand tankstation op het perceel. Zij huurt het perceel van derde-partij, die ook eigenaar is van de percelen [straatnaam] [nummeraanduiding 2] en [nummeraanduiding 3] en de daarop aanwezige opstallen. Op die percelen bevinden zich drie woningen, waarvan één met rieten dak, een opslagruimte en een kantoorruimte, die zijn verhuurd aan derden. Op korte afstand van de afleverzuil van het tankstation bevindt zich een kantoorgebouw ( [straatnaam] [nummeraanduiding 4] ).

3. Eiseres wil het tankstation graag onbemand exploiteren en heeft daar bij verweerder op

8 december 2011 een omgevingsvergunning voor aangevraagd. Verweerder heeft in zijn besluit van 18 februari 2013 eiseres de gevraagde vergunning verleend. Tegen dit besluit hebben zowel eiseres als derde-partij beroep bij de rechtbank Amsterdam en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) ingesteld. De rechtbank heeft het besluit van 18 februari 2013 vernietigd en de ABRvS heeft die uitspraak bevestigd. Als gevolg van de uitspraken van 13 oktober 2015 (AMS 13/2911 en AMS 13/2908) van de rechtbank en van 16 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3028 en ECLI:NL:RVS:2016:3027) van de ABRvS moest verweerder opnieuw beslissen op de aanvraag van 8 december 2011 van eiseres. Na het volgen van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure heeft verweerder bij het bestreden besluit de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat uit de aanvraag onvoldoende is gebleken dat de veiligheid van de directe omgeving is gewaarborgd.

4. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat zij het bestreden besluit moet beoordelen aan de hand van de situatie zoals die was op het moment dat het weigeringsbesluit van 9 februari 2017 werd genomen en de op dat moment bekende stukken en feiten en omstandigheden (de zogenoemde ex tunc-toetsing). De rechtbank moet daarbij ook rekening houden met de eerdere uitspraken die de ABRvS heeft gedaan in deze zaak.

5. De uitspraak van 16 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3028) van de ABRvS ziet onder meer op de effectbenadering voor een incident met de tankauto, uitgaande van een plasbrand van 32 m². De ABRvS heeft in voornoemde uitspraak geoordeeld dat de rechtbank Amsterdam het besluit van 18 februari 2013, waarbij de vergunning is verleend, terecht heeft vernietigd. Verweerder heeft onvoldoende zorgvuldig onderzoek verricht naar de brandveiligheid en heeft ontoereikend gemotiveerd dat de vergunning uit een oogpunt van gevaarsaspecten kon worden verleend. De rapporten van [adviesbureau 1] die aan de vergunningverlening ten grondslag lagen, kennen naar het oordeel van de rechtbank en de ABRvS een drietal gebreken. Op de eerste plaats is de warmtestralingscontour ten onrechte niet berekend, maar geschat. Daarnaast is de naastgelegen kantoor- en opslagruimte van [naam] ten onrechte niet in de beoordeling betrokken. Tot slot is er onvoldoende onderzoek verricht naar de vraag of de warmtestalingsbelasting op de rieten kap van de woning op het perceel [straatnaam] [nummeraanduiding 2] kan leiden tot brandoverslag.

6. Eiseres heeft na de uitspraken van de rechtbank Amsterdam [adviesbureau 1] nader onderzoek laten verrichten. De resultaten hiervan zijn neergelegd in de notitie “Beoordeling onbemand opereren benzinetankstation [eiseres] in [vestigingsplaats] ” van 2 december 2015 (de notitie). De rechtbank constateert dat in de notitie geen nader onderzoek is opgenomen naar de effecten voor een incident met de tankauto uitgaande van een plasbrand met een oppervlakte van 32 m². Daarmee heeft eiseres de door de rechtbank Amsterdam en ABRvS geconstateerde gebreken naar het oordeel van de rechtbank niet hersteld. Pas ruim na het in deze zaak bestreden weigeringsbesluit heeft eiseres nieuwe onderzoeken van [adviesbureau 2] van 29 maart 2018 en 13 april 2018 overgelegd. Met deze onderzoeken kan de rechtbank echter geen rekening houden, gelet op de eerdergenoemde ex tunc-toetsing. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op basis van de notitie op het standpunt kunnen stellen dat de externe veiligheid en brandveiligheid in en rondom de inrichting onvoldoende zijn gewaarborgd.

7. Eiseres heeft betoogd dat verweerder geen gehoor heeft gegeven aan de andere uitspraak van 16 november 2016 van de ABRvS (ECLI:NL:RVS:2016:3027), waarin is geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of door het stellen van voorschriften een goede werking van de afvoerput kan worden gegarandeerd en evenmin of in dat geval zou kunnen worden volstaan met een minder verstrekkend voorschrift dan het in de vergunning van 18 februari 2013 opgenomen voorschrift over een brandmuur. Omdat de rechtbank hiervoor tot het oordeel komt dat verweerder de vergunning op juiste gronden heeft geweigerd, komt zij niet toe aan een beoordeling van deze beroepsgrond.

8. Eiseres heeft verder geen gronden aangevoerd tegen verweerders standpunt dat de veiligheid van de directe omgeving onvoldoende gewaarborgd is. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

9. De rechtbank heeft partijen gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen op de onderaan dit proces-verbaal omschreven wijze.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, en mr. K. de Meulder en

mr. B. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2018.

(de griffier is verhinderd

dit proces-verbaal te ondertekenen)

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.