Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4815

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-10-2018
Datum publicatie
04-10-2018
Zaaknummer
16/659201-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland heeft een 21-jarige man uit Utrecht en een 19-jarige man zonder vaste woon- of verblijfplaats veroordeeld tot gevangenisstraffen van 18 maanden. De mannen hebben zich schuldig gemaakt aan diefstal en aan oplichting.

Beide mannen hebben zich op WhatsApp voorgedaan als iemand anders. De 19-jarige man zocht begin dit jaar via de berichtendienst contact met een 85-jarige man. De verdachte deed zich voor als de dochter van het slachtoffer en vroeg hem om in totaal ruim 2.300 euro over te maken. Het slachtoffer dacht echt met zijn dochter te appen. De 21-jarige Utrechter heeft zich op een soortgelijke manier schuldig gemaakt aan oplichting. Hij stuurde in september 2017 een WhatsApp-bericht naar een 71-jarige vrouw en deed zich voor als haar dochter. In het gesprek vroeg hij meerdere keren aan het slachtoffer om geld over te maken. In totaal heeft de vrouw ruim drieduizend euro overgemaakt.

Daarnaast hebben de twee zich eind 2017 schuldig gemaakt aan diefstal van een mobiele telefoon, een paspoort en 500 euro. In Woerden hebben ze met geweld de spullen en het geldbedrag van het slachtoffer gestolen. Daarbij is het slachtoffer onder andere met pepperspray in zijn gezicht gespoten Ook hebben beide mannen zich individueel schuldig gemaakt aan diefstal. De 19-jarige man is daarnaast veroordeeld voor het vernielen van een toegangspoortje van de NS bij station Woerden.

De rechtbank noemt het kwalijk dat beide mannen zich hebben laten leiden door de wens zichzelf te verrijken ten koste van de slachtoffers die ze gemaakt hebben. Beide mannen zijn eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten en zij geven geen volledige openheid van zaken.

De 21-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De 19-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en daarnaast is de man veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 1 maand voor diefstal van een laptop. Omdat verdachte bij deze diefstal minderjarig was is deze zaak apart behandeld. Beide verdachten moeten zich verplicht laten behandelen voor hun problematiek. De rechtbank hoopt met het opleggen van deze straffen de maatschappij te beschermen en de verdachten ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast moeten zij hun slachtoffers in totaal zo’n 10.000 euro aan schade vergoeden. De opgelegde straffen zijn nagenoeg gelijk aan de door officier van justitie geëiste straffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659201-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 oktober 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1999] te [geboorteplaats] ,

verblijvende te PI Flevoland - HvB Almere Binnen.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 juni 2018, 5 juli 2018 en 20 september 2018.

Ter zitting van 20 september 2018 is de onderhavige zaak op grond van artikel 285, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gesplitst van de overige zaken die zijn aangebracht bij parketnummer 16/659201-18.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.M. Tromp en van hetgeen verdachte en mr. S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

(primair) op 13 februari 2017 te Utrecht, samen met anderen, althans alleen, heeft ingebroken in een bedrijfspand, waarbij een laptop is weggenomen.

(subsidiair) op 13 februari 2017 te Utrecht, samen met anderen, althans alleen, heeft geprobeerd in te breken in een bedrijfspand.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en baseert zich daarvoor op de bewijsmiddelen zoals deze zich in het dossier bevinden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de bewezenverklaring aangevoerd dat maar één bewijsmiddel verdachte op de plaats delict plaatst, namelijk het glasspoor. De raadsman heeft bepleit dat dit geen sterk bewijs is.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

[aangever] heeft namens [bedrijf] B.V. aangifte gedaan van een inbraak in een bedrijfshal gevestigd aan de [adres] te Utrecht op 13 februari 2017. Gebleken is dat er omstreeks 03:18 uur een ruit van een zijdeur is verbroken. Omstreeks 03.23 uur verlieten de daders de bedrijfshal weer.2 Bij de inbraak is een laptop weggenomen van het merk Hewlett Packard Probook 450 G2.3

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 13 februari 2017 aan het werk was als beveiliger aan de [adres] te Utrecht. Om 03:22 uur kreeg hij de melding dat er op dat moment vier mannen het pand binnen gekomen waren. Daarop is hij direct de bedrijfshal in gerend. Hij zag vier personen wegrennen in verschillende richtingen.4

Op 13 februari 2017 omstreeks 03:26 uur kreeg verbalisant melding van een inbraak op de [adres] . Verbalisant is samen met een collega in de richting van de [adres] gereden. Op het moment dat verbalisant omstreeks 03:30 uur de Vlampijpstraat in reed [de rechtbank stelt vast dat deze straat in de directe omgeving van de [adres] ligt] zag hij een voertuig rijden. In het voertuig zaten vier personen. De personen gaven op te zijn: [A] , [B] , [C] en [verdachte] . Verbalisant zag dat [verdachte] en [B] een wond op hun hand hadden. Het bloed om de wond was vers en op de kleding van [verdachte] zat ook bloed. De verdachten zijn aangehouden5 en de kleding is in beslag genomen. De spijkerbroek van verdachte [verdachte] is veiliggesteld: SIN AAKK0339NL.6

Op 13 februari 2017 omstreeks 03:30 uur komen verbalisanten ter plaatse. Verbalisanten zagen dat om het bedrijfspand een tent opgebouwd was. Direct naast de tent zagen zij een personenauto staan: merk Peugeot 2016 kenteken [kenteken] . Ter hoogte van het portier van de auto zat een gat in de tent. Via dit gat was de hoofdingang van de tent bereikbaar. Verbalisanten zagen dat de ruit van de toegangsdeur vernield was. De autosleutels van de personenauto zaten nog in het contactslot.7 Op 14 februari 2017 is een onderzoek ingesteld naar de in beslag genomen personenauto. Onder de bestuurdersstoel is een schoudertasje aangetroffen, met daarin een afsprakenkaart voor de tandarts op naam van [B] .8

Op 14 februari 2017 is een forensisch sporen onderzoek verricht aan het bedrijfspand. Tijdens dit sporenonderzoek zijn twee glassporen uit de sponning van de vernielde ruit veiliggesteld: SIN AAHM0023NL en SIN AAHM0024NL.9

De in beslag genomen kleding van verdachte is onderzocht op de aanwezigheid van glasdeeltjes. Op de spijkerbroek met SIN AAKK0339NL zijn 25 op glas gelijkende deeltjes aangetroffen. 6 van deze op glas gelijkende deeltjes zijn betrokken bij een vergelijkend onderzoek met het referentieglas SIN AAHM0023NL en SIN AAHM0024NL. Voor 1 van de 6 onderzochte glasdeeltjes uit de spijkerbroek geldt dat de resultaten van het vergelijkend glasonderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer dit glasdeeltje afkomstig is van de gebroken ruit, waartoe het referentieglas heeft behoord (hypothese 1), dan wanneer het afkomstig is van een willekeurige andere ruit of glazen object (hypothese 2). Met de term ‘veel waarschijnlijker’ wordt bedoeld dat de kans op het waarnemen van de onderzoeksresultaten honderd tot tienduizend keer groter wordt geacht wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.10

Bewijsoverweging

De rechtbank acht gelet op voorgaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 februari 2017, tezamen en in vereniging met anderen heeft ingebroken in een bedrijfspand, gelegen aan de [adres] te Utrecht en daarbij een laptop heeft weggenomen. Daartoe is van belang dat verdachte enkele minuten na de inbraak in de directe omgeving van de [adres] in een personenauto door verbalisanten is staande gehouden. In deze personenauto bevonden zich in totaal vier personen. Dit komt overeen met de verklaring van getuige [getuige] , die heeft gezien dat er vier personen in het pand aanwezig waren. De verbalisanten hebben ook geconstateerd dat verdachte vers bloed op zijn handen en op zijn kleding had. Daarnaast is van één van de personen met wie verdachte in de auto zat ( [B] ) een pasje gevonden in de auto die door de vermoedelijke daders is achtergelaten op de plaats delict, waarmee dus ook verdachte aan de plaats delict kan worden gelikt. Ten slotte is op de kleding van verdachte glas aangetroffen waarvan de rechtbank aanneemt dat dit afkomstig is uit de bij de inbraak verbroken ruit.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 13 februari 2017 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres] een laptop (merk Hewlett Packard Probook 450 G2), die toebehoort aan

[bedrijf] BV, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- jeugddetentie voor de duur van 1 maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de op te leggen straf verzocht aansluiting te zoeken bij de eis van de officier van justitie.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan een inbraak in een bedrijfspand en heeft daarbij een laptop weggenomen. Verdachte heeft hiermee er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen. Hij heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daad en heeft zich blijkbaar niet bekommerd om de financiële schade en overlast die hij met zijn mededaders heeft veroorzaakt. In het algemeen geldt dat bedrijfsinbraken ook voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving zorgen.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een advies van Reclassering Nederland van 14 juni 2018, opgemaakt door T. Jaarsveld, reclasseringswerker. Hieruit volgt dat een eerder aan verdachte opgelegd reclasseringstoezicht in het kader van jeugdstrafrecht is mislukt, omdat verdachte zich onvoldoende aan de afspraken hield. Vanuit de jeugdreclassering wordt geen toegevoegde waarde (meer) gezien in inzet van jeugdmaatregels.

Tevens blijkt uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

9 augustus 2018 dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Verdachte liep ten tijde van het plegen van de bedrijfsinbraak op 13 februari 2017 in een proeftijd van het vonnis van de kinderrechter van 14 juni 2016.

Straf

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van één maand passend en geboden is. De rechtbank houdt hierbij in sterke mate rekening met het vonnis van heden in de zaak waarbij verdachte voor andere feiten is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Nu in dat vonnis reclasseringstoezicht aan verdachte is opgelegd (met een aantal bijzondere voorwaarden), ziet de rechtbank geen aanleiding dat ook in dit vonnis te doen.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 1 (één) maand;

- bepaalt dat de jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Veenstra, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. E.J. Rijssen, (kinder)rechter en M.W.V. Duursen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Antonides, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Primair.

hij op of omstreeks 13 februari 2017 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit

een bedrijfspand gelegen aan de [adres] een laptop (merk Hewlett Packard

Probook 450 G2), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[bedrijf] BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de

toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg

te nemen laptop onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak en/of verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair.

hij op of omstreeks 13 februari 2017 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een laptop (merk Hewlett Packard Probook 450 G2), althans een of meer goederen naar zijn/hun gading en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [bedrijf] BV, uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres] ) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te verschaffen en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 25 juli 2017 genummerd PL0900-2017045503, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 114. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 een proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens [bedrijf] B.V., pagina 29-31;

3 bijlage bij een proces-verbaal van aangifte, pagina 32; een proces-verbaal van bevindingen, pagina 33;

4 een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 34-35;

5 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 15-17;

6 een proces-verbaal aanvraag benoeming deskundige, pagina 43-46;

7 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 23 en 24;

8 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 27;

9 een proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 36-38;

10 een NFI-rapport van 18 juli 2018, pagina 107-114;