Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5042

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3617
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand, intrekking en terugvordering.

art. 54, derde lid Pw, art. 58, eerste lid, Pw.

MK. Intrekking en terugvordering bijstand. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de grond en woning die daarop is gebouwd tot eisers vermogen behoorden in de periode van 1 september 2008 tot en met 13 mei 2014. Door hiervan geen melding te maken bij zijn bijstandsaanvraag, heeft eiser de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Ook ten aanzien van de periode van 13 mei 2014, de datum waarop hij de grond met de woning heeft geschonken aan zijn vader, tot 27 oktober 2014 heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden. Hij had de schenking moeten melden aan verweerder. De grond en de daarop gebouwde woning vertegenwoordigen een aanzienlijke waarde, die het vrij te laten vermogen ruim overschrijdt. Ook ten tijde van de aanvraag om gezinsbijstand op 11 februari 2015 heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden. Het lag op eisers weg om inzicht te geven in zijn financiële positie voorafgaand aan de aanvraag om bijstand. De schenking was een omstandigheid die van invloed kon zijn voor de beoordeling van (de omvang van) het recht op bijstand. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht op volledige of aanvullende bijstand zou hebben gehad als hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de aankoop van de grond en de bouw van de woning zijn gefinancierd, zodat ook niet kan worden vastgesteld dat eiser niet langer kan beschikken over de middelen waarmee die kosten zijn gefinancierd. Eiser heeft een onduidelijkheid met betrekking tot zijn financiële situatie gecreëerd. Verweerder was gehouden de bijstand in te trekken en de ten onrechte verleende bijstand van eiser terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/3617

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 september 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H.H. Meulemeesters)

en

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug, verweerder

(gemachtigde: mr. V.V. Tuchkova).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2017 (primair besluit 1) heeft verweerder eisers recht op bijstand ingetrokken over de periode van 1 september 2008 tot en met 27 oktober 2014.

Bij besluit van 3 maart 2017 (primair besluit 2) heeft verweerder eisers recht op bijstand met ingang van 15 februari 2015 ingetrokken.

Bij besluit van 13 maart 2017 (primair besluit 3) heeft verweerder eisers recht op bijzondere bijstand per 15 februari 2015 ingetrokken.

Bij besluit van 30 maart 2017 (primair besluit 4) heeft verweerder primair besluit 2 in die zin gewijzigd dat het recht op bijstand met ingang van 11 februari 2015 wordt ingetrokken.

Bij besluit van eveneens 30 maart 2017 (primair besluit 5) heeft verweerder primair besluit 3 in die zin gewijzigd dat het recht op bijzondere bijstand met ingang van 11 februari 2015 wordt ingetrokken.

Bij besluit van 27 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser is per 1 september 2008 verhuisd naar [woonplaats] . In [woonplaats] ontving hij van verweerder een bijstandsuitkering. Op 2 maart 2015 heeft eiser samen met [A] een bijstandsuitkering aangevraagd omdat zij waren gaan samenwonen. Bij besluit van 11 mei 2015 is aan hen per 11 februari 2015 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden verstrekt. Omdat informatie was ontvangen met betrekking tot een financieel onderzoek naar eiser, is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de door eiser ontvangen uitkering.

2. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder de primaire besluiten genomen. Verweerder stelt in primair besluit 1 dat eiser in de periode van 1 september 2008 tot 13 mei 2014 in bezit is geweest van een stuk grond en een villa die daarop is gebouwd. De waarde van de grond overschrijdt het bedrag van de vermogensvrijlating. Eiser heeft geen melding gemaakt van dit vermogensbestanddeel en evenmin van de financiële middelen om de woning te bouwen. Ook nadat eiser geen eigenaar van de grond en de woning meer was, heeft hij onvoldoende informatie over de aard en de herkomst van deze middelen verstrekt. Op grond daarvan is het recht op uitkering niet vast te stellen, aldus verweerder. In primair besluit 2 stelt verweerder dat eiser niet heeft aangetoond hoe hij de verwerving van grond en de bouw van de villa in Marokko heeft kunnen financieren. Verder is bij eiser op 19 augustus 2015 een bedrag van € 3.500,- in contanten aangetroffen en heeft eiser niet aangetoond hoe hij daaraan is gekomen. Niet kan worden vastgesteld of eiser ook nu nog over die middelen kan beschikken. Om voormelde redenen is volgens verweerder het recht op bijstand niet vast te stellen.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd.

4. Eiser heeft aangevoerd dat de grond en de woning in Fes weliswaar op zijn naam hebben gestaan, maar dat deze hem niet in eigendom toebehoorden. Ze waren van zijn vader. Om praktische reden heeft eiser de koop gesloten. Hij heeft de inlichtingenplicht dus ook niet geschonden. Ten aanzien van de gezamenlijke uitkering vanaf 11 mei 2015 geldt dat eiser zijn inlichtingenplicht al helemaal niet heeft geschonden, omdat hij de grond met woning reeds op 13 mei 2014 had teruggeschonken aan zijn vader. De gestelde eigendom van grond en woning had dus geen invloed op het recht op (gezamenlijke) bijstand in de periode erna. Eiser wijst op de overwegingen van de rechtbank in de strafzaak tegen eiser over de woning in Fes. Eiser voert aan dat die overwegingen ook relevant zijn in deze procedure.

5. De rechtbank is van oordeel dat het perceel grond dat in de periode van 7 augustus 2008 tot 13 mei 2014 in Marokko op eisers naam stond en waarop een woning is gebouwd, een bestanddeel vormde van het vermogen van eiser waarover hij daadwerkelijk beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken. Eiser heeft verklaard dat de grond op zijn naam stond. Bovendien staat in de schenkingsakte van grond en woning vermeld dat de eigendom overgaat van eiser aan dhr. [B] . Dat rechtvaardigt de vooronderstelling dat de grond en de woning vóór de overdracht een bestanddeel van het vermogen vormden waarover eiser daadwerkelijk beschikte of kon beschikken. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de grond en de woning hem niet in eigendom toebehoorden of dat hij er niet over kon beschikken. De verklaring van zijn vader, waarin deze stelt dat het stuk grond zijn eigendom is en dat de grond destijds op naam van eiser is gezet omdat vader niet in Marokko kon zijn, is daarvoor onvoldoende. Deze stelling is niet objectief verifieerbaar. Eiser heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn vader eigenaar was van de grond en dat hij de middelen verschafte voor de aankoop van de grond en voor de bouw van de woning. Dat eisers vader over de financiële middelen beschikte om de grond te kunnen aankopen, bewijst niet dat hij de grond ook daadwerkelijk heeft gekocht. Ook met de verwijzing naar het strafvonnis waarin eiser is vrijgesproken van witwassen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de woning hem niet in eigendom toebehoorde en dat hij er niet over kon beschikken. De strafrechter heeft geoordeeld dat het voor eiser niet per definitie onaannemelijk moest zijn dat de grond door zijn vader op basis van legale inkomsten is gekocht. Uit het vonnis blijkt dat is onderzocht of eiser moest vermoeden dat het geld waarmee zijn vader de grond en woning zou hebben aangekocht legaal was. De strafrechter heeft echter de eigendomsverhouding van de grond en de woning niet onderzocht.

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de grond en de woning die daarop is gebouwd, tot eisers vermogen behoorden. Het gaat hier om gegevens waarvan het eiser redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Bovendien is bij de aanvraag expliciet gevraagd of er onroerende zaken op zijn naam stonden. Hier heeft eiser niets aangekruist. Door geen melding te maken van het in bezit hebben van een stuk grond over de periode van 1 september 2008 tot en met 13 mei 2014, heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden.

7. Ook in de periode van 13 mei 2014 tot en met 27 oktober 2014 heeft eiser de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Eiser heeft op 13 mei 2014 een stuk grond met daarop een woning aan zijn vader geschonken. Nu deze grond en de daarop gebouwde woning een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen, die het vrij te laten vermogen ruim overschrijden, had eiser deze schenking moeten melden bij verweerder. Het had eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn geweest dat deze schenking van invloed kon zijn op (de omvang van) het recht op bijstand.

8. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser de inlichtingenplicht ook heeft geschonden toen hij op 11 februari 2015 samen met [A] een uitkering om bijstand heeft aangevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank had eiser op dat moment de schenking van ongeveer 9 maanden eerder moeten melden. Het lag op eisers weg om inzicht te geven in zijn financiële positie voorafgaand aan de aanvraag om bijstand. In dit kader had eiser moeten begrijpen dat het schenken van de grond en de daarop gebouwde woning, een omstandigheid was die van invloed kon zijn voor de beoordeling van (de omvang van) het recht op bijstand. Eiser heeft daarom in strijd met de op hem rustende inlichtingenplicht geen melding gemaakt van de schenking.

9. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

10. Eiser heeft aangevoerd dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij wel recht op bijstand zou hebben gehad. Hij beschikte niet over voldoende vermogen om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad als hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de aankoop van de grond en de bouw van de woning zijn gefinancierd, zodat ook niet kan worden vastgesteld dat eiser niet langer kan beschikken over de middelen waarmee die kosten zijn gefinancierd. Ook heeft verweerder daarbij mogen betrekken dat onduidelijk is gebleven hoe eiser voorzag in de kosten van levensonderhoud en met name de vaste lasten die samenhangen met zijn huurwoning in Nederland. Eiser heeft daarover verklaard dat zijn broer voor hem de huur voldeed en dat eiser het geld voor de huur contant aan zijn broer gaf. Eiser heeft dit niet onderbouwd. Op de door eiser overgelegde bankafschriften is te zien dat alle bedragen die worden gestort vrijwel direct contant worden opgenomen, terwijl er geen betalingen voor levensonderhoud of vaste lasten te zien zijn. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser een onduidelijkheid met betrekking tot zijn financiële situatie heeft gecreëerd.

12. Dit betekent dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet is vast te stellen. Op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet (Pw) was verweerder gehouden om eisers recht op bijstand in te trekken.

13. Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw was verweerder voorts gehouden de ten onrechte verleende bijstand van eiser terug te vorderen. Van dringende redenen op grond waarvan verweerder van terugvordering had moeten afzien, is de rechtbank niet gebleken.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Braaksma, voorzitter, en mr. M.P. Glerum en

mr. M. Eikelenboom-Renden, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2018.

De griffier is buiten staat om

deze uitspraak mede te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.