Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4836

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-10-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
UTR 18/3566
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

sluiting bedrijfspand, openbare orde, handhaving, bestuurlijke rapportage, de op de zaak betrekking hebbende stukken, feitelijke grondslag, voorlopige voorziening

artikel 2:78a APV Zeist; artikel 8:83 Awb

Besluit tot sluiting garage voor periode van drie maanden i.v.m. verstoring van de openbare orde. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om de op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Verweerder is ook de in de gelegenheid geweest om, nadat was beslist dat zijn verzoek om beperking van de kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Awb van de bestuurlijke rapportage niet gerechtvaardigd was, (opnieuw) stukken te overleggen. Uiteindelijk heeft verweerder de bestuurlijke rapportage niet overgelegd. De voorzieningenrechter is hierdoor niet in staat te beoordelen of het bestreden besluit berust op enige feitelijke grondslag. Verweerder heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat zich feiten hebben voorgedaan die een ingrijpende maatregel – sluiting van de garage van verzoeker – rechtvaardigen. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat zelfs als verweerder deze feiten kan staven met de bestuurlijke rapportage, verweerder moet uitleggen waarom de openbare orde nu nog, geruime tijd nadat de door verweerder gestelde feiten hebben plaatsgevonden, zodanig in het geding is dat tijdelijke sluiting van de garage noodzakelijk is. De voorzieningenrechter doet onmiddellijk uitspraak en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schort het primaire besluit op tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/3566

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 oktober 2018 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Wortel),

en

de burgemeester van de gemeente Zeist, verweerder

(gemachtigde: M. Bosma).

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten tot sluiting van de garage van verzoeker aan de [adres] te [vestigingsplaats] met ingang van 21 september 2018 vanaf 12 uur in de middag voor een periode van 3 maanden vanwege een verstoring van de openbare orde.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 27 september 2018, ontvangen door de rechtbank op 28 september 2018, de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Ten aanzien van de overgelegde bestuurlijke rapportage heeft verweerder verzocht om beperking van de kennisneming, in die zin dat uitsluitend de bestuursrechter kennis mag nemen van de bestuurlijke rapportage.

Bij beslissing van 2 oktober 2018 heeft de rechtbank bepaald dat de door verweerder verzochte beperking van de kennisneming van de bestuurlijke rapportage niet gerechtvaardigd is omdat de rechtbank vanwege het ontbreken van een motivering niet kan beoordelen op grond van welke gewichtige redenen, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht, verweerder de beperkte kennisneming gerechtvaardigd acht. Ook heeft de rechtbank beslist dat de bestuurlijke rapportage aan verweerder wordt teruggestuurd. De beslissing is op dezelfde datum aan partijen gefaxt.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 schorst het primaire besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan verzoeker te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.002,-.

Overwegingen

  1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

  2. Verweerder heeft de taak om de openbare orde te handhaven. Hij heeft daarvoor een aantal bevoegdheden tot zijn beschikking, onder andere op grond van de Gemeentewet en – zoals in dit geval – op grond van de APV. Eén van de bevoegdheden komt neer op sluiting van een pand. Als verweerder wetenschap heeft van een verstoring van de openbare orde kan hij ingrijpen. Er moet dan wel echt iets aan de hand zijn. Dat er ook daadwerkelijk sprake is van een verstoring van de openbare orde die ingrijpen noodzakelijk maakt, moet controleerbaar zijn voor de bestuursrechter. Daarom moet verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter overleggen.

  3. In dit geval heeft verweerder besloten om de garage van verzoeker voor drie maanden te sluiten omdat sprake zou zijn van een verstoring van de openbare orde en veiligheid. Verweerder leidt uit een bestuurlijke rapportage van de politie af dat er zich een aantal incidenten hebben voorgedaan. Uit een videobeeld afkomstig van de beveiligingscamera van de garage heeft de politie gezien dat op de openbare weg en bij daglicht aan de [straatnaam] achter de garage op enig moment een klein type op een automatisch vuurwapen gelijkend voorwerp is getoond door één persoon aan drie andere personen, waaronder verzoeker. Verder heeft politie op een videobeeld van 16 januari 2017 afkomstig van de camerabeveiliging van verzoekers garage gezien dat verzoeker in het kantoor van zijn garage een persoon stevig vastpakt bij zijn jas, deze persoon naar de andere kant van de balie trekt en deze persoon in de nek slaat. Deze persoon wordt vervolgens door verzoeker in een stoel achter de balie geduwd. Op het moment dat verzoeker met zijn rug naar de persoon op de stoel staat, komt een andere persoon binnen die deze persoon op de stoel een elleboogstoot in het gezicht geeft. Tot slot heeft verweerder uit de bestuurlijke rapportage afgeleid dat er eind 2017 een doorzoeking van de garage heeft plaatsgevonden vanwege verdenking van de aanwezigheid van verdovende middelen. Er zijn geen verdovende middelen aangetroffen. Ook is de aanwezigheid van een gestolen scooter nader onderzocht. De scooter is niet aangetroffen.

  4. Verzoeker heeft betwist dat de door verweerder genoemde incidenten zich hebben voorgedaan.

  5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in de gelegenheid is gesteld om de op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Verweerder is ook in de gelegenheid geweest om, nadat was beslist op het 8:29-verzoek (opnieuw) stukken te overleggen. Uiteindelijk heeft verweerder de bestuurlijke rapportage niet overgelegd. De voorzieningenrechter is hierdoor niet in staat te beoordelen of het bestreden besluit berust op enige feitelijke grondslag. Verweerder heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat zich feiten hebben voorgedaan die een ingrijpende maatregel – sluiting van de garage van verzoeker – rechtvaardigen. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat verweerder naar de huidige stand van zaken niet weet wanneer zich het incident met het ‘vuurwapen’ heeft voorgedaan en dat het incident dat verweerder aanduidt als mishandeling zich ruim anderhalf jaar geleden zou hebben voorgedaan. Zelfs als verweerder deze feiten kan staven met de bestuurlijke rapportage, betekent dit dat verweerder moet uitleggen waarom de openbare als gevolg daarvan ook nu nog zodanig in het geding is dat tijdelijke sluiting van de garage noodzakelijk is. De in het primaire besluit gegeven uitleg is ontoereikend. De voorzieningenrechter ziet met de door verweerder gegeven toelichting dat de (kennelijk vruchteloze) doorzoeking van eind 2017 “in het plaatje past” overigens volstrekt niet in wat de betekenis hiervan is voor de vraag of de openbare orde hierdoor is aangetast.
    De blote ontkenning van verzoeker van de door verweerder gestelde feiten is in dit geval voldoende om te concluderen dat bestreden besluit de toets van de rechtmatigheid niet doorstaat. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat dit oordeel een voorlopig karakter heeft en dit oordeel de rechtbank niet bindt in een (eventueel) bodemgeding. Verzoekers bezwaar heeft gezien het voorgaande een redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Hij zal de uitvoering van het primaire besluit opschorten tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

  6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

  7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.