Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4913

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
16/705869-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 30-jarige man uit Alphen aan den Rijn is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. Hij achtervolgde een man uit Bilthoven die hij uiteindelijk voor zijn woning op de grond duwde en beroofde van 13.000 euro.

De man uit Alphen had het slachtoffer al eerder in het vizier. Hij maakte een foto van zijn auto en is hem gevolgd om te kijken waar hij woonde. Ook had hij kleding voor tijdens de overval in zijn auto liggen. In de bewuste nacht van april van dit jaar is hij het slachtoffer vanuit het Holland Casino in Utrecht gevolgd, maar is hij hem onderweg kwijtgeraakt. Desondanks heeft de man besloten om door te zetten en is hij naar het huis van het slachtoffer gereden om hem daar op te wachten en te beroven. Dat het slachtoffer in de nacht op zijn eigen erf is beroofd heeft een enorme impact op hem. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zich niet om die gevolgen heeft bekommerd. Ook neemt de rechtbank het hem kwalijk dat hij geen hulp heeft gezocht voor zijn financiële problemen en zijn gokverslaving. Bovendien blijkt uit het dossier dat de man in februari een andere klant van het casino heeft opgewacht en achtervolgd. Toen wist hij zijn neiging tot een overval te onderdrukken.

De officier van justitie eiste een taakstraf van 240 uur en voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. De rechtbank vindt dat een geheel voorwaardelijke celstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van deze zaak. De rechtbank bepaalt dat de verdachte na zijn celstraf onder reclasseringstoezicht komt en zich moet behandelen voor zijn verslaving. Voor een contact- of locatieverbod ziet de rechtbank geen aanleiding. Ook stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer in een civiele procedure al een schadevergoeding toegewezen heeft gekregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0827
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/705869-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 oktober 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1988] te [geboorteplaats] (Thailand),

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 september 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van hetgeen verdachte en mr. C.C.W. Plaat, advocaat te Ede, alsmede de benadeelde partij [slachtoffer] en zijn raadsman mr. T.J. Roest Crollius, advocaat te Woerden, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 20 april 2018 te [woonplaats] een geldbedrag van circa € 13.080 van [slachtoffer] heeft weggenomen, welke diefstal werd gepleegd gedurende de nacht op een besloten erf en voorafgegaan, vergezeld dan wel gevolgd werd met geweld en bedreiging met geweld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen, met uitzondering van de trap tegen de knie (been) van aangever [slachtoffer] onder het vijfde gedachtestreepje. Van dat onderdeel dient verdachte te worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft partiële vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde geweld en bedreiging met geweld, omdat er daarvoor onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is. Daartoe heeft hij onder andere aangevoerd dat de twee door aangever [slachtoffer] afgelegde verklaringen op dit punt niet geloofwaardig zijn nu deze op essentiële onderdelen tegenstrijdigheden vertonen. Zo noemt [slachtoffer] pas in zijn tweede verklaring dat verdachte heeft gezegd “geef me je geld anders sla ik je in elkaar” en dat hij is getrapt. Ook wat betreft het letsel heeft [slachtoffer] zelf aangegeven slechts schaafwonden te hebben. Omdat verdachte een getraind vechtsporter is, zou het letsel van [slachtoffer] aanzienlijk groter zijn geweest in het geval hij daadwerkelijk door verdachte getrapt zou zijn.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] tegen zijn knie dan wel zijn been heeft getrapt en dat hij heeft geroepen dat hij [slachtoffer] in elkaar zou slaan. In het dossier zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten te vinden waaruit volgt dat verdachte aangever [slachtoffer] heeft getrapt en heeft geroepen dat hij hem in elkaar zou slaan. De rechtbank overweegt daartoe dat zij de eerste verklaring van [slachtoffer] , nu deze is afgelegd direct na het voorval en gedetailleerd is, het meest betrouwbaar acht. Hierin verklaart [slachtoffer] over een duw in zijn rug en dat verdachte heeft geroepen “je geld, je geld”. De rechtbank acht het niet uitgesloten dat aangever de volgende dag vanwege het letsel aan zijn knie heeft gedacht dat verdachte hem tegen die knie moet hebben getrapt en dit daarom in zijn tweede verklaring noemt. Nu de politie [slachtoffer] daarover niet heeft doorgevraagd, legt de rechtbank deze tweede verklaring naast zich neer. De rechtbank zal verdachte dan ook partieel vrijspreken van de hiervoor genoemde onderdelen van de tenlastelegging.

Bewijsmiddelen 1

[slachtoffer] heeft aangifte gedaan van diefstal met geweld, gepleegd op 20 april 2018 in [woonplaats] , en hij heeft onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:2

“Ik ben op 20 april 2018, omstreeks 01.50 uur vanuit het Casino vertrokken (…). Mijn huis is gevestigd aan de [adres] te [woonplaats] . Ik ben dan ongeveer 15 minuten later thuisgekomen. (…) Ik reed de oprit op (...). Ik ben toen naar de voordeur gelopen. Toen ik de sleutel in de voordeur deed om deze te openen hoorde ik het geluid van voetstappen op het grind van de oprit. (…) Ik hoorde dat het geluid dichterbij kwam. Ik voelde op dat moment een harde duw in mijn rug en kwam hard met mijn hoofd tegen de voordeur aan. (…) Ik hoorde een mannenstem roepen: “je geld…je geld”. (…) Ik voelde dat ik werd vastgepakt (…). Ik zag toen een gemaskerde man. (…) Ik zag en voelde dat de man mij omver duwde. (…) Ik viel op de grond. (…) Ik voelde dat de man direct in mijn broekzak aan de achterzijde voelde en mijn portemonnee eruit pakte. Ik voelde dat de man hierna ook in mijn andere broekzakken voelde. Ik voelde dat de man het bundeltje geld vanuit mijn linker broekzak pakte. Ik zag dat de man hierna wegrende”.

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: 3

“Ik ben zeker schuldig aan het feit dat ik zijn geld, te weten € 13.080,-, ontnomen heb. Ik heb aangever in het casino gevolgd. Onderweg raakte ik hem kwijt. Ik heb mijn auto geparkeerd net na het stoplicht, vlakbij aangevers huis. Ik zag in mijn spiegel lichten aankomen. Ik heb in mijn auto mijn zwarte joggingbroek, zwarte hoodie, zwarte muts, een buff, een sjaal en wanten aangedaan. Nadat de aangever had geparkeerd, ging ik de auto uit en liep ik naar hem toe. Ik zag dat aangever uit de auto stapte en richting de voordeur liep. Ik ben er achteraan gelopen. Toen verdachte op de grond lag, heb ik gezegd “geef me je geld”. Ik heb in zijn broekzak gevoeld. In zijn andere zak voelde ik een rolletje geld. Ik ben weggerend en heb het rolletje meegenomen.”

Uit de mededelingen van de assistent manager security & legal van het Holland Casino te Utrecht blijkt, zakelijk weergegeven:4

Dat verdachte tegelijkertijd met aangever [slachtoffer] uit het casino is vertrokken. Verdachte heeft geruime tijd in zijn geparkeerde auto gewacht en hij is achter de auto van aangever [slachtoffer] aangereden op het moment dat [slachtoffer] het terrein verliet.

Uit de medische informatie betreffende aangever [slachtoffer] blijkt:5

Als uitwendig waargenomen letsel een forse contusie rechterknie: hematoom, hydrops. Alsmede een grote laceratie hoofdhuid links.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht de tenlastegelegde diefstal met geweld, gelet op de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 5 is omschreven.

Geweld

Verdachte ontkent dat hij aangever heeft geduwd. Verdachte heeft verklaard dat aangever hem zou hebben geprobeerd te duwen, dat aangever daardoor uit balans raakte en dat aangever vervolgens zou zijn gevallen. Deze verklaring van verdachte is in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat aangever over het gebruikte geweld zou hebben gelogen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

hij op of omstreeks 20 april 2018 te [woonplaats] , gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (te weten omstreeks 2.18 uur) op een besloten erf waarop een woning staat, te weten aan het einde van een (lange) oprit van de ommuurde tuin van de woning aan de [adres] , althans op/aan de openbare weg, te weten de [straat] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van circa 13.080 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- die [slachtoffer] vanuit het Holland Casino te Utrecht is gevolgd en/of (vervolgens) naar het huis van die [slachtoffer] is gereden en/of die [slachtoffer] bij (de voordeur van) zijn huis heeft opgewacht en/of aldaar donkere kleding heeft aangetrokken en/of zijn gezicht heeft bedekt met een muts/pet en/of sjaal en/of

- die [slachtoffer] (voor zijn woning) heeft geduwd (in/tegen zijn rug), waardoor die [slachtoffer] met zijn hoofd tegen de voordeur is gevallen en/of

- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en

- die [slachtoffer] heeft geduwd, waardoor die [slachtoffer] is gevallen, althans op de grond terecht is gekomen, en/of

- die [slachtoffer] met kracht op/tegen zijn knie, althans zijn been, heeft getrapten/of

- ( vervolgens) de portemonnee en/of een bundel bankbiljetten ter waarde van circa 13.080 euro uit de broekzak van die [slachtoffer] heeft gepakt en/of

- daarbij (steeds) heeft geroepen: 'je geld, je geld' /of 'geef mij je geld anders sla ik je in elkaar'.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Diefstal voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op een besloten erf waarop een woning staat.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van vier maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering alsmede een locatieverbod ten aanzien van de woning van aangever [slachtoffer] ;

- een taakstraf van 240 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft hierbij overwogen dat door de diefstal met geweld

gedurende de nacht op een besloten erf van een woning, gepleegd door een getraind vechter

en gepleegd ten aanzien van een zwakker slachtoffer, er sprake is van een laffe daad waarop

in principe gevangenisstraf moet volgen. Gelet echter op het feit dat het recidivegevaar bij

verdachte hoog wordt geacht op het moment dat hij zou stoppen met zijn inmiddels

aangevangen behandeling voor zijn gokverslaving en het feit hij veel heeft te verliezen op

sociaal- en werkgerelateerd vlak, ligt een voorwaardelijke gevangenisstraf gecombineerd met

een forse taakstraf, meer voor de hand.

8.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat nu het tenlastegelegde geweld niet valt te bewijzen een deels voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden zoals door de officier van justitie genoemd, alsmede een onvoorwaardelijke werkstraf van 240 uur voor de hand ligt.

8.2

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De bewezenverklaarde diefstal met geweld van een groot geldbedrag is gepleegd gedurende de nacht op het erf van slachtoffer [slachtoffer] , voor zijn voordeur. Dit feit heeft een enorme impact gehad op het leven van het slachtoffer. Hier komt bij dat is gebleken dat verdachte het slachtoffer al eerder in het vizier had en zijn daad heeft voorbereid. Zo heeft hij een foto genomen van de auto van het slachtoffer, is hij het slachtoffer al eerder vanuit het casino gevolgd om te kijken waar hij woonde en heeft hij de door hem gebruikte kleding van te voren in zijn auto gelegd. In de nacht van het voorval is hij het slachtoffer gevolgd. Ondanks het feit dat verdachte het slachtoffer onderweg is kwijtgeraakt, is hij toch naar diens huis gereden en heeft hij hem daar opgewacht.

Uit het dossier is gebleken dat verdachte eerder in februari een andere klant van het casino heeft opgewacht en is achtervolgd. In tegenstelling tot eerdere neigingen tot een overval, waarbij verdachte zijn plan om iemand te overvallen steeds tijdig in de kiem wist te smoren, heeft hij nu wel doorgezet. Desgevraagd heeft verdachte ter zitting aangegeven dat hij sinds november 2017 financiële problemen heeft waardoor hij vanaf februari 2018 met de gedachte rond heeft gelopen iemand te overvallen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen hulp heeft gezocht voor zijn financiële problemen en de gokverslaving die daaraan ten grondslag ligt. Een overval op het eigen erf heeft niet alleen op het slachtoffer maar ook op de buurt een enorme impact. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich niet heeft bekommerd om deze gevolgen en enkel aan zijn eigen financieel gewin heeft gedacht.

Gelet op het voorgaande kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Het feit dat verdachte recent is gestart met de behandeling bij de Brijder voor zijn gokverslaving en dat verdachte een baan heeft met inkomsten - waardoor hij zijn schulden kan aflossen en de kans op recidive laag blijft – maakt dit niet anders. Het feit is hiervoor te ernstig.

De rechtbank zoekt aansluiting bij het oriëntatiepunt voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straatroof, waarvoor een uitgangspunt van zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf geldt voor een first offender. Verdachte heeft een blanco strafblad.

Ook heeft de rechtbank gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies van 30 augustus 2018, waarin wordt aangegeven dat het hen zorgen baart dat verdachte ondanks zijn blanco strafblad verdacht wordt van een gewelddadige beroving. Vanuit reclasseringsoogpunt wordt van belang geacht dat reeds gestarte ambulante behandeling van verdachte door Brijder Verslavingszorg gecontinueerd wordt, teneinde de kans op recidive te verlagen. Tevens wordt een meldplicht, een contactverbod met aangever en schadeherstel geadviseerd.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van zes (6) maanden waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar en de door de reclassering geadviseerde nader te noemen bijzondere voorwaarden passend en geboden is. Hiervan dient de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht te worden afgetrokken naar de maatstaf van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte het slachtoffer reeds schadeloos heeft gesteld in de door de civiele rechter toegewezen immateriële- en materiële schade, waardoor het door de reclassering geadviseerde schadeherstel door de rechtbank niet wordt gevolgd. Voor een contact- of locatieverbod ziet de rechtbank geen aanleiding.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden wijkt de rechtbank bij de strafmotivering af van de eis van de officier van justitie. Een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf doet in dit geval naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 2.854,49. Dit bedrag bestaat uit advocaat- en proceskosten gemaakt in de maanden juli, augustus en september 2018 ten behoeve van de civiele procedure als ook in de maanden mei, juni, juli en augustus ten behoeve van de bijstand als slachtoffer in het strafproces, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

9.2

Het standpunt van de verdediging

Ook de raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] afwijzen.

De rechtbank overweegt daartoe dat de door de benadeelde partij gevorderde advocaatkosten zijn aan te merken als ‘proceskosten’ en ‘buitengerechtelijke kosten’. Deze kosten zijn echter niet als ‘rechtstreekse schade’ als bedoeld in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering aan te merken. Wel kunnen deze kosten al dan niet voor toewijzing in aanmerking komen op grond van artikel 592a Wetboek van Strafvordering. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het dossier is gebleken dat de benadeelde partij zich niet alleen in het strafgeding heeft gevoegd met een vordering tot vergoeding van de door het tenlastegelegde feit geleden schade, maar dat zij ook schadevergoeding heeft gevorderd in een geding bij de civiele rechter. Volgens de ter terechtzitting gegeven toelichting van de raadsman heeft die vordering bestaan uit het ontvreemde bedrag, de gederfde inkomsten van aangever en de advocaatkosten tot het moment van indiening van de vordering. De rechtbank stelt vast op grond van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 30 augustus 2018 dat een bedrag van € 23.191,73 is toegewezen en dat verdachte tevens is veroordeeld in de proceskosten, begroot conform het liquidatietarief op € 960,21.

Omdat de benadeelde partij reeds de civiele weg is ingeslagen, had zij door het instellen van hoger beroep tegen het civiele vonnis op kunnen komen tegen al dan niet afgewezen en/of nadien gemaakte advocaatkosten. De benadeelde partij heeft daarom geen belang meer bij haar vordering in het strafgeding.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes (6) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht (te weten 2 dagen), bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van drie (3) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich op de eerste werkdag na het onherroepelijk worden van het vonnis tussen

13:00 uur en 16:30 uur bij Reclassering Fivoor, Johanna Westerdijkplein 40,

2521 EN te Den Haag zal melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich onder behandeling zal stellen van Brijder Verslavingszorg of een soortgelijke

zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te

geven, teneinde zich te laten behandelen gedurende de gehele proeftijd of zoveel

korter als de reclassering nodig vindt, en zich zal houden aan de aanwijzingen die

hem in het kader van die behandeling door of namens die instelling zullen worden

gegeven;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Eversteijn, voorzitter, mrs. G.A. Bos en L.C. Michon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Völkers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 oktober 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 april 2018 te [woonplaats] , gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (te weten omstreeks 2.18 uur) op een besloten erf waarop een woning staat, te weten aan het einde van een (lange) oprit van de ommuurde tuin van de woning aan de [adres] , althans op/aan de openbare weg, te weten de [straat] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van circa 13.080 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld

en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- die [slachtoffer] vanuit het Holland Casino te Utrecht is gevolgd en/of (vervolgens) naar het huis van die [slachtoffer] is gereden en/of die [slachtoffer] bij (de voordeur van) zijn huis heeft opgewacht en/of aldaar donkere kleding heeft aangetrokken en/of zijn gezicht heeft bedekt met een muts/pet en/of sjaal en/of

- die [slachtoffer] (voor zijn woning) heeft geduwd (in/tegen zijn rug), waardoor die [slachtoffer] met zijn hoofd tegen de voordeur is gevallen en/of

- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of

- die [slachtoffer] heeft geduwd, waardoor die [slachtoffer] is gevallen, althans op de grond terecht is gekomen, en/of

- die [slachtoffer] met kracht op/tegen zijn knie, althans zijn been, heeft getrapt en/of

- ( vervolgens) de portemonnee en/of een bundel bankbiljetten ter waarde van circa 13.080 euro uit de broekzak van die [slachtoffer] heeft gepakt en/of

- daarbij (steeds) heeft geroepen: 'je geld, je geld' en/of 'geef mij je geld anders sla ik je in elkaar'.

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 17 en 31 mei 2018, genummerd 2018109904, opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland, districtsrecherche Oost-Utrecht, doorgenummerd pagina 1 tot en met 257. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 69.

3 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 september 2018.

4 Een proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van het gesprek met [A] , p. 98

5 Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring ingevuld door arts [B] , pagina 85.