Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4811

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
659219-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

zware mishandeling echtgenoot en poging doodslag vriend van echtgenoot, gevangenisstraf 6 jaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.659219-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 oktober 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] (Afganistan),

thans gedetineerd te [verblijfplaats]

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 juni 2018 en 19 september 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C.J. Booij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. M.J. Schimmel, advocaat te Bussum, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

Primair

op 17 maart 2018 te Hilversum heeft gepoogd [slachtoffer 1] van het leven te beroven;

Subsidiair

op 17 maart 2018 te Hilversum [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

Meer subsidiair

op 17 maart 2018 te Hilversum heeft gepoogd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 2:

Primair:

op 17 maart 2018 te Hilversum heeft gepoogd zijn echtgenote [slachtoffer 2] van het leven te beroven;

Subsidiair:

op 17 maart 2018 te Hilversum zijn echtgenote [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

Meer subsidiair:

op 17 maart 2018 te Hilversum heeft gepoogd zijn echtgenote [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Meest subsidiair:

op 17 maart 2018 te Hilversum zijn echtgenote [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en baseert zich op de bewijsmiddelen zoals deze zich in het dossier bevinden. Hij heeft zijn standpunt verwoord in de ter zitting overgelegd schriftelijk requisitoir inhoudende – zakelijk weergegeven – dat de verklaring van verdachte onbetrouwbaar is en dat deze tevens wordt tegengesproken door de verklaringen van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] . Voorts valt zijn verklaring slecht te rijmen met de bevindingen van de getuigen die kort na de steekpartij ter plaatse komen. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] daarentegen zijn betrouwbaar en komen op de belangrijkste punten overeen en worden voorts bevestigd door de inhoud van de tapgesprekken. De officier van justitie acht het onder 2 primair ten laste gelegde onvoldoende wettig en overtuigend te bewijzen en vordert aldus partiële vrijspraak.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde en heeft daartoe zijn standpunt verwoord in de ter zitting overgelegde pleitnota. Zakelijk weergegeven, heeft hij ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit aangevoerd dat de verklaringen van verdachte en diens zoon het meest consistent zijn en derhalve betrouwbaar. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn daarentegen inconsistent en op onderdelen tegenstrijdig. Dit blijkt voorts uit de tapgesprekken, waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] zichzelf heeft gestoken en dat [slachtoffer 2] onder enorme druk staat van buitenaf om te verklaren dat zij zou zijn gestoken door verdachte. Aangaande de onder 1 subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten merkt de raadsman aanvullend op dat geen sprake is van toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, nu het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan de strenge eisen – zoals die zijn gesteld door de Hoge Raad1 – te voldoen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit is op basis van het voornoemde onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig om tot een bewezenverklaring te komen. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 2 meest subsidiair ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 2

Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde:

Verbalisant [verbalisant 1] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:

Op 17 maart 2018 kreeg ik een melding om ter plaatse te gaan in verband met een steekpartij te Hilversum. Ik zag dat een man op de grond lag ter hoogte van perceel […] . Ik hoorde dat de man luidkeels schreeuwde. Ik zag dat hij met zijn linkerhand in de richting van zijn linkeroor greep. Ik zag dat zijn handen en nek waren besmeurd met bloed. Deze persoon bleek later te zijn [slachtoffer 1] . Ik zag dat [slachtoffer 1] een open wond bij zijn nek had en dat er bloed uit vloeide. Op het moment dat ik de woning te Hilversum betrad, liep een vrouw mij tegemoet. Ik zag dat de vrouw met haar rechter hand naar haar linker schouder greep. Deze vrouw bleek later te zijn [slachtoffer 2] . Ik hoorde dat [slachtoffer 2] schreeuwde en huilde. Ik zag dat haar gelaat, kleding en handen waren besmeurd van het bloed. Vanuit de woonkamer naderde mij een man die later bleek te zijn [verdachte] . Ik vroeg aan [verdachte] waar het wapen lag. [verdachte] vertelde dat het mes was weggelegd op de grond in de keuken. Ik zag het mes op de grond liggen. Het betrof een vlees-/keukenmes met een zwartkleurig heft en een zilverkleurig lemmet gevormd tot een punt waarvan het lemmet is voorzien van één snijvlak.3

Verbalisant [verbalisant 2] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:

Ik zag collega [verbalisant 1] bij een persoon staan die op de grond lag. Ik zag dat twee vrouwen bij het hoofd van die persoon zaten. Ik zag dat de man volledig onder het bloed zat. De man had geen schoenen en sokken aan. Ik hoorde de twee vrouwen zeggen dat de man in zijn nek was gestoken en dat zij de wond dichtdrukten. Ik hoorde dat de man tegen mij probeerde te praten. Ik hoorde de man in het Engels tegen mij zeggen: “De man van mijn vriendin wilde haar vermoorden. Hij heeft haar gestoken met een mes en daarna stak hij mij.” Ik hoorde het ambulancepersoneel zeggen dat de wond van [slachtoffer 1] tijdens het vervoer moest worden dichtgedrukt, anders zou hij te veel bloed verliezen. [slachtoffer 1] is vervolgens op de traumakamer behandeld. Ik hoorde de arts tegen mij verklaren dat hij een steekwond had aan de linkerkant van zijn nek en een steekwond aan de achterkant van zijn schouder. Beide hadden een snee van ongeveer 4 tot 6 centimeter.4

Verbalisant [verbalisant 3] heeft in haar proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:

De vrouw, die later bleek te zijn [slachtoffer 2] , hield haar rechterhand op haar linker bovenarm. Ik zag dat de rechterhand en kleding bij de linker bovenarm flink onder het bloed zaten. Boven de linker bovenarm ter hoogte van haar schouder zag ik een snijwond zitten. Tevens zag ik ter hoogte van de linker kuit van de vrouw nog een snijwond waar bloed uit kwam. In de ambulance werd de vrouw verder verzorgd. Ik zag dat de linker bovenarm was gekneveld door middel van een blauwe sjaal. De linker bovenarm was tevens door het ambulancepersoneel ingewikkeld met een drukverband. Ik zag dat het personeel hierop het drukverband wilde verwijderen. Ik zag een diepe wond waar veel bloed uitstroomde. Ik zag dat het verplegende personeel een nieuw drukverband aanbracht. Ik hoorde het personeel zeggen dat de vrouw zou worden overgebracht naar een operatiekamer om de snijwonden te laten hechten. Op zondag 18 maart 2018 omstreeks 01.00 uur is de vrouw overgebracht naar een operatiekamer. Ik zag dat de vrouw diezelfde dag omstreeks 02.10 uur van de operatiekamer af kwam.5

Getuige [getuige] heeft op 17 maart 2018 bij de politie als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik zag een onbekende man voor de voordeur van de buren van nummer 1 staan. Ik zag dat de man bloedde en op de deur bonkte. Hij schreeuwde: “Help, help.” Ik zag dat de man een slagaderlijke bloeding in zijn nek had en dat hij helemaal onder het bloed zat. Ik hoorde hem zeggen: “Ik ben een vriend van haar. Haar man probeert haar te vermoorden. Laat haar niet alleen." Ik zag de buurvrouw op de grond liggen. De buurvrouw bloedde en had een slagaderlijke bloeding. Ik zag dat ze verwondingen had aan haar linker bovenarm, dit was een slagaderlijke bloeding volgens mij. Verder zag ik dat ze een wond had aan haar linker kuit. Dit ware diepe verwondingen, want het bloedde hard.6

Slachtoffer [slachtoffer 1] is op 30 augustus 2018 als getuige gehoord bij de rechter-commissaris en heeft daar het volgende verklaard:

In de WC hoorde ik gegil. Dat gegil was van zijn vrouw, [slachtoffer 2] . Ik ben direct de kamer uit gegaan. Ik zag dat [voornaam van verdachte] uit dezelfde kamer kwam als waar het gegil vandaan kwam. Toen kwam hij meteen naar mij toe met een mes. […]

Op het moment dat hij mij met het mes gestoken heeft ben ik gewond geraakt. Toen heb ik met hem gevochten om het mes uit zijn hand te krijgen en weg te gooien. Daarna, toen ik gewond was geraakt, heb ik zijn hand gepakt en hij heeft het mes naar beneden gegooid. Zijn vrouw was inmiddels al naar beneden gegaan en was gewond geraakt.

[…]

Ik zag het mes in zijn hand en hij ging mij steken. Toen heb ik hem met de stok geslagen. Ik kreeg eerst een messteek in mijn schouder/bovenarm. Hij ging nog een keer steken. […] Hij heeft mij eerst gestoken.7

Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft op 20 maart 2018 bij de politie als getuige als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik stond tussen mijn man [de rechtbank leest: [verdachte] ] en [slachtoffer 1] . Mijn man had het mes in zijn handen. Ik stond er tussen in en hij draaide door. Ik werd ook gestoken.8

Tapgesprek van 22 maart 2018, sessienummer 67 , [slachtoffer 2] belt met ‘meester [A] ’:

[slachtoffer 2] : “Mijn man heeft mij me een mes op vijf plekken op mijn arm gestoken.”9

Tapgesprek van 24 maart 2018, sessienummer 885 , [slachtoffer 2] belt met [verdachte] :

[slachtoffer 2] : “ [voornaam van verdachte] . Waarom heb jij mij in mijn arm gestoken.”10

Tapgesprek van 24 maart 2018, sessienummer 902 , [verdachte] belt met [slachtoffer 2] :

[slachtoffer 2] : “Hij kwam alleen maar om afscheid te nemen. Ze wilden naar een ander land gaan. Je was boos en begon te vechten. Hij kwam alleen maar om afscheid te nemen. Toen hij je zag is hij bang geworden en ging zich onder het bed verstoppen. Ik zweer bij god en Koran dat dit het verhaal is. […] Hij was voor niets anders gekomen en je deed hem en mij dit…[…]

Luister eens, je hebt mij gestoken en nu ben ik gehandicapt. Je hebt in mijn arm gesneden. Je hebt mijn arm gebroken.”

[verdachte] : “Zeg dit soort dingen niet aan de telefoon. Zeg dat niet aan de telefoon.”11

Tapgesprek van 25 maart 2018, sessienummer 1683 , [verdachte] belt met [slachtoffer 2] :

[verdachte] : “Luister schat, lieverd als je nu naar de politie zou willen gaan en de dingen die ik je heb gezegd zou willen vertellen. […] Dan zullen ze onze kinderen teruggeven en ook ons huis teruggeven.”

[…]

[slachtoffer 2] : “Je belt mij de hele tijd en zegt dat ik dit en dat moet gaan vertellen.”

[verdachte] : “Mijn schat, dat moet je doen voor je man.”

[slachtoffer 2] : “Moet het kind van een ander gevangen worden genomen. Moet hij soms tien jaar vastzitten?

[verdachte] : “ [voornaam van slachtoffer 2] , denk niet aan de zoon van een ander. Denk aan je man. Denk aan je kinderen.”12

Tapgesprek van 27 maart 2018, sessienummer 2416 , [voornaam] belt met [slachtoffer 2] :

[slachtoffer 2] : “Als ik het zou gaan zeggen, wordt de gevangenisstraf van [voornaam van verdachte] nog langer. Ik heb het enkel en alleen voor [voornaam van verdachte] niet gedaan. […] Ik kan het niet. Ik kan mensen niet vals beschuldigen. Dat kan ik niet. Dat laat mijn geweten niet toe. […] Ik heb over de dingen die ik heb gezien en de dingen die [voornaam van verdachte] heeft gedaan niets verteld. Ik heb zelfs niet gezegd dat [voornaam van verdachte] mij heeft gestoken. Ik heb de naam van [voornaam van verdachte] niet eens genoemd.13

Tapgesprek van 31 maart 2018, sessienummer 92 , [verdachte] belt [slachtoffer 2] :

[verdachte] : “ [voornaam van slachtoffer 2] , je hebt namelijk hier in Nederland een wet die zegt dat als iemand zichzelf schade aanricht of pijn doet, wordt dit niet als een misdrijf gezien. […] Hier mag je alleen andere mensen geen schade aanrichten. Zelfs als je langs zou gaan en zeggen dat jij jezelf hebt gestoken, zal je geen problemen krijgen. […] Je zal je kinderen terug krijgen. […] Ga langs en vertel hen dat je jezelf hebt gestoken. Dat hij ook zichzelf heeft gestoken. […] Ga dat maar zeggen.”14

Slachtoffer [slachtoffer 1] heeft op 30 augustus 2018 als getuige bij de rechter-commissaris als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:

Als ik de waarheid zou vertellen dan zou [verdachte] 7 tot 8 jaar in de gevangenis moeten zitten, daarom ga ik de waarheid niet vertellen. De rechter-commissaris deelt de getuige mede dat hij verplicht is om naar waarheid te verklaren. In de wc hoorde ik gegil. Dat gegil was van [slachtoffer 2] . Ik ben direct de badkamer uitgegaan. Ik zag dat [verdachte] uit diezelfde kamer kwam als waar het gegil vandaan kwam. Toen kwam hij meteen naar mij met een mes en ik had die stok. Ik wilde niet gewond raken door hem en daarom moest ik met die stok slaan. Hij heeft mij eerst gestoken voordat ik heb geslagen. Op het moment dat hij mij met het mes heeft gestoken, ben ik gewond geraakt. Ik heb op de deur van de buren geklopt en aan de buren verteld dat ze de politie moesten bellen.

Overwegingen

Bewijsoverwegingen

Gelet op de genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd [slachtoffer 1] van het leven te beroven door hem met een mes in zijn nek te steken en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door haar met een mes in de linker schouder, in de linker bovenarm en in het linker been te steken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De vraag die voorligt is of verdachte [slachtoffer 1] (feit 1) en/of [slachtoffer 2] (feit 2) met een mes heeft gestoken. De rechtbank constateert dat de verklaring van verdachte hieromtrent lijnrecht tegenover de verklaringen van zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] staat. Zodoende is het aan de rechtbank om vast te stellen welke lezing van de feiten juist is. De rechtbank kijkt bij de beoordeling en de vaststelling van deze feiten naar de consistentie, logica en daarmee ook de betrouwbaarheid van de verklaringen van enerzijds [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en anderzijds verdachte. Daarbij is met name van belang of het relaas van een van beide door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund of ontkracht. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaringen van zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] ongeloofwaardig zijn vanwege inconsistentie en het continu ‘draaien’ in hun verklaringen. De verklaringen van verdachte zijn daarentegen vanaf zijn eerste verhoor consistent en worden bovendien bevestigd door de verklaring van zijn zoon [B] . De rechtbank gaat hier echter aan voorbij. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] zichzelf en [slachtoffer 2] met een mes heeft gestoken niet aannemelijk. De verklaring van verdachte vindt zijn weerlegging in voornoemde bewijsmiddelen, met name gelet op de aard van de verwondingen (plek van aantreffen van de steekwonden). Voorts acht de rechtbank de verklaring van [B] niet geloofwaardig, nu blijkens de verklaring van [slachtoffer 2] verdachte zijn zoon heeft verteld wat hij tegen de politie moest verklaren.

De rechtbank stelt voorts vast dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] steun vinden in de tapgesprekken tussen [slachtoffer 2] en verdachte. Uit deze tapgesprekken blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte veelvuldig heeft getracht om zowel

[slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] te bewegen tot het afleggen van een verklaring in strijd met de waarheid, en dat [slachtoffer 2] heeft geweigerd om die valse verklaring af te leggen. De rechtbank constateert daarbij dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op onderdelen van elkaar verschillen, maar dat de strekking van hun verklaringen, namelijk dat verdachte hen beiden heeft neergestoken, hetzelfde is.

Zodoende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] met een mes heeft gestoken.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 primair

Opzet op de dood

De vraag is of verdachte door zijn handelen opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Voor opzet op de dood moet kunnen worden vastgesteld dat verdachte willens en wetens heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang met elkaar bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte met zijn handelen opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Alle handelingen die verdachte heeft verricht zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm erop gericht om [slachtoffer 1] om het leven te brengen. Verdachte heeft met een groot keukenmes in de nek en schouder van [slachtoffer 1] gestoken, waardoor diepe wonden zijn ontstaan van vier tot zes centimeter die hevig bloedden. Waarschijnlijk doordat twee buurtbewoners de wond van verdachte in zijn nek hebben dichtgedrukt en [slachtoffer 1] met spoed is geopereerd, is hij niet overleden. Deze omstandigheid is echter onafhankelijk van de wil van verdachte en neemt niet weg dat verdachte door te steken in de nek de opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] .

De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte heeft gepoogd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2 primair

(Voorwaardelijk) opzet op de dood

De vraag is of verdachte door zijn handelen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] . Voor voorwaardelijk opzet moet kunnen worden vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven heeft geroepen, hetgeen afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met zijn gedragingen (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 2] heeft gehad. Uit de voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte [slachtoffer 2] weliswaar in de linker schouder, de linker bovenarm en het linker been is gestoken met een groot mes, maar op basis van het dossier is onvoldoende duidelijk geworden hoe ernstig deze steekverwondingen zijn geweest en is onvoldoende duidelijk geworden dat het handelen van verdachte de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid tot de dood tot gevolg heeft gehad. Het steken met een mes – niet in de buurt van vitale lichaamsdelen – hoeft op basis van de ontbrekende informatie in het dossier geen aanmerkelijke kans op de dood op te leveren, ook niet als het gaat om meerder steekverwondingen. Verdachte zal dan ook van het onder 2 primair ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2 subsidiair

(Voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met zijn gedragingen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de zware mishandeling van [slachtoffer 2] . In tegenstelling tot voornoemde overweging kan op grond van algemene ervaringsregels worden gesteld dat het meermalen steken met een groot mes in zowel de linker schouder, de linker bovenarm en het linker been, de aanmerkelijke kans in het leven roept dat hierdoor [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel bekomt. De rechtbank is van oordeel dat uit dit handelen van verdachte moet worden afgeleid dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.

Zwaar lichamelijk letsel

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdediging heeft aangevoerd dat zonder een medisch rapport niet kan worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en de aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De vaststelling of sprake is van zwaar lichamelijk letsel aan de hand van deze gezichtspunten, wordt vaak gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen hetgeen algemene ervaringsregels omtrent die gezichtspunten leren.15 Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 2] meermalen in haar lichaam is gestoken met een groot keukenmes, waarbij zij diepe verwondingen heeft opgelopen die hevig bloedden. Dit letsel was van dien aard dat medisch ingrijpen noodzakelijk is gebleken. Er was een operatie nodig om de hevig bloedende wonden te dichten. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat dit letsel naar algemene ervaringsregels als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.

De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft (voorwaardelijk) verzocht om onderzoek te verrichten naar vingerafdrukken op het mes, indien de rechtbank niet tot een vrijspraak komt. De rechtbank wijst dit verzoek van de verdediging af. De rechtbank acht zich op basis van het dossier voldoende voorgelicht en acht derhalve een onderzoek naar vingerafdrukken niet noodzakelijk voor enige door de rechtbank te nemen beslissing. De rechtbank is van oordeel dat dit onderzoek – gelet op het gegeven dat zowel verdachte als [slachtoffer 1] om hem mes hebben gevochten en het daarbij beiden hebben aangeraakt – geen meerwaarde zal hebben voor het nemen van beslissingen op de hoofdvragen van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1:

Primair

op 17 maart 2018 te Hilversum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet meerdere malen met een mes in de nek en het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Feit 2:

Subsidiair

op 17 maart 2018 te Hilversum aan zijn echtgenoot [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (snijverwondingen waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was) heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 2] opzettelijk met een mes in de linker schouder, de linker bovenarm en het linker been te steken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 primair en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

6.1

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. [slachtoffer 1] stormde de badkamer uit met een stok in zijn handen en was zodoende de agressor naar verdachte. Verdachte heeft zichzelf en zijn zoon hiertegen verdedigd. Van verdachte mocht in de gegeven situatie niet worden verwacht dat hij zich zou onttrekken aan het geweld. Voorts heeft verdachte proportioneel gereageerd, omdat hij werd aangevallen met een wapen. De raadsman heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat het feit strafbaar is en dat het beroep op noodweer dient te worden verworpen. Verdachte is de agressor geweest, waardoor hem geen gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de aan de wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Verdachte is met een mes op [slachtoffer 1] afgelopen en heeft hem gestoken alvorens [slachtoffer 1] verdachte heeft geslagen met de stok. Zodoende is de rechtbank van oordeel dat verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen en eens anders lijf tegen ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding. Het verweer wordt verworpen.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

Primair

poging doodslag

Feit 2:

Subsidiair

zware mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

7.1

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte, door gedragingen, weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedstoestand. De raadsman verzoekt verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte strafbaar is en dat het beroep op noodweerexces dient te worden verworpen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van het voorarrest. De officier voert daartoe aan dat verdachte zijn echtgenote in hun beider slaapkamer met een groot mes heeft aangevallen en haar daarbij meermalen heeft gestoken. Zij is met de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd alwaar haar wonden operatief moesten worden gehecht vanwege de grote hoeveelheid bloed die uit de diepe wonden stroomde. [slachtoffer 1] heeft zelfs voor zijn leven moeten vechten. Toen hij door verdachte werd aangevallen nadat hij [slachtoffer 2] te hulp schoot, gedurende de tijd dat hij buiten wachtte op de ambulance en buren zijn wond dicht drukten en later op de operatietafel. Daarnaast zijn ook de kinderen van verdachte en [slachtoffer 2] slachtoffer, nu zij getuige zijn geweest van dit heftige incident. Verdachte heeft verder meermalen getracht – vanuit detentie – zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] te bewegen tot het doen afleggen van een voor hem gunstige, maar valse verklaring.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte al zes maanden in voorlopige hechtenis zit, en alle partijen meermaals de wens hebben uitgesproken dat verdachte snel vrijkomt. Verder zijn de kinderen van verdachte afgenomen en dient rekening te worden gehouden met het feit dat ook verdachte gewond is geraakt bij de vechtpartij. Verdachte toont daarnaast een meewerkende houding. De richtlijnen van het openbaar ministerie schrijven bij een mishandeling met zwaar lichamelijk letsel of een poging daartoe geen hogere straffen voor dan verdachte thans vastzit. De verdediging verzoekt aldus bij een strafoplegging geen onvoorwaardelijke straf op te leggen die hoger is dan de voorlopige hechtenis.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 17 maart 2018 zowel zijn echtgenote [slachtoffer 2] als een vriend van zijn echtgenoot, genaamd [slachtoffer 1] , meermalen gestoken met een mes. [slachtoffer 2] heeft daarbij meerdere steekverwondingen opgelopen aan haar linker schouder, de linker bovenarm en het linker been en [slachtoffer 1] is gestoken in zijn nek en schouder. Beide slachtoffers zijn vanwege deze verwondingen met spoed naar het ziekenhuis overgebracht, alwaar zij beiden zijn behandeld tegen de hevig bloedende wonden. [slachtoffer 1] is daarbij vier uur lang door een trauma-arts behandeld om het bloeden in zijn nek te stoppen.

Dit geweld heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte en [slachtoffer 2] . Hierdoor zijn hun drie kinderen geconfronteerd met dit grove geweld tegen hun moeder en haar vriend. Ook de omringende buurtbewoners zijn geconfronteerd met het handelen van verdachte. Het is niet aan verdachte te danken dat beide slachtoffers geen verdergaand (dodelijk) letsel hebben opgelopen, maar voornamelijk aan het ingrijpen van deze buurtbewoners. Zij hebben immers buiten de woning [slachtoffer 1] en in de woning [slachtoffer 2] geholpen met het stelpen van het bloeden van de verwondingen.

Verdachte heeft aldus door zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit aangetast. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daarvan vaak nog jarenlang last en de herinnering daaraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Daarbij komt dat hij beide slachtoffers heeft getracht te bewegen tot het afleggen van een verklaring in strijd met de waarheid, terwijl hij in detentie verbleef, De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 maart 2018, een Pro Justitia rapportage (psychologisch) van 24 augustus 2018 opgesteld door G.M. Jansen en een Pro Justitia rapportage (psychiatrisch) van 30 juli 2018 opgesteld door prof. dr. C. Jonker. Daaruit volgt dat er geen omstandigheden zijn om aan te nemen dat verdachte niet handelde onder invloed van enige stoornis en dat hij dus geheel toerekeningsvatbaar is.

Gelet op het voorgaande tegen het licht van de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank ziet daarbij geen reden om af te wijken van de eis van de officier van justitie. Alles afwegende, legt de rechtbank ter zake van voornoemde feiten aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren op, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 45, 57, 287, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 primair en 2 subsidiair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes (6) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ferschtman, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en H.B.W. Beekman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dam, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 oktober 2018.

Mr. M. Ferschtman en mr. H.B.W. Beekman zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1:

Primair

hij op of omstreeks 17 maart 2018 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de nek/hals en/of achter het oor, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 17 maart 2018 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel ((een) snijverwonding(en)), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 1] opzettelijk met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de nek/hals en/of achter het oor, althans het lichaam te steken en/of te snijden;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 17 maart 2018 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de nek/hals en/of achter het oor, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Feit 2:

Primair

hij op of omstreeks 17 maart 2018 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (zijn echtgenoot) [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de (linker)schouder en/of in de (linker) (boven)arm, in ieder geval in het bovenlichaam en/of in het (linker) (boven)been van die [slachtoffer 2] heeft gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 17 maart 2018 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan zijn echtgenoot [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel ((een) snijverwonding(en)), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 2] opzettelijk met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de (linker)schouder en/of in de (linker) (boven)arm, in ieder geval in het bovenlichaam en/of in het (linker) (boven)been te steken;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 17 maart 2018 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenoot [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de (linker)schouder en/of in de (linker) (boven)arm, in ieder geval in het bovenlichaam en/of in het (linker) (boven)been van die [slachtoffer 2] heeft gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Meest subsidiair

hij op of omstreeks 17 maart 2018 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland opzettelijk mishandelend zijn echtgenoot, althans een persoon, te weten [slachtoffer 2] , met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de (linker)schouder en/of in de (linker) (boven)arm, in ieder geval in het bovenlichaam en/of in het (linker) (boven)been heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

1 ECLI:NL:HR:2018:1051.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 13 juli 2018, genummerd PL0900-2018075728, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 377. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

3 Pagina 8-9.

4 Pagina 17-18.

5 Pagina 24-26.

6 Pagina 50-51.

7 Proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 1] bij rechter-commissaris van 30 augustus 2018.

8 Pagina 159.

9 Pagina 233.

10 Pagina 234.

11 Pagina 236.

12 Pagina 239.

13 Pagina 242-243.

14 Pagina 316.

15 ECLI:NL:HR:2018:1051.