Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5050

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-01-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
UTR 17/1055
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering tegemoetkoming planschade. Eiseres heeft de door haar geopperde uitbreidingsmogelijkheden niet geconcretiseerd, in die zin dat zij niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd dat op grond van die omstandigheid zou moeten worden geoordeeld dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. De enkele niet nader onderbouwde stellingen van eiseres omtrent huur/pacht van grond zijn onvoldoende voor het oordeel dat er op de peildatum inderdaad agrarische gronden in de nabijheid van het perceel beschikbaar waren om te pachten en indien dat het geval zou zijn, of en op welke wijze een potentiële koper die mogelijkheid zou hebben betrokken bij de (theoretische) aankoop van het perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/1055

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 januari 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. N.J.F. Snoek en H.A. van Blokland),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen, verweerder

(gemachtigden: mr. D.A. Zeilstra en D.L. van der Zwaag).

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder heeft verweerder het verzoek van eiseres en haar echtgenoot om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 31 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door mr. [A] , werkzaam bij [adviesbureau] .

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Op 27 november 2014 heeft eiseres, samen met haar inmiddels overleden echtgenoot, bij verweerder een aanvraag om tegemoetkoming in planschade ingediend. Eiseres woont op het perceel aan het [adres] te [woonplaats] en is tevens eigenaar van de woning aan [adres] te [woonplaats] , die door haar zoon wordt gehuurd.

2. Op het aanvraagformulier heeft eiseres aangevoerd dat zij door het vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied gemeente Abcoude” schade ondervindt, omdat de aantrekkelijkheid van de percelen door de wijziging van de agrarische bestemming in woonbestemming is verminderd. Door deze wijziging van de bestemming is eiseres naar haar mening geconfronteerd met een aanmerkelijke verhoging van de waarde op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet Woz). Door de verhoging van de Woz-waarde wordt zij geconfronteerd met hogere lasten en is sprake van verminderde inkomsten, aldus eiseres. In een nadere onderbouwing van haar verzoek om planschadevergoeding heeft eiseres in een brief van 23 september 2015 haar totale planschade begroot op € 2.192.500,-, bestaande uit onder meer gemiste inkomsten door duurzaam verlies van landbouwgrond en gederfde inkomsten voor het melkquotum.

3. Verweerder heeft [adviesbureau] gevraagd om advies uit te brengen over het planschadeverzoek van eiseres. Aan de afwijzing van het verzoek bij het primaire besluit lag het advies van [adviesbureau] van 20 juli 2016 ten grondslag. Vervolgens heeft [adviesbureau] in de bezwaarfase op 23 januari 2017 een nader advies uitgebracht, dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit.

4. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kent verweerder degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

5. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding moet worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat op grond van deze regimes maximaal kon, onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking heeft plaatsgevonden (zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582). [adviesbureau] heeft daartoe een planologische vergelijking gemaakt tussen het tot 12 maart 2010 geldende ‘Uitbreidingsplan in onderdelen [naam] ’ en het vanaf 12 maart 2010 geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied (Abcoude)’. Eiseres kan zich daarin vinden: partijen zijn het erover eens dat het oude regime een agrarisch bedrijf toestond en dat het nieuwe regime twee burgerwoningen mogelijk maakt.

[adviesbureau] heeft vervolgens, bij de waardering van de nadelen van de planologische wijziging, geconcludeerd dat een volwaardige, en dus rendabele, agrarische bedrijfsvoering op het perceel onder het oude planologische regime uitgesloten moest worden geacht dit gelet op de beperkte oppervlakten van zowel het agrarisch bouwperceel als de daarbij behorende agrarische gronden, de beperkte omvang en de gedateerde staat van de bestaande agrarische opstallen en de onmogelijkheid om nieuwe bedrijfsbebouwing bij te bouwen. Onder het nieuwe regime is het gebruik van de voormalige bedrijfswoningen als burgerwoningen toegestaan. Gelet hierop is volgens [adviesbureau] geen sprake van planschade.

6. Volgens vaste rechtspraak (zie voornoemde uitspraak van de ABRvS) mag een bestuursorgaan, indien in een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

6.1

Eiseres voert in de eerste plaats aan dat een volwaardige agrarische bedrijfsvoering wel degelijk mogelijk was geweest, indien door een potentiële koper gronden in de nabijheid van het perceel zouden worden gepacht/gehuurd. Eiseres is dan ook van mening dat bij de waardebepaling van het perceel onder het oude planologische regime onvoldoende rekening is gehouden met deze omstandigheid.

6.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres de door haar geopperde uitbreidingsmogelijkheden niet geconcretiseerd, in die zin dat zij niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd dat op grond van die omstandigheid zou moeten worden geoordeeld dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. De enkele niet nader onderbouwde stellingen van eiseres omtrent huur/pacht van grond zijn onvoldoende voor het oordeel dat er op de peildatum inderdaad agrarische gronden in de nabijheid van het perceel beschikbaar waren om te pachten en indien dat het geval zou zijn, of en op welke wijze een potentiële koper die mogelijkheid zou hebben betrokken bij de (theoretische) aankoop van het perceel. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiseres geen deskundig tegenadvies heeft overgelegd dat doet twijfelen aan de juistheid of deugdelijkheid van het advies van [adviesbureau] , waarop verweerder zijn oordeel heeft gebaseerd. Het betoog van eiseres slaagt dus niet.

7. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een planologisch nadeel te veel gewicht heeft toegekend aan de ontwikkeling van de Woz-waarde nadat het perceel een woonbestemming heeft gekregen. Eiseres heeft daarbij betoogd dat aan de waardering op grond van de Wet Woz geen planologische vergelijking ten grondslag ligt en dus niet aan het besluit tot afwijzing van de planschadevergoeding ten grondslag mag worden gelegd.

7.1

De rechtbank overweegt allereerst dat op grond van vaste rechtspraak de woz-waarde van een onroerende zaak niet zonder meer bepalend is voor de vaststelling van de omvang van de gestelde planschade. Immers, bij de vaststelling van de woz-waarde is doorgaans de feitelijke situatie bepalend en wordt geen rekening gehouden met de maximale mogelijkheden van het planologische regime vóór en na de peildatum. Niet is echter gebleken dat de vastgestelde woz-waarde voor verweerder bepalend is geweest voor zijn besluit om eiseres geen planschade toe te kennen. Uit het advies van [adviesbureau] blijkt immers dat deze deskundige de verhoging van de woz-waarde slechts heeft gezien als een bevestiging van zijn conclusie dat de doorgevoerde wijziging van de bestemming (van “agrarisch” naar “wonen”) tot een wezenlijke verhoging van de vrije verkoopwaarde van de onroerende zaak heeft geleid. Het betoog van eiseres slaagt dan ook niet.

8. Door eiseres is verder betoogd dat [adviesbureau] in zijn advies is uitgegaan van een onjuiste feitelijke situatie op het perceel, in die zin dat in het advies wordt gesproken over de aanwezigheid van slechts één schuur op het perceel. Naar de mening van eiseres is deze omschrijving van de feitelijke situatie niet juist, omdat er meerdere gebouwen en ruimtes op het perceel aanwezig zijn.

8. De rechtbank overweegt dat de veronderstelling van eiseres dat [adviesbureau] in zijn advies is uitgegaan van de aanwezigheid van één schuur op het perceel feitelijk onjuist is. Uit het advies van 23 januari 2017 blijkt immers dat [adviesbureau] wel degelijk op de hoogte was van de aanwezigheid van meerdere gebouwen op het perceel. Zo wordt naast de aanwezigheid van de twee woningen ook melding gemaakt van twee voormalige agrarische schuren, een hooiberg en enkele overige voormalige bedrijfsopstallen. De rechtbank heeft dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [adviesbureau] zijn advies heeft gebaseerd op een onjuiste feitelijke grondslag. De rechtbank tekent daarbij nog aan dat de aanwezigheid van de bedrijfsopstallen op het perceel niet van invloed is geweest op de conclusie van [adviesbureau] dat hier geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals ter zitting is toegelicht. Het betoog van eiseres slaagt dan ook niet.

9. Ten slotte heeft eiseres betoogd dat [adviesbureau] verzuimd heeft zich ter plaatse te oriënteren alvorens advies uit te brengen.

9.1

De rechtbank is van oordeel dat van de zijde van [adviesbureau] voldoende aannemelijk is gemaakt dat ook zonder bezichtiging van het perceel op grond van onder meer een luchtfoto een goed beeld is verkregen van de situatie ter plaatse. De rechtbank heeft dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat beoordeling van de voorgelegde vraagstelling zonder bezichtiging van het perceel door [adviesbureau] niet mogelijk is geweest. Ook dit betoog van eiseres slaagt niet.

10. Naar het oordeel van de rechtbank is er met wat in beroep is aangevoerd dan ook niet aannemelijk geworden dat er reden is tot twijfel aan de juistheid of volledigheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van [adviesbureau] . Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. N.M.H. van Ek en

mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.