Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4881

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
11-10-2018
Zaaknummer
UTR 17/4449
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob, taperingstrips (verzoek 2); intern beraad; eerbiediging persoonlijke levenssfeer

artikel 11 Wob, artikel 10, lid 2, onder e Wob

De betrokken ambtenaren waarvan de namen niet bekend zijn gemaakt zijn geen personen die uit hoofde van hun functie reeds in de openbaarheid treden. Verweerder heeft ook de functie van de betreffende ambtenaren niet openbaar hoeven maken, nu deze informatie niet in de betrokken documenten is vermeld. Dat eiser daardoor niet kan beoordelen welke documenten afkomstig zijn van dezelfde ambtenaren, kan dat niet anders maken. Verweerder heeft bij de door hem gemaakte belangenafweging in het kader van de Wob terecht alleen het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2018/154
JBP 2018/115
Module Privacy en persoonsgegevens 2019/1303
Module Privacy & AVG 2019/1303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/4449

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 september 2018 in de zaak tussen

mr.drs. [eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

Zorginstituut Nederland, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Mulder en mr. K. Siemeling).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. te Leiden (Zilveren Kruis), gemachtigde: mr. B. Megens.

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van informatie over taperingstrips gedeeltelijk geweigerd.

Bij besluit van 19 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018. Eiser is verschenen. Tevens was aanwezig [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij brief van 13 september 2016 heeft eiser verzocht om:

  • -

    alle stukken gedateerd, opgemaakt of op een andere wijze gecreëerd op of na 1 juli 2016 in het bezit van/aanwezig bij Zorginstituut Nederland ten aanzien van taperingstrips (medicatie op rol voor een bepaalde periode waarmee dagelijkse dosis van ene medicijn geleidelijk een stuk wordt verlaagd), daaronder begrepen doch niet beperkt tot brieven, e-mails, notities (telefonische) correspondentie, agenda’s van vergaderingen, notulen verslagen van interne besprekingen, besprekingen met derden of anderszins, concepten, samenvattingen en conclusies van besprekingen en/of met derden;

  • -

    alle stukken met betrekking tot taperingstrips waar Zorginstituut Nederland op het moment van ontvangst van het Wob-verzoek over beschikt, ook indien dit stukken betreft die Zorginstituut Nederland in haar bezit heeft, maar waarbij Zorginstituut Nederland niet de gedresseerde is.

Eiser heeft verzocht om alle aanwezige stukken in papieren of digitale vorm, ongeacht of die in een vast medium (harde schijf, netwerkschijf van een server waartoe Zorginstituut Nederland toegang heeft) of draagbaar medium (CD, DVD, USB-stick, flashdrive) zijn opgeslagen.

2. Verweerder heeft na inventarisatie vastgesteld dat het Wob-verzoek ziet op de periode 7 juli 2016 tot en met 13 september 2016 en in totaal 876 documenten omvat. Verweerder heeft alle documenten opgenomen in een inventarislijst die deel uitmaakt van het bestreden besluit. Verweerder heeft een aantal documenten (deels geanonimiseerd) openbaar gemaakt. Voor het overige is het Wob-verzoek afgewezen. Daarbij heeft verweerder toepassing gegeven aan de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob (eerbiediging persoonlijke levenssfeer) en artikel 11, eerste lid, van de Wob (intern beraad).

3. Dit Wob-verzoek is een vervolg op een eerder Wob-verzoek van eiser met betrekking tot informatie over taperingstrips. Over dit eerdere Wob-verzoek heeft de rechtbank uitspraak gedaan op 27 augustus 2018 (ECLI:NL:RBMNE:2018:4272).

4. Eiser voert aan dat, gelet op de openbaargemaakte informatie in dit verzoek en het eerdere Wob-verzoek, concrete twijfel bestaat aan de onpartijdigheid van verweerder. Eiser heeft het vermoeden dat verweerder met de zorgverzekeraars tot een afstemming is gekomen over het vergoeden van taperingstrips. Eiser verwijst naar document 12 waaruit blijkt dat Zilveren Kruis telefonisch is benaderd om te melden dat er een Wob-verzoek is gedaan inzake taperingstrips. Eiser stelt dat andere derde-belanghebbenden nimmer (informeel) telefonisch zijn benaderd. Eiser voert verder aan dat verweerder bij het weglakken van persoonlijke beleidsopvattingen het uitgangspunt van de Wob, te weten ‘openbaarmaking, tenzij’ miskent. Eiser wijst erop dat verweerder die als overheidsorganisatie verantwoording schuldig is aan de maatschappij, gelet op het beginsel van transparantie, uiterst kritisch dient te kijken naar het weglakken van informatie. Ook ten aanzien van documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad is het uitgangspunt dat deze openbaar gemaakt dienen te worden, met dien verstande dat persoonlijke beleidsopvattingen alleen worden verstrekt in een vorm die niet herleidbaar is tot de persoon die deze opvatting heeft geuit of ondersteund. Gelet op het feit dat verweerder zonder motivering hele documenten dan wel grote delen tekst daaruit heeft weggelakt, betwist eiser dat de feitelijke informatie in die documenten zodanig is verweven met de persoonlijke beleidsopvattingen, dat die daar niet los van kan worden gezien. Eiser voert verder aan dat gelet op de strekking van het e-mailverkeer en de mate van frequentie daarvan over de kwestie taperingstrips tussen verweerder en diverse externe organisaties, er duidelijk sprake is van advisering of structureel overleg tussen interne en externe organisaties en niet langer van intern beraad.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij met het niet openbaar maken van persoonlijke beleidsopvattingen die zijn opgenomen in documenten die zijn opgesteld voor intern beraad, het uitgangspunt van de Wob niet heeft miskend. Het interne karakter van een document wordt bepaald door het oogmerk waarmee het stuk is opgesteld. De beslissing om ondanks dit uitgangspunt en de beperking van artikel 11, eerste lid van de Wob toch informatie te verschaffen over persoonlijke beleidsopvattingen is aan verweerder. Verweerder kan de verwevenheid van de feitelijke informatie niet nader motiveren zonder de inhoud van de persoonlijke beleidsopvattingen prijs te geven. Wanneer externe organen of personen betrokken worden bij het verzamelen van gegevens of het vormen van een standpunt kan volgens verweerder nog steeds sprake zijn van intern beraad indien het oogmerk ten tijde van het opstellen van de documenten was dat deze documenten voor intern beraad zouden dienen. Dat externe organen en personen betrokken zijn bij de interne besluitvorming van verweerder betekent derhalve niet dat er sprake is van een structureel overleg. Evenmin is sprake van een dermate grote groep externen dat aan het interne beraad het karakter van een gestructureerd overleg moet worden toegekend, aldus verweerder.

Persoonlijke beleidsopvattingen en intern beraad

6. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 van de Wob1 volgt dat het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk waarmee dit is opgesteld. Degene die het document heeft opgesteld moet de bedoeling hebben gehad dat dit zou dienen voor hemzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid. Met de in artikel 11, eerste lid, van de Wob neergelegde beperking ten aanzien van persoonlijke beleidsopvattingen in documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad heeft de wetgever beoogd "dat ambtenaren de vrijheid dienen te hebben ongehinderd hun bijdrage te leveren aan de beleidsvoorbereiding of -uitvoering, en daarover te studeren, te brainstormen, anderszins te overleggen, nota's te schrijven etc. Zij moeten […] in alle openhartigheid onderling functioneel kunnen communiceren."2. Onder persoonlijke beleidsopvatting wordt verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van één of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten.

7. Artikel 11 van de Wob biedt daarmee de basis om documenten voor intern beraad die persoonlijke beleidsopvattingen bevatten te weigeren. Feitelijke gegevens zijn echter geen persoonlijke beleidsopvattingen en kunnen derhalve niet krachtens artikel 11, eerste lid, van de Wob worden geweigerd. Feitelijke gegevens kunnen wel zodanig met die opvattingen zijn verweven dat het niet mogelijk is deze te scheiden. In dat geval kunnen ook die feitelijke gegevens met een beroep op dit artikel worden geweigerd.

8. Van een stuk bestemd voor intern beraad kan ook sprake zijn als het gaat om informatie of rapporten van externe personen of organisaties die bij de beleidsontwikkeling of besluitvorming van een bestuursorgaan zijn betrokken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft echter in de uitspraak van 20 december 2017,3 anders dan voorheen, geoordeeld dat aan het beraad het interne karakter ontvalt indien daarbij een externe is betrokken die een eigen belang behartigt dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. Hij adviseert in dat geval niet, of niet uitsluitend, in het belang van het bestuursorgaan dat hem om advies vraagt, maar zijn inbreng wordt (mede) ingegeven door een eigen belang bij de uitkomst van het beraad. Documenten van externen, zoals bedoeld in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 van de Wob, die zijn opgesteld met het oog op intern beraad, kunnen naar het oordeel van de Afdeling slechts onder intern beraad vallen in het geval dat de externe derde geen ander belang heeft dan het bestuursorgaan vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting te geven over een bestuurlijke aangelegenheid.

9. Verder is van belang dat de Afdeling in de uitspraak van 31 januari 20184 haar rechtspraak over artikel 11 van de Wob gepreciseerd. De Afdeling heeft overwogen dat een bestuursorgaan per zelfstandig onderdeel van een document voor intern beraad met informatie over een bepaalde bestuurlijke aangelegenheid, zoals alinea’s, dient te bezien of dit zelfstandig onderdeel persoonlijke beleidsopvattingen bevat en, wanneer in de opvattingen informatie van feitelijke aard is opgenomen, of de persoonlijke beleidsopvattingen zodanig met deze feitelijke gegevens zijn verweven dat deze niet zijn te scheiden. In geval van verwevenheid mag in beginsel het betrokken onderdeel van het document worden geweigerd op grond van artikel 11 van de Wob. Een bestuursorgaan hoeft niet binnen een zelfstandig onderdeel van een document per zin of zinsdeel te bepalen of verwevenheid een weigering kan rechtvaardigen. Voor zover in documenten voor intern beraad sprake is van feitelijke gegevens waarvan verstrekking niet vanwege verwevenheid kan worden geweigerd, geldt voorts het volgende. Indien die feitelijke gegevens uitsluitend bestaan uit informatie die uit anderen hoofde reeds openbaar is, hoeven deze gegevens niet te worden verstrekt. Op informatie die reeds van overheidswege openbaar is gemaakt is de Wob niet van toepassing5, aldus de Afdeling in voornoemde uitspraak.

10. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van de door verweerder overgelegde documenten waarover het Wob-verzoek gaat. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van de door verweerder overgelegde zienswijzen van de door verweerder geraadpleegde (rechts)personen. De rechtbank heeft met inachtneming van de genoemde uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2018 beoordeeld of verweerder de documenten voor zover die niet (alsnog) openbaar zijn gemaakt, op grond van artikel 11 van de Wob heeft mogen weigeren. Daarbij heeft de rechtbank per document, voor zover aan de orde, ook de positie van derden betrokken en beoordeeld of sprake is van een eigen belang als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017.

11. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder met de weigering van de informatie de doelstelling van de Wob heeft miskend. De rechtbank is, mede gelet op wat hierna bij de afzonderlijke documenten is overwogen, van oordeel dat de e-mails, telefoonnotities en brieven over de taperingstrips ten behoeve van intern beraad zijn opgesteld. Verweerder heeft door openbaarmaking van de gelakte informatie in de e-mails op grond van artikel 11 van de Wob te weigeren, op juiste wijze uitvoering gegeven aan de Wob. Dat in de e-mails wordt gesproken over ‘onze visie’ betekent niet dat sprake is van een door verweerder als organisatie ingenomen standpunt en daarom niet langer van persoonlijke beleidsopvattingen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, eerste lid, van de Wob6 volgt dat niet alleen natuurlijke personen, maar ook rechtspersonen, commissies en werkgroepen persoonlijke beleidsopvattingen kunnen hebben. Volgens jurisprudentie van de Afdeling7 is het niet noodzakelijk dat opvattingen, om te kunnen worden aangemerkt als persoonlijke beleidsopvattingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, tot een individueel persoon herleidbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden gezegd dat de in de documenten vervatte opvattingen, voorstellen, aanbevelingen of conclusies over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe aangevoerde argumenten van medewerkers van verweerder die niet tot een individueel persoon herleidbaar zijn, per definitie niet als persoonlijke beleidsopvattingen kunnen worden aangemerkt.

12. Ten aanzien van de stelling van eiser dat de in geding zijnde e-mailcorrespondentie met externe organisaties, waarmee eiser bedoelt de zorgverzekeraars, het karakter draagt van structureel overleg, heeft verweerder gesteld dat openbaarmaking van deze emailcorrespondentie niet is geweigerd op grond van artikel 11 van de Wob. De rechtbank heeft bij de beoordeling van deze documenten geconstateerd dat de stelling van verweerder juist is. Derhalve behoeft de stelling van eiser over structureel overleg in dit kader, geen bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.

13. Documenten 62-63, 65-66, 69-70, 73-77, 80-84, 91-95, 105-109, 111-114, 117, 121, 135-139, 142-146, 149-151, 154-156 en 161-163 zijn conceptversies van een brief van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) aan de cliëntenraad van Arkin. Medewerkers van verweerder hebben hierop, op verzoek van een medewerker van VWS, commentaar gegeven. De rechtbank is van oordeel dat de conceptversies van de brief aan Arkin en de commentaren daarop van de betrokken medewerkers zijn aan te merken als persoonlijke beleidsopvattingen opgesteld ten behoeve van intern beraad. Verweerder heeft daarom openbaarmaking van deze documenten op grond van artikel 11 van de Wob mogen weigeren. Voor zover de documenten feitelijke gegevens bevatten zijn die zodanig nauw met die beleidsopvattingen verweven dat verweerder ook die gegevens met een beroep op artikel 11 van de Wob heeft mogen weigeren.

14. Document 13 bevat een advies van een medisch adviseur van verweerder gericht aan de juridisch medewerker. Dit advies is verwerkt in het definitieve advies dat aan de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) is verzonden en door verweerder als document 467-469 openbaar is gemaakt. Het advies van verweerder is te raadplegen op de website www.kpzv.nl onder zaaknummer SGKZ201601491. De rechtbank overweegt dat voor zover de informatie in het conceptadvies overeenkomt met die in de definitieve versie, de informatie van overheidswege openbaar is, zodat de Wob daarop niet van toepassing is. Daar waar de informatie in het document niet overeenkomt met de reeds openbaar gemaakte versie, is de rechtbank van oordeel dat het document voorstellen, adviezen en argumenten bevat die naar het oordeel van de rechtbank zijn aan te merken als persoonlijke beleidsopvattingen in de zin van artikel 1, onder f, van de Wob. Voor zover het document feitelijke gegevens bevat zijn die zodanig nauw met die beleidsopvattingen verweven dat verweerder ook die gegevens met een beroep op artikel 11 van de Wob heeft mogen weigeren.

15. Document 188-189, 195-196, 202-203, 209-210, 212-213 en 222-223 zijn conceptversies van een brief van verweerder aan de Stichting Cinderella Therapeutics (SCT) over de beoordeling van taperingstrips met commentaar van zijn medewerkers. De definitieve versie van deze brief heeft verweerder openbaar gemaakt als document 11-12. De rechtbank is van oordeel dat voor zover de informatie in de conceptbrieven overeenkomt met die in de definitieve versie, deze informatie van overheidswege openbaar is, zodat de Wob daarop niet van toepassing is. De conceptbrieven die niet overeenkomen met de versie die openbaar is gemaakt als ook de commentaren daarop van de medewerkers zijn aan te merken als persoonlijke beleidsopvattingen in de zin van artikel 1, onder f, van de Wob. De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke gegevens in deze brieven zodanig nauw met die beleidsopvattingen zijn verweven dat verweerder ook die gegevens met een beroep op artikel 11 van de Wob heeft mogen weigeren.

Artikel 11, tweede lid, van de Wob

16. Eiser voert aan dat verweerder ongemotiveerd en ook ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid van artikel 11, tweede lid, van de Wob. Eiser is niet gebleken van een bijzondere omstandigheid waarom de gegevens niet in een niet tot personen herleidbare vorm verstrekt zouden kunnen worden. Gelet op de hoeveelheid medewerkers van verweerder kan uit de - in objectieve alternatieven geformuleerde visies - onmogelijk voor het publiek duidelijk worden welke medewerker welke visie heeft geformuleerd. Eiser wijst erop dat het gaat om een relatief nieuw middel en het daarom wezenlijk is dat inzicht wordt verstrekt in de grondslagen waarop de eventuele besluitvorming heeft plaatsgevonden, alsmede de afwegingen die daaraan ten grondslag liggen. Eiser stelt dat verweerder een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd en had moeten toetsen of sprake is van een dermate schending van de belangen van een individuele ambtenaar dat om die reden de in de Wob neergelegde verplichting tot openbaarmaking, tenzij, terzijde moet worden geschoven.

17. Verweerder heeft in het bestreden besluit en in het verweerschrift naar voren gebracht dat zijn medewerkers over beleidsvoorbereiding ongehinderd en openhartig met hun collega’s moeten kunnen communiceren. Openbaarmaking van hun persoonlijke beleidsopvattingen, ook achteraf, leidt ertoe dat zijn medewerkers zich niet meer in vrijheid kunnen uiten bij de voorbereiding van stukken en vergaderingen of dat zij zich daarbij niet meer vrij in (kunnen) voelen. Dat schaadt het belang van de medewerkers en daarmee ook dat van verweerder zelf. Het is van belang dat de medewerkers ook bij toekomstige werkzaamheden zich niet belemmerd voelen bij de gedachte of wetenschap dat hun opvattingen openbaar worden. Verweerder heeft voorts overwogen dat het openbaar maken van de meningen en opvattingen van zijn medewerkers verwarring kan veroorzaken bij het publiek, omdat deze meningen en gedachtevormingen contrair kunnen zijn aan wat verweerder uiteindelijk communiceert. Voor verweerder is van belang dat hij eenduidig en consistent communiceert, zodat hierover geen verwarring ontstaat bij het publiek. Omdat het om een zeer diffuse en potentieel grote groep van betrokkenen en geïnteresseerden gaat, acht verweerder het van belang om zijn advies of standpunt eenduidig, zonder ruis te kunnen communiceren. Het verspreiden van persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren past daar niet bij, aldus verweerder.

18. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende heeft gemotiveerd waarom de goede en democratische bestuursvoering niet gediend is met het openbaar maken van persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm. Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat volgens de wetsgeschiedenis8 geen recht op het verkrijgen van brokstukken onrijpe of eenzijdige informatie ontstaat. Het verschaffen daarvan kan immers leiden tot onnodige onrust of ongefundeerde verwachtingen dan wel tot onjuiste conclusies. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen niet in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering. Dat er sprake is van een relatief nieuw middel, heeft verweerder niet van doorslaggevend belang hoeven achten. De grondslagen en de motivering om het middel wel of niet te vergoeden zullen door verweerder immers in zijn uiteindelijke advies en het besluit bekend worden gemaakt. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid kunnen afzien van toepassing van zijn in artikel 11, tweede lid, van de Wob gegeven bevoegdheid. De beroepsgrond slaagt niet.

Eerbiediging persoonlijke levenssfeer

19. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet per document en per persoon genoemd in het document heeft gemotiveerd waarom de openbaarmaking van de informatie gelet op de persoonlijke levenssfeer niet mogelijk is. Tevens had verweerder bij de weggelakte namen de functie van de betreffende persoon moeten vermelden, zodat te volgen is of die persoon in andere documenten iets stelt of dat het om een andere persoon gaat. De weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid onder e, van de Wob is volgens eiser daarom onvoldoende gemotiveerd.

20. Verweerder is van mening dat ten aanzien van de in de documenten opgenomen identificerende persoonsgegevens zoals persoonsnamen, functies, telefoonnummers en e-mailadressen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder moet wegen dan het algemene belang van openbaarheid. Verweerder ziet niet in waarom deze afweging niet in zijn algemeenheid, voor alle documenten die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen, gemaakt zou kunnen worden. Bij het dossier zijn namelijk geen ambtenaren of personen betrokken waarvan de namen niet bekend zijn gemaakt en die uit hoofde van hun functie reeds in de openbaarheid treden. De Wob verplicht verweerder niet om bij de weggelakte namen wel de functie van de betreffende persoon te vermelden.

21. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling9 kan waar het gaat om het beroepshalve functioneren van een persoon, slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dit ligt anders als het gaat om het openbaar maken van namen. Namen zijn persoonsgegevens en het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen openbaarmaking daarvan verzetten. Daarbij speelt de functie van de betrokkene een rol.

22. De rechtbank stelt na kennisneming van de documenten vast dat de betrokken ambtenaren waarvan de namen niet bekend zijn gemaakt geen personen zijn die uit hoofde van hun functie reeds in de openbaarheid treden. Verweerder heeft het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van zijn ambtenaren daarom zwaarder mogen laten wegen dan het belang van openbaarmaking van hun namen. Verweerder heeft met deze motivering kunnen volstaan voor alle documenten die vallen onder de reikwijdte van het Wob-verzoek, nu verweerder bij deze algemene motivering heeft gesteld dat er geen namen zijn gelakt van personen die uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden, en eiser geen enkel aanknopingspunt heeft geboden om te concluderen dat dit anders is. Verweerder heeft voorts de functie van de betreffende ambtenaren niet openbaar hoeven maken, nu deze informatie niet in de betrokken documenten is vermeld. Dat eiser daardoor niet kan beoordelen welke documenten afkomstig zijn van dezelfde ambtenaren, kan dat niet anders maken. Verweerder heeft bij de door hem gemaakte belangenafweging in het kader van de Wob terecht alleen het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken. Van een onvoldoende gemotiveerd besluit op dit punt is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.

23. Document 15-18 en 20-22 zijn verslagen van telefoongesprekken gehouden in juli/augustus 2016 tussen ambtenaren van verweerder en medewerkers van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, Zilveren Kruis de SCT en het Nederlandse Huisartsen Genootschap. Verweerder heeft de namen van alle medewerkers in deze documenten gelakt. De rechtbank stelt vast dat geen van deze medewerkers personen zijn die uit hoofde van hun functie reeds in de openbaarheid treden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de hiervoor onder 19 weergegeven belangenafweging voldoende gemotiveerd waarom openbaarmaking van deze informatie niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken medewerkers. Verweerder heeft derhalve met toepassing van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob de informatie niet openbaar hoeven maken.

Nader onderzoek en dwangsommen

24. Eiser voert aan dat hij naar aanleiding van eerdere Wob-verzoeken redenen heeft om te veronderstellen dat verweerder niet alle relevante documenten bij de beoordeling van zijn Wob-verzoek heeft betrokken. Volgens eiser heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat van het telefonisch overleg van 13 september 2016 tussen medewerkers van het ministerie van VWS en medewerkers van verweerder geen verslag is opgemaakt. Eiser merkt hierbij op dat het, zo blijkt uit de vele telefoonnotities die in de stukken aanwezig zijn (document 647 ev), kennelijk wel gebruikelijk is om van een gesprek een telefoonnotitie te maken. Eiser vindt dat het bestreden besluit daarom onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Om te voorkomen dat de procedure nog langer onnodig wordt vertraagd verzoekt eiser de rechtbank om verweerder te verplichten binnen vier weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en over te gaan tot openbaarmaking van de documenten op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat verweerder de door de rechtbank gestelde termijn overschrijdt.

25. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij alle relevante documenten heeft geselecteerd en voor zover mogelijk openbaar heeft gemaakt. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft verweerder nogmaals in zijn administratie gezocht, maar daarbij geen gespreksverslag of aantekeningen aangetroffen van het telefonisch overleg op 13 september 2016. Volgens verweerder is het ook niet ongebruikelijk dat van een dergelijke telefonische bespreking geen verslag wordt gemaakt. Voor een nader onderzoek naar eventuele niet openbaar gemaakte documenten, ziet verweerder daarom geen aanleiding.

26. De rechtbank overweegt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling de rechtbank niet ongeloofwaardig voorkomt, het naar vaste jurisprudentie van de Afdeling10 in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is aannemelijk te maken dat een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

27. Daargelaten de vraag of het telefoongesprek op 13 september 2016 gelet op de datum van het Wob-verzoek onder de reikwijdte van het verzoek valt, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van verweerder dat hij na onderzoek geen verslag van voornoemd telefoongesprek heeft aangetroffen. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat er in de administratie is gezocht op het kenmerk ‘telefoonnotitie’ en op de datum ‘13 september 2016’ en dat het niet ongebruikelijk is dat van een telefoongesprek geen verslag wordt gemaakt. De mededeling van verweerder dat van het telefoongesprek geen verslag is opgemaakt, acht de rechtbank niet ongeloofwaardig. In wat eiser hier tegenover heeft gesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat er wel een document met de inhoud van het telefoongesprek onder verweerder berust. Voor een nader onderzoek naar eventuele niet openbaar gemaakte documenten, bestaat naar het oordeel van de rechtbank daarom geen aanleiding. Voor het opleggen van een dwangsom zoals eiser heeft gevraagd, bestaat evenmin aanleiding. De beroepsgrond slaagt niet.

28. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, voorzitter, mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. V.E. van der Does, leden, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Kamerstukken II 1986-1987, 19 859 nr. 3, blz. 13.

2 Kamerstukken II 1986-1987, 19 859 nr. 6, blz. 13.

3 ECLI:NL:RVS:2017:3497.

4 ECLI:NL:RVS:2018:314.

5 Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3563, en van 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1165.

6 Kamerstukken II 1987/88, 19 859, nr. 6, blz. 15 en 16.

7 De uitspraak van 21 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1927.

8 Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 22.

9 Zie ECLI:NL:RVS:2009:BJ5104 en ECLI:NL:RVS:2012:BY7303

10 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1189 en van 10 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1815.