Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:5025

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2187
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verwijdering leerling basisschool

artikel 40 Wet op het primair onderwijs (Wpo)

Verwijdering leerlinge basisschool in verband met externaliserend gedrag. De school heeft meerdere ondersteuningsmaatregelen toegepast die niet tot gedragsverandering hebben geleid. School is "handelingsverlegen" geworden mede omdat de ouders hebben geweigerd om medewerking te verlenen aan een uitgebreid psychodiagnostisch onderzoek om de oorzaak van het gedrag en de ondersteuningsbehoefte van het kind vast te stellen. Geen onzorgvuldige besluitvorming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2019/917
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/2187

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , wettelijk vertegenwoordiger van [A] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.P.A. Voskuilen),

en

Stichting Meerkring - Openbaar Primair Onderwijs Amersfoort, verweerder

(gemachtigde: C.F.J. Haket-Adriaanse).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten om [A] (hierna: [voornaam van A] ), de dochter van eiseres, per 22 januari 2018 te verwijderen van OBS [naam school] (de school), te [vestigingsplaats] .

Bij besluit van 19 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens was aanwezig [B] , de partner van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [C] , bestuurder, en [D] , directrice van de school, bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

  1. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de school zich niet in staat acht om aan de onderwijsbehoefte van [voornaam van A] te voldoen. [voornaam van A] vertoont op school externaliserend gedrag en alle ingezette maatregelen om haar gedrag positief te veranderen hebben niet het gewenste effect gehad, zo heeft verweerder gesteld. Volgens verweerder is een uitgebreid psychodiagnostisch onderzoek nodig om te beoordelen wat de ondersteuningsbehoefte van [voornaam van A] is. Omdat eiseres haar medewerking aan dit onderzoek herhaaldelijk heeft geweigerd, is de school handelingsverlegen geworden en is verweerder overgegaan tot verwijdering van [voornaam van A] . Verweerder schat in dat [voornaam van A] beter tot haar recht komt op een school met kleinere groepen, waar meer structuur en individuele begeleiding wordt geboden.

  2. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder heeft volgens eiseres onzorgvuldig gehandeld door [voornaam van A] meteen na de schorsingsperiode te verwijderen van school. Eiseres stelt dat beoordeeld had moeten worden of de schorsing een positief effect op het gedrag van [voornaam van A] heeft gehad had. Daarnaast heeft verweerder volgens eiseres onzorgvuldig gehandeld door de resultaten van het cognitief psychologisch onderzoek, dat is uitgevoerd op 9 januari 2018, niet te betrekken bij de besluitvorming. Onzorgvuldigheid blijkt volgens eiseres ook uit het feit dat verweerder de resultaten van een door eiseres aangekondigd gedragskundig onderzoek, uitgevoerd door het wijkteam, niet heeft afgewacht. Een deugdelijke motivering hiervoor ontbreekt in het besluit, zo stelt eiseres. Volgens eiseres kent het besluit daarom ook een motiveringsgebrek.

  3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de school na de schorsing niet meer heeft beoordeeld of het gedrag van [voornaam van A] was veranderd omdat dit daarvan niet het doel was. Het doel was om weer rust te krijgen in de groep waarin [voornaam van A] tot die tijd onderwijs volgde. Dat de schorsing niet was gericht op gedragsverandering bij [voornaam van A] blijkt volgens verweerder ook uit het feit dat meteen een voornemen tot verwijdering is geuit. Verder stelt verweerder dat het cognitief psychologisch rapport is betrokken in de besluitvorming maar dit geen aanleiding gaf om af te zien van de verwijdering. Het rapport biedt volgens verweerder geen inzicht in de reden waarom [voornaam van A] externaliserend gedrag vertoont en wat zij aan ondersteuning nodig heeft. Verweerder heeft het rapport van het wijkteam niet afgewacht omdat eiseres haar medewerking aan een soortgelijk onderzoek al meerdere malen heeft geweigerd. Verweerder had er geen vertrouwen in dat eiseres haar medewerking nu wel (blijvend) zou verlenen. Zij stelt dat eiseres haar bovendien niet kon vertellen wanneer de uitkomst van het onderzoek bekend zou worden. Over de uitkomst van het onderzoek is verweerder ook niets bekend geworden.

  4. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 40, elfde lid, van de Wet op het primair onderwijs (Wpo) is verweerder bevoegd tot het verwijderen van een leerling. Alvorens het bevoegd gezag overgaat tot verwijdering moeten de groepsleraar en de ouders van het kind worden gehoord. De school mag pas overgaan tot verwijdering nadat zij er zorg voor heeft gedragen dat een andere school bereid is om de leerling toe te laten. Onder andere scholen kan ook worden verstaan een school voor speciaal onderwijs. De bevoegdheid om een leerling te verwijderen op grond van artikel 40, elfde lid, van de Wpo is een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Dit betekent dat de rechtbank een besluit tot verwijdering terughoudend toetst. De rechtbank beoordeelt slechts of de school in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen.

  5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder verwijzing naar de gedingstukken voldoende gemotiveerd wat de grondslag is voor de verwijdering. De rechtbank overweegt dat uit de stukken blijkt dat [voornaam van A] regelmatig problematisch en agressief gedrag vertoonde waardoor zij niet meer te handhaven was in de groep. Eiseres is hiervan, in gesprekken met de school, op de hoogte gesteld. Verweerder heeft diverse ondersteuningsmaatregelen ingezet om [voornaam van A] te begeleiden, maar die hebben niet tot gedragsverandering geleid. Zo is er een observatie verricht door een gedragstolk, kreeg [voornaam van A] een aparte plaats in de klas om rustiger te kunnen werken, is er een periode een extra onderwijsassistent ingezet en werd [voornaam van A] geplaatst in een remedial teaching groep. Uit het schoolondersteuningsprofiel van 7 februari 2017 volgt dat de school lichte ondersteuning kan bieden ten behoeve van de cognitieve ontwikkeling van leerlingen. De school kan echter geen begeleiding bieden aan kinderen met forse gedragsproblematiek. Verweerder heeft na inzet van alle bovengenoemde ondersteuningsmaatregelen bij eiseres aangegeven dat voor eventuele verdere begeleiding groot psychodiagnostisch onderzoek nodig is. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat eiseres dit in de loop van 2017 driemaal heeft geweigerd. Na de laatste weigering heeft de school geconcludeerd dat zij handelingsverlegen is geworden. Omdat het gedrag van [voornaam van A] ten koste ging van de veiligheid, zorg, aandacht en welbevinden van haar medeleerlingen is verweerder vervolgens overgegaan tot schorsing en verwijdering van [voornaam van A] . De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te onderzoeken of de schorsing een positief effect op het gedrag van [voornaam van A] heeft gehad. Verweerder heeft het verwijderingsbesluit genomen omdat de school zich niet langer in staat acht [voornaam van A] te ondersteunen in haar onderwijsbehoefte. Hierbij heeft verweerder niet alleen het gedrag van [voornaam van A] kort voorafgaand aan de verwijdering betrokken, maar ook het gedrag dat is waargenomen in de jaren daarvoor. Verweerder heeft uitgelegd dat groot psychodiagnostisch onderzoek nodig is om te achterhalen waarom [voornaam van A] externaliserend gedrag laat zien. Dit onderzoek moet ook inzichtelijk maken welke ondersteuning zij nodig heeft. Nu de school duidelijk te kennen heeft gegeven zelf niet in staat te zijn het gedrag van [voornaam van A] te duiden, kon eiseres in redelijkheid niet verwachten dat de school hiertoe toch nog een poging zou ondernemen. Van een wettelijke verplichting om na schorsing en vóór verwijdering te onderzoeken of er sprake is van gedragsverandering is de rechtbank niet gebleken. Of verweerder op juiste wijze gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om [voornaam van A] te schorsen staat in deze procedure niet ter beoordeling. Het beroep van eiseres is immers uitsluitend gericht tegen het verwijderingsbesluit.

6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet op onzorgvuldige wijze is omgegaan met de resultaten van het cognitief psychologisch onderzoek, dat is uitgevoerd op 9 januari 2018. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de resultaten heeft betrokken bij haar besluitvorming. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de resultaten het gedrag van [voornaam van A] niet verklaren en ook geen inzicht bieden in haar ondersteuningsbehoefte. Dat eiseres zich niet kan vinden in deze uitkomst, maakt niet dat het besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Dat verweerder de uitkomst van een verder onderzoek, uitgevoerd door het wijkteam, niet heeft afgewacht is naar het oordeel van de rechtbank evenmin onzorgvuldig. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt kunnen stellen dat de weigerachtige houding van eiseres om medewerking te verlenen aan psychodiagnostisch onderzoek aanleiding gaf te twijfelen of het aangekondigde onderzoek daadwerkelijk plaats zou vinden. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres tot dan niet heeft willen meewerken aan onderzoek. Zelfs na het voornemen tot verwijdering heeft eiseres op het laatste moment haar toestemming voor een groot psychodiagnostisch onderzoek weer ingetrokken. Dat eiseres stelt dit te hebben gedaan omdat zij geen vertrouwen had in een onderzoek dat zou worden verricht in opdracht van de school, kan haar niet baten omdat een onderbouwing hiervoor ontbreekt. Het enkele feit dat het onderzoek in opdracht van de school zou worden gedaan is hiervoor onvoldoende. De intrekking van haar toestemming komt daarom voor rekening en risico van eiseres. Verweerder heeft bij zijn standpunt eveneens kunnen betrekken dat eiseres geen duidelijkheid kon verschaffen over de oplevering van de onderzoeksresultaten. Verweerder heeft het voorgaande duidelijk toegelicht in het bestreden besluit. Zij hoefde daarbij niet uit te leggen waarom een onderzoek, uitgevoerd door het wijkteam, niet zou volstaan. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder twijfels had over het onderzoek of de uitvoerder daarvan. Haar twijfels zagen echter op de medewerking van eiseres aan dat onderzoek. Van een motiveringsgebrek, in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is geen sprake. Dat eiseres het met de motivering oneens is maakt dit oordeel, ook op dit punt, niet anders.

7. Eiseres voert tot slot aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 3:4 van de Awb omdat er geen deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. Volgens eiseres heeft verweerder aan het belang van [voornaam van A] om deel te nemen aan het regulier onderwijs en het belang om inzicht te krijgen in haar gedrag onvoldoende gewicht toegekend. Eiseres stelt dat verweerder ook bij de belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met het onderzoek dat door het wijkteam zou worden verricht. Eiseres voert daarnaast aan dat verweerder wist dat eiseres [voornaam van A] niet aan zou melden bij het speciaal onderwijs, zolang er geen duidelijkheid was over haar gedrag en ondersteuningsbehoefte. Dit heeft tot gevolg dat [voornaam van A] al geruime tijd thuis zit en geen onderwijs volgt. Volgens eiseres heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt welk gewicht zij heeft toegekend aan het belang bij duidelijkheid over het gedrag van [voornaam van A] en bij het krijgen van onderwijs.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiseres aangedragen belangen heeft afgewogen en hierin in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om af te zien van verwijdering van [voornaam van A] . Verweerder heeft juist geprobeerd om inzicht te krijgen in het gedrag en de ondersteuningsbehoefte van [voornaam van A] door aan te sturen op breed psychodiagnostisch onderzoek. De weigering van eiseres om medewerking te verlenen aan dit onderzoek heeft ertoe geleid dat hierin nog steeds geen inzicht bestaat. De rechtbank stelt vast dat verweerder het onderzoek door het wijkteam bij de belangenafweging heeft betrokken. Gelet op rechtsoverweging 8 heeft verweerder kunnen concluderen dat dit de uitkomst van de weging niet anders maakt. Dat [voornaam van A] op dit moment niet naar school gaat, kan verweerder niet worden aangerekend. Verweerder heeft, overeenkomstig de uit artikel 40, elfde lid, van de Wpo voortvloeiende zorgplicht, voorafgaand aan het verwijderingsbesluit twee scholen bereid gevonden om [voornaam van A] per direct toe te laten. In genoemd artikellid staat uitdrukkelijk vermeld dat dit scholen voor speciaal onderwijs mogen zijn. [voornaam van A] kan dus naar school. De keuze van eiseres om [voornaam van A] vooralsnog niet aan te melden bij het speciaal onderwijs komt daarom voor eiseres haar rekening en risico.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op het voorgaande, in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot verwijdering van [voornaam van A] van de school.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.M. Heppe, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.L. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2018.

De griffier is niet in de gelegenheid te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.