Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:492

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-02-2018
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
16/659822-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 31-jarige man tot een gevangenisstraf van 2 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, voor een gewapende woningoverval in Lopik in 2005. Ook legt de rechtbank verschillende voorwaarden op, waaronder een verplichte behandeling.

De man drong samen met anderen een woning binnen en dwong de bewoners met een mes om geld af te staan. Een van hen is met het mes in zijn vinger gestoken en raakte daarbij gewond. De rechtbank vindt dat de man gewetenloos heeft gehandeld. Een woning is bij uitstek een plek waar iemand zich veilig moet voelen.

De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met het feit dat de man zich na 12 jaar zelf bij de politie heeft gemeld. Alleen om die reden heeft het in deze zaak tot een bewezenverklaring kunnen leiden. Daarnaast is het ter voorkoming van nieuwe ernstige incidenten van belang dat de verplichte behandeling zo spoedig mogelijk wordt gestart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/659822-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 12 februari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1986] te [geboorteplaats] ,

gedetineerd in / verblijvende te Justitieel Complex Zaanstad, Westzaan.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A. Drogt en van hetgeen verdachte en mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op of omstreeks 15 januari 2005 te Lopik, samen met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld en/of afpersing van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in hun woning.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Daartoe stelt de verdediging dat de op 25 juli 2017 en (nader) op 7 augustus 2017 afgelegde bekennende verklaringen van verdachte, gelet op zijn psychische gesteldheid ten tijde van het afleggen van die verklaringen, dusdanig ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn dat deze moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het betreffen valse bekentenissen, tot het afleggen waarvan verdachte zich wegens zijn dringende hulpvraag genoodzaakt heeft gezien. Bij gebreke van bijkomend bewijs betreffende de betrokkenheid van verdachte, moet verdachte volgens de verdediging daarom worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Aangever [slachtoffer 1] verklaarde als volgt.

Ik doe aangifte van afpersing, gepleegd op vrijdag 14 januari 2005 tussen 20:30 en 20:45 uur te Lopik.

Ik woon samen met mijn vrouw (naar de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) aan de [adres] te [woonplaats] .2 Nadat mijn vrouw de voordeur opengedaan had, stormden ineens drie personen mijn huiskamer in. Ik zag dat twee van die personen een groot mes in hun handen hadden. Ik [werd] gelijk door een van de drie daders met een mes gestoken in mijn linker wijsvinger. Ik hoorde dat ze ”geld, geld” riepen. Ik moest toen mijn zakken leegmaken. Ik had een portemonnee in mijn zak en heb deze aan een van de drie personen afgegeven. In mijn portemonnee zat volgens mij tussen de 300 en 400 euro.

Ik hoorde dat ze riepen: “geld, geld, anders maken we jullie dood”. Ik zag dat ze met die messen mijn vrouw en mij bleven bedreigen, om ons onder druk te zetten om geld af te geven. Vervolgens gingen ze alles in de huiskamer overhoop gooien.

Mijn vrouw werd zo bedreigd [door] die personen met dat mes, dat ze ook haar portemonnee afgegeven heeft.3 Een van de daders met een mes was met mijn vrouw naar boven gegaan.

Op een gegeven moment hoorde ik mijn vrouw boven onwijs hard gillen. Ik ben vervolgens van de bank opgestaan en heb de dichtstbijzijnde dader, die met het mes stond te dreigen, beetgepakt. Ik kreeg toen een paar rake klappen van allebei die daders. Ik voelde een behoorlijke pijn in mijn bovenarm ten gevolge van de klappen op mijn rechter bovenarm. Mijn bovenarm doet nu nog steeds pijn. Ik kan mijn arm bijna niet optillen.

Ik was nog steeds met die twee daders in het halletje aan het vechten, toen de derde dader, die met mijn vrouw naar boven gelopen was, naar beneden kwam. Ik zag dat hij eraan

kwam stormen. Van die dader kreeg ik een vuistslag vol op mijn neus.

Later hoorde ik van mijn vrouw dat zij boven nog een portemonnee heeft afgegeven aan de dader die bij haar was. In die portemonnee zat ongeveer 2000 euro. Twee van de drie daders hadden bivakmutsen op met gaten voor de ogen en de mond. De derde dader had een soort masker op. Ik hoorde aan hun praten dat het jongens van Marokkaanse of Turkse komaf waren. Ik schat hun leeftijd tussen de 18 en de 20 jaar.4

Getuige [slachtoffer 2] verklaarde als volgt.

Vandaag, 14 januari 2005, werd er rond 20:40 uur aangebeld. Toen ik de voordeur had geopend, schoten er drie personen naar binnen.5

Een (1) van de daders bedreigde mij met een mes. Hij hield dit mes vlak voor mij, op korte afstand van mijn bovenlichaam. Dit was een lang mes van zeker 30 centimeter lang en ongeveer 4 centimeter breed. De daders vroegen steeds: “geld, geld” en “de kluis”.

Ik werd bij mijn rechtermouw gegrepen door een dader en moest naar boven.

Ik hoorde dat die dader tegen mij zei: “Meekomen, naar boven jij”.

Halverwege de trap hoorde ik die dader tegen mij zeggen: “Zeg die trap maar gedag, want die zie je niet meer”. Hij had nog steeds dat mes bij zich.6 Ik was bang.

Ik heb geld vanonder kleding vandaan gehaald en aan die dader gegeven. Dit moet ongeveer 2000 euro zijn geweest. Dit geld zat in een portemonnee.7

Toen hij dat geld had, werd ik bij mijn rechterarm gepakt en in de richting van ons bed geduwd. Ik kwam op mijn linkerzijde te liggen met mijn hoofd in de richting van de muur.

De dader begon op mij in te beuken, hij raakte mij op mijn rechterarm/schouder. Ik ben denk ik meerdere keren, misschien wel vijf (5) of zes (6) keer door hem geslagen. Ik voelde pijn in mijn rechterarm. Ik kwam op mijn rug te liggen en ik zag dat hij met een (1) hand onder mijn rok ging en probeerde mijn panty naar beneden te halen. In zijn andere hand had hij nog steeds dat mes. Hij trok mijn panty kapot. Ik was doodsbang.8

Getuige [getuige 1] verklaarde als volgt.

Op 14 januari 2005 omstreeks 21:00 uur bevond ik mij in mijn woning. Op een gegeven moment hoorde ik luid gegil. Kort nadat ik het gegil hoorde zag ik (…) drie personen hard rennen. Ik zag dat deze drie personen uit een steegje kwamen rennen. Ik zag dat dit het steegje was gelegen naast de woning aan de [adres] .9

Verdachte heeft bekend dat hij de woning aan de [adres] te [woonplaats] samen met twee anderen heeft overvallen.10

Getuige [getuige 2] verklaarde als volgt.

Ik heb van een aantal jongens gehoord wie de overval heeft gepleegd te Lopik op de familie [familie] . Deze jongens die mij dat vertelden hebben dat weer gehoord van een Marokkaanse jongen die heeft verteld dat hij de overval heeft gepleegd.

U vraagt mij wie de Marokkaanse jongen is die mogelijk de overval heeft gepleegd. Ik kan u zeggen dat [verdachte] tegen de jongens heeft verteld dat hij de overval had gepleegd.11

Bewijsoverweging

De rechtbank acht de bekennende verklaringen van verdachte van 25 juli 2017 en 7 augustus 2017 betrouwbaar en verwerpt het verweer dat deze moeten worden uitgesloten van het bewijs. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Op 28 juli 2017, drie dagen nadat verdachte zichzelf bij de politie heeft gemeld en de eerste bekennende verklaring heeft afgelegd, is verdachte in het kader van een voorgeleidingsconsult beoordeeld door psychiater A.M. de Jong. Deze psychiater schrijft dat verdachte in de week voordat hij zichzelf bij de politie meldde soortgelijke spanningsklachten heeft ervaren als bij een eerdere terugval in januari 2017, te weten weinig lucht, steken in achterhoofd, druk op de borst. De psychiater rapporteert verder dat het bewustzijn van verdachte op het moment van het consult helder is, dat er geen aanwijzingen zijn voor waarnemingsstoornissen, en dat geen hallucinatoir gedrag wordt geobserveerd. Het denken is normaal van tempo, coherent en inhoudelijk zijn er geen wanen.

Enkele dagen na het voorgeleidingsconsult is verdachte opgenomen in het PPC.

In het rapport van psychiater Sprock, die een Pro Justitia rapport over verdachte heeft uitgebracht, valt te lezen dat de psychiater van het PPC, H. Vermeulen, te kennen heeft gegeven dat verdachte in stabiele toestand binnen kwam bij het PPC en dat hij daar langzamerhand psychotisch is ontregeld. Enige weken na opname in het PPC weigerde hij medicatie in te nemen, waarna zijn psychiatrische toestand verslechterde; zodanig dat medio november 2017 is gestart met dwangmedicatie.

Psychiater Sprock heeft haar rapport op 19 januari 2018 uitgebracht. Zij stelt bij verdachte de diagnose schizofrenie vast. Ten tijde van haar onderzoek verkeerde verdachte in de naweeën van een ernstige psychotische episode. De psychiater schrijft dat nu kan worden vastgesteld dat toen verdachte hulp zocht bij de hulpverlening en zich vervolgens meldde bij de politie, sprake was van prodromen (voortekenen) van een psychotische periode.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze rapporten, in onderlinge samenhang bezien, dat verdachte op 25 juli 2017, ten tijde van de door hem afgelegde bekennende verklaring, niet (floride) psychotisch was, maar verkeerde in de hiervoor omschreven prodromale fase. De symptonen die zich bij verdachte voordeden (weinig lucht, steken in achterhoofd, druk op de borst), zijn niet zodanig dat zij afdoen aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaring van verdachte. Voorts zijn de door verdachte op 25 juli 2017 en bij gelegenheid van het nadere verhoor op 7 augustus 2017 afgelegde verklaringen consistent, lopend en gedetailleerd. De rechtbank acht deze verklaringen dan ook betrouwbaar en bezigt deze tot het bewijs.

De rechtbank gaat voorbij aan de later, op 11 januari 2018, afgelegde verklaring van verdachte, waarin hij zijn rol afzwakt. Verdachte wil in dat verhoor niet over details verklaren en komt, wanneer hij wordt geconfronteerd met tegenstrijdigheden, terug op eerder in datzelfde verhoor gedane uitspraken. Bovendien geldt dat het strafdossier geen enkel aanknopingspunt biedt voor zijn bij gelegenheid van dat laatste verhoor ingenomen standpunt, dat er een vierde dader bij de overval betrokken was en dat hij slechts op de uitkijk zou hebben gestaan. Deze verklaring geeft de rechtbank derhalve geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de hiervoor besproken bekennende verklaringen van verdachte.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

omstreeks 15 januari 2005 te Lopik, tezamen en in vereniging met anderen, in een woning (gelegen aan de [adres] ), met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een aantal portemonnees met daarin een hoeveelheid geld, toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededaders:

- de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn binnengedrongen en

- ( dreigend) een (groot) mes in hun handen hebben gehad en

- die [slachtoffer 1] met een mes in zijn vinger hebben gestoken en

- tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend hebben geroepen: "Geld, geld, anders maken we jullie dood" en

- die [slachtoffer 1] tegen diens bovenarm en op diens neus hebben gestompt/geslagen en

- die [slachtoffer 2] de woorden hebben toegevoegd: “meekomen naar boven jij" en "zeg die trap maar gedag, want die zie je niet meer", en

- die [slachtoffer 2] aan de kleding hebben getrokken en

- die [slachtoffer 2] (meermalen) tegen haar arm/-schouder hebben geslagen/gestompt.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als (bijzondere) voorwaarden een meldplicht, een opname in een zorginstelling en in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, alsmede een ambulante behandelverplichting.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bij wijze van strafmaatverweer bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen ten hoogste gelijk aan het voorarrest, en een naast een, eventueel forse, voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen behandeling, zoals geadviseerd, direct te doen starten.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft, tezamen met anderen, een gewapende overval gepleegd onder bedreiging van de bewoners van de woning. Een van hen is daarbij ook daadwerkelijk verwond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee blijk gegeven van ernstig gewetenloos handelen. Hij heeft de belangen van de slachtoffers op grove wijze ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen behoefte aan snel financieel gewin. Dit is een zeer ernstig feit, temeer omdat het feit heeft plaatsgevonden in de eigen woning van de slachtoffers, bij uitstek de plek waar iemand zich veilig moet voelen. De ervaring leert dat slachtoffers van woningovervallen nog geruime tijd daarvan nadelige psychische gevolgen ondervinden. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Gelet op de ernst van het delict kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor een woningoverval uit van drie tot vijf jaar gevangenisstraf, al naar gelang de aard van het geweld en andere op de straftoemeting van invloed zijnde factoren, zoals recidive. Naast het algemene vergeldingsdoel zijn deze oriëntatiepunten mede ingegeven door de preventieve werking die daarvan uitgaat. De rechtbank overweegt dat aan die strafdoelen in dit geval, gelet op de ouderdom van het feit, minder gewicht toekomt.

Voorts werkt in strafmatigende zin mee dat verdachte zichzelf - ruim twaalf jaar na dato - aan de balie van het politiebureau heeft gemeld. Alleen om die reden heeft het in deze zaak tot een bewezenverklaring kunnen leiden.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank bij haar beslissing ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 18 december 2017;

- een reclasseringsadvies van 22 januari 2018, uitgebracht door Inforsa, waarin het gevaarrisico zeer hoog en een langdurige klinische behandeling geïndiceerd is geacht;

- het voormelde psychiatrisch rapport van 19 januari 2018, uitgebracht door M.M. Sprock.

Evident is dat verdachte hulp nodig heeft en behandeld dient te worden.

Hoewel verdachte, zoals is vastgesteld door psychiater Sprock, ten tijde van het feit volledig toerekeningsvatbaar was, en er in die zin geen reden is om bij de straftoemeting rekening te houden met zijn psychische gesteldheid, is bekend dat verdachte nadien (in 2011) een psychotische episode heeft doorgemaakt. Verdachte is ook recent nog, tijdens zijn voorlopige detentiefase, psychotisch geweest. In die beide psychotische episodes is sprake geweest van (ernstig) geweld. Uit het rapport van Sprock blijkt dat bij verdachte op dit moment sprake is van een broos geestelijk evenwicht.

Vanwege het hoge risico op agressie en een geweldsdelict in geval van een psychose, zijn zowel verdachte als de maatschappij ermee gediend dat een behandeling volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarbij enige voortvarendheid geboden.

De raadsman van verdachte heeft om die reden gepleit voor een straf gelijk aan het voorarrest. De rechtbank acht die straf evenwel niet passend gelet op de ernst van het feit.

Het voorgaande geeft de rechtbank echter wel aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van de eis van de officier van justitie en het onvoorwaardelijke deel van de straf in duur te beperken.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarden, passend en geboden is.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47, 57, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:

* zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de verslavingsreclassering in de regio waar verdachte geplaatst wordt aangaande het klinische traject, en vervolgens zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zal laten opnemen in FPA Roosenburg, althans een soortgelijke intramurale zorginstelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van de behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling aan verdachte zullen worden gegeven, en waarbij de wenselijke duur van de opname door de leiding van de zorginstelling in overleg met de reclassering wordt bepaald;

* zich na afronding van het klinische traject onder behandeling zal stellen van de forensisch ambulante zorg voor psychiatrische problematiek en drugsgebruik of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte, als de reclassering dit noodzakelijk acht, wordt verplicht tot een korte klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken, en verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van de behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

* na afronding van het klinische traject zal verblijven in een 24-uurs voorziening of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van Rijssen, voorzitter, mrs. C.A.M. van Straalen en J.W.B. Snijders Blok, rechters, in tegenwoordigheid van J.D. Koteris, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 februari 2018.

Mr. Snijders Blok is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 januari 2005 te Lopik, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in/uit een woning (gelegen aan de [adres] ) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aantal, althans één, portemonnee(s) met daarin een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en / of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een aantal, althans één, portemonnee(s) met daarin een hoeveelheid geld, en/of een geldbedrag van 2000 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- de woning van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is/zijn binnengedrong(en) en/of

- ( dreigend) een (groot) mes in zijn/hun hand(en) heeft/hebben gehad en/of

- die [slachtoffer 1] met een mes in zijn vinger heeft/hebben gestoken en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend heeft/hebben geroepen: "Geld, geld, anders maken we jullie dood" of woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] tegen diens bovenarm en/of op diens neus heeft/hebben gestompt/geslagen en/of

- die [slachtoffer 2] de woorden Heeft/hebben toegevoegd: meekomen naar boven jij" en/of "zeg die trap maar gedag, want die zie je niet meer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] aan de kleding heeft/hebben getrokken en/of

- die [slachtoffer 2] (meermalen) tegen haar arm/-schouder heeft/hebben geslagen/gestompt;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 22 juli 2008, genummerd PL0960/08-011182A, opgemaakt door politie Utrecht, doorgenummerd 1 tot en met 322; van 27 juli 2017, genummerd PL0900-2017230995, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 23; van 7 augustus 2017, genummerd 2017229200, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, niet doorgenummerd; en van 26 januari 2018, genummerd 2017229200, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 25. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 59 (pv 22 juli 2008)

3 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 60 (pv 22 juli 2008)

4 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 62 (pv 22 juli 2008)

5 Een proces-verbaal van verhoor, pagina 113 (pv 22 juli 2008)

6 Een proces-verbaal van verhoor, pagina 115 (pv 22 juli 2008)

7 Een proces-verbaal van verhoor, pagina 117 (pv 22 juli 2008)

8 Een proces-verbaal van verhoor, pagina 119 (pv 22 juli 2008)

9 Een proces-verbaal van verhoor, pagina 131 (pv 22 juli 2008)

10 Een proces-verbaal van verhoor, pagina 21 en 22 (pv 27 juli 2017)

11 Een proces-verbaal van verhoor, pagina 96 (pv 22 juli 2008)