Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5031

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
UTR 18/948
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen omgevingsvergunning voor tijdelijke antennemast voor mobiele telecommunicatie. Eiseres stelt dat zij meer sensitief is. Eiseres is belanghebbende gelet op de geclaimde gezondheidsklachten en de afstand van haar woning tot het perceel. Procesbelang aangenomen ondanks dat vergunning inmiddels is verlopen. Geen strijd met gemeentelijk antennebeleid. Geen alternatieve locaties of mogelijkheid tot site-sharing. Beroep op gezondheidsbelangen en strijd met het EVRM verworpen onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

(ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2020:1587)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/948

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weesp, verweerder

(gemachtigde: C.H.J. Kwakman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: T-Mobile Netherlands BV, te

Den Haag, vergunninghoudster,

(gemachtigde: mr. J.J. van der Lee).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een tijdelijke antennemast ten behoeve van mobiele telecommunicatie (de antennemast) en een hekwerk op het perceel aan de [perceel] te [woonplaats] (het perceel).

Bij besluit van 16 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder in reactie op het bezwaar van eiseres het primaire besluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghoudster heeft een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2018. Eiseres is verschenen. Verweerder en vergunninghoudster hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 30 november 2016 heeft vergunninghoudster een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van de antennemast met een hoogte van 27 meter op het perceel.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning met toepassing van de zogenoemde binnenplanse afwijkingsbevoegdheid verleend. Bij het bestreden besluit is de omgevingsvergunning gehandhaafd onder aanvulling en wijziging van de motivering.

De vergunning loopt tot 7 december 2017.

Belanghebbende

2.1

Vergunninghoudster voert aan dat eiseres geen belanghebbende is omdat zij meer dan 200 meter van het perceel woont. Vergunninghoudster verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 maart 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:1856.

2.2

Ter zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat zij ongeveer 250 meter van het perceel woont. Dit is niet betwist door verweerder en vergunninghoudster, zodat de rechtbank hiervan uitgaat. Eiseres stelt belanghebbende te zijn bij het besluit omdat zij door de ingebruikname van de antennemast overlast ondervindt van deze mast doordat de straling in en om haar woning is toegenomen.

2.3

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.4

Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijke persoon volgens vaste rechtspraak een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1055).

2.5

In deze uitspraak overweegt de Afdeling onder meer dat mogelijke milieugevolgen van het in werking zijn van een antennemast, zoals stralingseffecten, een rol kunnen spelen bij de verlening van de omgevingsvergunning. Voor beantwoording van die vraag dient te worden bezien of de betrokkene hinder van enige betekenis ondervindt. Gelet op de door eiseres geclaimde klachten en de afstand van de woning van eiseres tot het perceel, ziet de rechtbank aanleiding eiseres als belanghebbende aan te merken.

Procesbelang

3.1

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of eiseres procesbelang heeft, nu de vergunning waartegen eiseres is opgekomen is verlopen. De rechtbank overweegt dat procesbelang onder meer kan bestaan als wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade is geleden als gevolg van het besluit.

3.2

Eiseres heeft gesteld dat zij al langer dan anderhalf jaar letselschade ondervindt als gevolg van de straling van de antennemast, die nog steeds op dezelfde locatie staat. Omdat op voorhand niet valt uit te sluiten dat dergelijke schade zich kan voordoen, ziet de rechtbank aanleiding om aan te nemen dat eiseres belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Wettelijk kader

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het, voor zover hier van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

Bestemmingsplan

5. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Stedelijk Gebied” (het bestemmingsplan). Volgens het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming ‘Groen”.

Artikel 11.1 bepaalt dat de voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen, zoals groenstroken, plantsoenen en bermen;

b. ter plaatse van de aanduiding 'terras', tevens een terras ten behoeve van horeca, zoals bedoeld in artikel 5 Centrum en artikel 13 Horeca;

c. ter plaatse van de aanduiding 'speelvoorziening': een speeltuin met beheerders- en bergruimte;

d. water;

e. dijken en taluds;

f. voet- en fietspaden alsmede in- en uitritten;

g. speelvoorzieningen;

h. evenementen;

i. recreatief medegebruik;

j. met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, verhardingen, nutsvoorzieningen, erven, tuinen, parkeervoorzieningen, kunstobjecten en waterhuishoudkundige doeleinden.

Artikel 11.2, aanhef en onder d, van de planregels bepaalt dat op of in de in lid 11.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd, ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming, met dien verstande dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag zijn dan 3,50 meter voor de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting.

Artikel 35, aanhef en onder b, van de planregels bepaalt dat indien niet op grond van een andere bepaling van deze regels kan worden afgeweken, het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning kan afwijken van de desbetreffende regels van het plan voor het bouwen van antenne-installaties, antennemasten en overige communicatievoorzieningen tot een bouwhoogte van 40 meter.

6. Verweerder heeft op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo, in samenhang met artikel 35, aanhef en onder d, van de planregels de omgevingsvergunning verleend. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort in dit geval tot de bevoegdheid van verweerder, waarbij hij beleidsvrijheid heeft. De rechtbank kan de door verweerder bij het afwegen van de betrokken belangen gemaakte keuzes slechts terughoudend toetsen. De rechtbank dient evenwel vol te toetsen of de belangenafweging op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en of deugdelijk is gemotiveerd waarom een bepaalde keuze is gemaakt.

Antennebeleid

7.1

Eiseres voert aan dat het besluit niet voldoet aan het gemeentelijke Antennebeleid.

7.2

Verweerder betoogt dat de omgevingsvergunning voldoet aan 3 van de 4 uitgangspunten uit het Antennebeleid. Alleen aan het uitgangspunt dat de antenne bij voorkeur dient te worden geplaatst op hoge gebouwen in het stedelijk gebied wordt niet zonder meer voldaan. Verweerder merkt op dat op korte termijn een nieuwe locatie gevonden moest worden voor een antenne omdat de kerktoren waarop een antenne stond, is afgebrand. Er was op dat moment geen andere geschikte locatie voorhanden en om die reden is de antenne niet geplaatst op een hoog gebouw. Volgens verweerder is de plaatsing van de antennemast niet in strijd met het beleid omdat gebruik is gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid die het beleid biedt.

7.3

De rechtbank volgt verweerder in dit betoog. In het Antennebeleid staat vermeld dat de antenne bij voorkeur dient te worden geplaatst op hoge gebouwen in het stedelijk gebied. Dit levert echter geen verplichting op om de antenne te plaatsen op hoge gebouwen. Er is dan ook geen sprake van strijd met het beleid door een vrijstaande mast toe te staan. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat vanwege het belang van het goed functioneren van het telefoonverkeer (in de binnenstad van Weesp) op korte termijn een oplossing moest worden gevonden en dat er op dat moment geen andere geschikte locatie (in de vorm van een hoog gebouw of anderszins) te vinden was. Het betoog slaagt niet.

Alternatieve locaties en site-sharing

8.1

Verder voert eiseres aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of er alternatieve locaties mogelijk zijn. Daarnaast had de mogelijkheid tot delen van antenne-opstelpunten, ook wel site-sharing genoemd, nader onderzocht moeten worden. Op een paar honderd meter van de huidige locatie van de antennemast ligt een bedrijventerrein. Daar had gekeken moeten worden voor een geschikte plek voor de antennemast.

8.2

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dient verweerder de aanvraag te beoordelen zoals die is ingediend tenzij op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2707).

8.3

Verweerder betoogt dat de locatie nodig was om goed te kunnen aansluiten op het mobiele netwerk en om voldoende dekking te kunnen bieden in de gemeente na het afbranden van de kerktoren. Vergunninghoudster heeft in de reactie op het beroep opgemerkt dat er op korte termijn geen alternatieven beschikbaar waren terwijl er op dat moment een urgent dekkingsprobleem speelde. Bij het plaatsen van een antenne moet aan veel technische randvoorwaarden worden voldaan. Het is belangrijk dat de opstelling midden tussen de gebruikers staat zodat de capaciteit optimaal (rondom) kan worden benut. Op het moment van de plaatsing waren er geen alternatieven beschikbaar waarmee een gelijkwaardig resultaat kon worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Ter zitting heeft vergunninghoudster daaraan toegevoegd dat alle gebouwen op het bedrijventerrein in kaart zijn gebracht en dat deze gebouwen niet geschikt zijn dan wel dat de eigenaren geen toestemming wilden verlenen voor een antenne op de gebouwen. Er wordt nu gekeken of een vrijstaande mast op het bedrijventerrein mogelijk is. Daarnaast is een omgevingsvergunning aangevraagd voor een nieuw gebouw op het bedrijventerrein en heeft de gemeente aangegeven dat onderzocht zal worden of daar een antenne op geplaatst kan worden, aldus vergunninghoudster.

8.4

Gelet op de door verweerder en vergunninghoudster gegeven toelichting is voldoende aannemelijk geworden dat er geen alternatieve locatie beschikbaar was voor het plaatsen van een tijdelijke antennemast, waarmee een gelijkwaardig resultaat had kunnen worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Het betoog van eiseres faalt.

Gezondheidsbelangen

9.1

Eiseres voert vervolgens aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de bij zijn besluit gemoeide gezondheidsbelangen. Verweerder heeft in dat kader ten onrechte het ALARA-principe (As Low as Reasonably Achievable = zo laag als redelijkerwijze haalbaar is) niet toegepast. Daarnaast is ook onvoldoende rekening gehouden met artikel 8 van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het voorzorgsbeginsel als bedoeld in artikel 191, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Naast deze algemene gezondheidsbelangen heeft verweerder ook geen rekening gehouden met de gezondheidsrisico’s voor eiseres. Zo heeft verweerder niet erkend dat de blootstellingslimieten geen rekening houden met meer sensitieve personen zoals eiseres.

9.2

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit aangesloten bij het standpunt van de Gezondheidsraad over de gezondheidsaspecten van antennemasten. Verweerder stelt dat hij zich ook hierbij kan aansluiten gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling op dit punt.

9.3

De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2518. Daarin heeft de Afdeling overwogen dat de Gezondheidsraad in het rapport "Elektromagnetische velden, jaarbericht 2008" van maart 2009 heeft vermeld dat er volgens de commissie Elektromagnetische velden geen aanwijzingen zijn dat blootstelling aan radiofrequente velden in de woonomgeving leidt tot gezondheidsproblemen. Verder is in deze uitspraak verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BG9796, waarin een door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening opgesteld deskundigenbericht wordt genoemd. In dat deskundigenbericht is vermeld dat uit wereldwijde onderzoeken naar de effecten van radiofrequente elektromagnetische velden blijkt dat radiofrequente elektromagnetische velden een nadelig gezondheidseffect kunnen hebben. Bij deze onderzoeken wordt onderscheid gemaakt tussen thermische effecten, te weten opwarming, en effecten door geïnduceerde stroom, te weten stimulering van spieren en zenuwen door elektrische stroompjes. Voor deze effecten zijn blootstellingslimieten opgesteld. Wat betreft de effecten op de korte termijn wordt in deze onderzoeken geconcludeerd dat deze niveaus in de woon- en leefomgeving zo goed als nooit voorkomen. Wat betreft de lange termijn wordt in de onderzoeken geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat radiofrequente elektromagnetische velden kanker of andere langetermijneffecten kunnen veroorzaken. Wel zijn er volgens dit bericht wetenschappelijke onzekerheden over de eventuele invloed van het gewijzigde blootstellingspatroon door het sterk toegenomen gebruik van met name mobiele telefonie en de daarmee gepaard gaande GSM- en UMTS-basisstations en over de betekenis van de rapportage van, soms ernstige, gezondheidsklachten. In het deskundigenbericht wordt vermeld dat deze onzekerheden voor de rijksoverheid aanleiding zijn geweest om een onderzoeksprogramma te starten en dat de Gezondheidsraad hierover een advies heeft uitgebracht met aanbevelingen voor nader onderzoek en het opzetten van een kennis- en onderzoekscentrum. De overheid heeft echter volgens dit bericht nog geen aanleiding gezien om op grond van het voorzorgsbeginsel een lagere grenswaarde vast te stellen voor radiofrequente elektromagnetische velden. De Afdeling ziet geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat een bestuursorgaan het voormelde standpunt van de Gezondheidsraad niet in redelijkheid aan het besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Dat de Gezondheidsraad te kennen heeft gegeven dat er bij radiofrequente elektromagnetische velden geen reden is het ALARA-principe niet toe te passen, laat onverlet dat de Gezondheidsraad zijn standpunt over de gevolgen van deze straling, zoals hiervoor weergegeven, niet heeft gewijzigd. Bovendien is volgens de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het advies van de Gezondheidsraad op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of inhoudelijk onjuist is.

9.4

De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om inzake de gezondheidsrisico’s een ander standpunt dan de Afdeling in te nemen. Er is op dit moment geen andere objectieve informatie beschikbaar die leidt tot twijfel aan de conclusies van de Gezondheidsraad.

9.5

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat bij het vaststellen van de blootstellingslimieten geen rekening is gehouden met meer sensitieve personen zoals zij. Uit informatie van het Antennebureau maakt de rechtbank op dat de blootstellingslimiet voor mobiele communicatie kan oplopen tot maximaal 61 volt per meter. Bij de vaststelling van deze blootstellingslimieten wordt onder meer rekening gehouden met kwetsbare groepen zoals kinderen, zwangere vrouwen, ouderen en zieken door een veiligheidsfactor van 50 op te nemen. De naleving van deze limieten wordt uitgevoerd door het Agentschap Telecom. Op verschillende locaties in Nederland worden daarvoor veldmetingen uitgevoerd. Op straatniveau wordt gemiddeld 0,5 tot 3 volt per meter gemeten en in een woning 1 volt per meter. Dit is ver onder de strengste blootstellingslimiet van 28 volt per meter. Verweerder heeft op basis van deze gegevens geen aanleiding hoeven zien om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Eiseres heeft geen objectieve (medische) informatie overgelegd die maakt dat de beoordeling anders dient uit te vallen. Het betoog slaagt niet.

10. Voor wat betreft het betoog van eiseres dat artikel 8 van het EVRM wordt geschonden, verwijst de rechtbank ook naar bovenstaande uitspraak van de Afdeling. Daarin wordt overwogen dat onder omstandigheden gezondheidsschade kan leiden tot aantasting van het in artikel 8 van het EVRM bedoelde recht op respect voor het privéleven, familie en gezinsleven en de woning. Reeds omdat - na onderzoek - van een oorzakelijk verband tussen de blootstelling aan elektromagnetische velden enerzijds en de vermindering van het welbevinden en schade aan de gezondheid anderzijds niet is gebleken, bestaat geen grond voor het oordeel dat plaatsing van de UMTS-antennes schending van de deze bepaling oplevert. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 8 van het EVRM is geschonden. Het betoog van eiseres slaagt niet.

Conclusie

11. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2018.

de griffier is verhinderd voorzitter

de uitspraak mee te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.