Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4785

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-09-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
C/16/463862 / KG ZA 18-442
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil over de manier waarop een appartementencomplex inclusief onderneming moet worden verkocht. Openbaar of onderhands?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/463862 / KG ZA 18-442

Vonnis in kort geding van 26 september 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] (Bonaire),

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.J.M. van Lint te Sassenheim,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. C.J.A. Snouckaert van Schauburg-Buchwaldt te Veenendaal.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord met eis in reconventie met producties 1 t/m 27

- de producties 1 t/m 12 van [eiser]

- de pleitnota’s van [eiser] voor de mondelinge behandeling van 17 augustus 2018

- de pleitnota van [gedaagde] voor de mondelinge behandeling van 17 augustus 2018

- de brief van [gedaagde] van 28 augustus 2018 met producties 28 t/m 30

- de brief van [eiser] van 30 augustus 2018 met bijlage

- de brief van [gedaagde] van 3 september 2018 met producties 31 t/m 37

- de producties 13 t/m 16 van [eiser]

- de pleitnota van [eiser] voor de (tweede) mondelinge behandeling van 10 september 2018

- de pleitnota van [gedaagde] voor de (tweede) mondelinge behandeling van 10 september 2018, met eiswijziging

- de brief van [eiser] van 12 september 2018

- de brief van [gedaagde] van 12 september 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De inleiding

2.1.

[eiser] en [gedaagde] zijn in 1988 getrouwd in algehele gemeenschap van goederen. Sinds 2011 leven zij gescheiden. Sinds 8 februari 2018 is tussen [eiser] en [gedaagde] een echtscheidingsprocedure bij deze rechtbank aanhangig. De ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is nog onverdeeld.

2.2.

[eiser] heeft sinds 1992 een bedrijf op het gebied van verkeerstechniek. Sinds 2006 is dit bedrijf (in delen) ondergebracht in de werkmaatschappijen [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. De [bedrijfsnaam 3] ‘ [bedrijfsnaam 3] B.V.’ (hierna: de [bedrijfsnaam 3] ) houdt de aandelen van beide B.V.’s. [eiser] houdt 60% van de aandelen in de [bedrijfsnaam 3] en [gedaagde] 40%. [eiser] en [gedaagde] waren bestuurders van de [bedrijfsnaam 3] . [gedaagde] is op 20 november 2017 door de aandeelhoudersvergadering van de [bedrijfsnaam 3] als bestuurder ontslagen. Sindsdien bestuurt [eiser] de [bedrijfsnaam 3] alleen. [gedaagde] was tevens in dienst van de [bedrijfsnaam 3] . Haar dienstverband is op 1 maart 2018 geëindigd.

2.3.

In april 2005 hebben [eiser] en [gedaagde] twee stukken bouwgrond gekocht op Bonaire, waarop zij een vakantiehuis hebben gebouwd.

2.4.

Op 1 november 2007 is op Bonaire de vennootschap [bedrijfsnaam 4] B.V. opgericht, met [eiser] als haar enig aandeelhouder en bestuurder. In 2008 heeft [bedrijfsnaam 4] B.V. een perceel met een (deels nog te bouwen) appartementencomplex gekocht. Het appartementencomplex is vervolgens op die bouwgrond gerealiseerd. In 2011 zijn het perceel en dat complex geleverd aan [eiser] privé. De exploitatie van de bijbehorende bar en het restaurant (en de eigendom van de daarbij behorende inboedel) is ondergebracht in [bedrijfsnaam 4] B.V.

2.5.

Sinds 1 mei 2012 is het appartementencomplex met restaurant en bar open, onder de naam [naam appartementencomplex] . De exploitatie van het geheel is feitelijk in handen van [eiser] en (sinds eind 2012/begin 2013) van [A] , dochter van partijen.

2.6.

[voornaam van A] heeft besloten in oktober 2018 te stoppen met werken in het appartementencomplex op Bonaire en terug te gaan naar Nederland. Ook [eiser] wil terug naar Nederland. Het appartementencomplex en de onderneming die het restaurant en de bar exploiteert moeten daarom worden verkocht. [eiser] en [gedaagde] hebben - onder andere - ruzie over de manier waarop die verkoop moet plaatsvinden. Vanwege deze ruzie heeft [gedaagde] op 12 juli 2018 met verlof van de voorzieningenrechter te Bonaire maritaal beslag laten leggen op de onroerende zaken van het appartementencomplex.

3 De vorderingen

In conventie

3.1.

[eiser] vordert in conventie dat de voorzieningenrechter, in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

I. Primair:

gedaagde gebiedt om mee te werken aan openbare verkoop via een veiling, te houden in de periode van 27 tot en met 31 augustus 2018, van de onroerende zaak (de percelen grond met opstallen te [locatie] op Bonaire, kadastraal bekend als afdeling [afdelingsaanduiding] , sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding] alsmede afdeling [afdelingsaanduiding] , sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding] , inhoudende het onroerend goed (alsmede de inboedel) van [naam appartementencomplex] , waaronder

a. mee te werken aan de levering en overdracht van voornoemde onroerende zaak na de verkoop tegen een op de openbare verkoop tot stand gekomen verkoopprijs,

b. het maritaal beslag op te heffen,

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200.000,00 per overtreding en € 5.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum bedrag van € 400.000,00;

II. Subsidiair:

een zodanige beslissing neemt als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;

III. Primair en subsidiair:

[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en nakosten, op voorwaarde dat [gedaagde] dit vonnis niet binnen twee dagen na betekening van dit vonnis is nagekomen.

In reconventie

3.2.

[gedaagde] vordert in reconventie - na wijziging van eis - dat de voorzieningenrechter, in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, zakelijk weergegeven:

A. [eiser] veroordeelt binnen één week na betekening van dit vonnis zijn

medewerking te verlenen aan het inwinnen van een verkoopadvies alsmede zijn

medewerking te verlenen aan het onderhands te koop zetten door [makelaar 1]

, [adres] , Bonaire van:

de percelen grond met opstallen, appartementen, bar, restaurant te [locatie] op Bonaire, kadastraal bekend als afdeling [afdelingsaanduiding] , sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding] alsmede afdeling [afdelingsaanduiding] , sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding] , inhoudende het onroerend goed met de inboedel van [naam appartementencomplex] , conform een nader door de makelaar vast te stellen stappenplan, met laatprijs van minimaal $ 2.000.000,00, althans een door deze makelaar vast te stellen laatprijs, op straffe van een dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag dat [eiser] in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt, althans een zodanige beslissing neemt als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

B. [eiser] veroordeelt binnen één week na betekening van dit vonnis zijn

medewerking te verlenen aan het inwinnen van een verkoopadvies alsmede zijn

medewerking te verlenen aan het onderhands te koop zetten door [makelaar 1]

, [adres] , Bonaire van de woning en het stuk grond op Bonaire:

1. een perceel grond, met het daarop gebouwde gelegen te [plaatsnaam] op Bonaire kadastraal bekend als Afdeling [afdelingsaanduiding] , Sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding] , groot 1.226 m2;

2. een perceel grond, gelegen te [plaatsnaam] op Bonaire, kadastraal bekend als

Afdeling [afdelingsaanduiding] , Sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding] , groot 145 m2, met het op de percelen gebouwde

plaatselijk bekend als [adres]

3. een onbebouwd perceel grond, gelegen te [plaatsnaam] op Bonaire, kadastraal

bekend als Afdeling [afdelingsaanduiding] , sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding] , groot 1.157 m2;

rekening houdende met het gestelde terzake van de laatprijs van $ 400.000,00 voor de

vakantiewoning onder 1. en 2. en een door de makelaar te bepalen vraag- en laatprijs

voor het perceel bouwgrond onder 3.;

op straffe van een dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag dat [eiser] in gebreke

blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt, althans een

zodanige beslissing neemt als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

C. [eiser] gelast om binnen dezelfde termijn van één week tot ondertekening van de overeenkomst van opdracht met de makelaar over te gaan en de sleutels van de

vakantiewoning aan de makelaar ter beschikking te stellen, zulks op straffe van een

dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag dat [eiser] in gebreke blijft hieraan te

voldoen, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt, althans een zodanige beslissing neemt als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

D. [eiser] veroordeelt om de onroerende zaken open te stellen voor bezichtigingen, het maken van foto’s en alles wat nodig is om de woning op een goede wijze te verkopen, op straffe van een dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag dat [eiser] in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt;

E. [gedaagde] en de te benoemen makelaar machtigt zich te allen tijde toegang tot

de onroerende zaken te verschaffen, op straffe van een dwangsom van € 2.000,00

voor iedere dag dat [eiser] in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van

€ 50.000,00 is bereikt, althans een zodanige beslissing neemt als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

F. [eiser] veroordeelt om de uiteindelijke koopovereenkomst met betrekking tot voornoemde onroerende zaken te ondertekenen, bij gebreke waarvan het ten deze te

wijzen vonnis in de plaats treedt van de benodigde handtekening van [eiser] , althans

een zodanige beslissing neemt als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

G. [eiser] veroordeelt om zijn medewerking te verlenen aan de levering van

voornoemde onroerende zaken aan derden, bij gebreke waarvan het te dezen te

wijzen vonnis in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van [eiser]

onder de notariële leveringsakte;

H. [eiser] veroordeelt de voornoemde onroerende zaken uiterlijk één week voor levering van de woning aan derden in goede staat ter beschikking te stellen en deze

onroerende zaak te verlaten en niet verder te betreden, waarbij [gedaagde] wordt

gemachtigd de onroerende zaak te ontruimen met behulp van de sterke arm, althans

een zodanige beslissing neemt als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

Geheel subsidiair:

I. bepaalt dat partijen zich binnen één week na afgifte van het vonnis in dit kort

geding zullen wenden tot […] [bedrijfsnaam 5] B.V., gevestigd

aan de [adres] te [postcode] [vestigingsplaats] (TeL: + [telefoonnummer]

/Fax.: + [faxnummer] /E-mail: [e-mailadres] ) terzake van de

verkoop van de percelen grond met opstallen, appartementen, bar, restaurant te [locatie] op Bonaire, kadastraal bekend als afdeling [afdelingsaanduiding] , sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding] alsmede afdeling [afdelingsaanduiding] , sectie

[sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding] , inhoudende het onroerend goed met de inboedel van [naam appartementencomplex]

), welk zal plaatsvinden conform een nader tussen partijen op advies van

[bedrijfsnaam 5] B.V. overeen te komen stappenplan, met een overeen te komen

laatprijs van minimaal $ 2.000.000,00, op straffe van een dwangsom van € 2.000,00

voor iedere dag dat [eiser] in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van

€ 50.000,00 is bereikt, althans een zodanige beslissing neemt als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

Voorts

J. [eiser] in privé en als bestuurder van de [bedrijfsnaam 3] veroordeelt om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis in kort geding voor de periode tot en met juni 2018

€ 8.610,57 aan [gedaagde] te voldoen en [eiser] in privé en als bestuurder van de

[bedrijfsnaam 3] veroordeelt voor de maanden juli, augustus, september en oktober

2018 alsnog over te maken en te betalen aan [gedaagde] , op de eerste van de maand

het netto bedrag ad € 2.870,19 per maand, waarvan het bedrag voor de maanden juli en

augustus 2018 (€ 5.740,38) zal worden betaald binnen drie dagen na afgifte van het in deze af te geven vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag dat [eiser] in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

althans een zodanige beslissing neemt als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

K. [eiser] veroordeelt binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis in kort geding alle betalingsbewijzen over te leggen van de kosten die hij voor de woning in

Nederland dan wel voor [gedaagde] heeft voldaan met ingang van de maand maart 2018 tot

en met de datum van afgifte van het vonnis in kort geding en zijn medewerking te

verlenen aan het binnen deze termijn afgeven van de sleutel van de schuur en het op haar naam overzetten van alle incasso’s terzake van de vaste laten verbonden aan de woning en de vaste lasten die betrekking hebben op [gedaagde] ,

op straffe van een dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag dat [eiser] in gebreke

blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt, althans een zodanige beslissing neemt als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

Subsidiair:

een zodanige beslissing neemt als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

Primair en subsidiair:

[eiser] veroordeelt in de kosten van dit geding en (voorwaardelijk) tot betaling van nakosten op voorwaarde dat [eiser] dit vonnis niet binnen twee dagen na betekening is nagekomen.

4 De beoordeling in conventie

Rechtsmacht

4.1.

Voor het geval de voorzieningenrechter niet bevoegd zou zijn op grond van de regels van het interregionaal privaatrecht, hebben partijen op de zitting een forumkeuze gedaan. De Nederlandse voorzieningenrechter is dus bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.

Spoedeisend belang

4.2.

De rechtbank stelt allereerst vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat hij spoedeisend belang heeft om in zijn vorderingen in kort geding te kunnen worden ontvangen. [gedaagdes] andersluidende verweer faalt. Zij voert aan dat [eiser] niet heeft aangetoond dat het onroerend goed met de inboedel van [naam appartementencomplex] zo snel mogelijk moet worden verkocht. Dat er discussie bestaat tussen [eiser] en [gedaagde] over of het appartementencomplex snel moet worden verkocht, maakt echter dat [eiser] (spoedeisend) belang heeft bij het verkrijgen van een oordeel daarover.

Juridisch kader

4.3.

De voorzieningenrechter kan in zaken met een spoedeisend belang vooruitlopen op het oordeel van de rechter in een bodemprocedure, door een voorlopige voorziening te treffen. Voor het toewijzen van een vordering tot het treffen van zo’n voorziening is vereist dat in zodanige mate aannemelijk is dat de gevraagde voorziening in de bodemprocedure in stand zal blijven, dat daarop in kort geding vooruit mag worden gelopen. Daarbij moeten de belangen van partijen bij toe- en afwijzing van de voorlopige voorziening tegen elkaar worden afgewogen.

4.4.

Het appartementencomplex is eigendom van [eiser] privé en valt daarmee in de (nog te verdelen) huwelijksgoederengemeenschap van [eiser] en [gedaagde] . De door [eiser] gevraagde voorziening komt dus neer op een ingrijpen door de voorzieningenrechter in de wijze waarop partijen met een gemeenschappelijk goed omgaan (hoe zij dit beheren) en de wijze waarop ze het te gelde maken. Deze beheerskwestie wordt, nu het hier gaat om een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, beheerst door artikel 3:170, lid 3 BW. Dat betekent dat de door [eiser] gewenste veiling niet zonder de instemming van [gedaagde] kan plaatsvinden. Uit de combinatie van de artikelen 3:166 BW, 6:216 BW en 6:248 BW, volgt dat de rechtsverhouding van partijen als deelgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Dat betekent dat de bodemrechter de vordering van [eiser] – tot het gelasten van een openbare veiling – zal toewijzen indien [gedaagde] aan het verzoek van [eiser] die medewerking te verlenen haar goedkeuring in redelijkheid en billijkheid niet mag onthouden. In deze kortgedingprocedure moet dus worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter tot dat oordeel zal komen.

Inhoudelijke beoordeling

4.5.

[eiser] vindt dat het appartementencomplex met inboedel zo snel mogelijk door middel van een openbare veiling moet worden verkocht, het liefst tezamen met de onderneming die [bedrijfsnaam 4] B.V. in het restaurant en de bar (met inboedel) exploiteert. Ter onderbouwing daarvan voert [eiser] samengevat het volgende aan. [eiser] en dochter [voornaam van A] werken talloze uren in [naam appartementencomplex] tegen een laag, niet marktconform, salaris. Daardoor kunnen nog net de kosten worden voldaan en draait de onderneming/het appartementencomplex quitte. [voornaam van A] zal per 1 oktober 2018 stoppen met haar werkzaamheden voor [naam appartementencomplex] en zal teruggaan naar Nederland. [eiser] kan de onderneming niet zonder [voornaam van A] draaiende houden, want hij heeft daar de tijd, de capaciteiten en de energie niet voor. Ook [eiser] wil bovendien op korte termijn terug naar Nederland. Het aantrekken van vervangend personeel is geen reële optie. De onderneming zal dus na [voornaam van A] ’s vertrek verlies gaan draaien en de kosten, zoals de hypothecaire lasten, het personeel, de toeleveranciers en de elektriciteitsleverancier kunnen dan op korte termijn niet meer betaald worden. Leegstand moet dan worden gevreesd. Daar komt volgens [eiser] nog bij dat [naam appartementencomplex] in een criminele wijk staat en dat de gebouwen bij leegstand snel gestript en leeggeroofd zullen worden. Wanneer [naam appartementencomplex] thans onderhands te koop wordt aangeboden, zal die verkoop naar verwachting pas geëffectueerd kunnen worden nadat die nadelige omstandigheden zich al hebben voorgedaan. De opbrengst daarvan zal aanzienlijk minder zijn dan die verwacht kan worden van een vrijwillige openbare veiling, die gerealiseerd kan worden in de tijd waarin het appartementencomplex nog open is. Dan kan immers de gehele onderneming ‘going concern’ worden verkocht.

4.6.

Volgens [gedaagde] moet het appartementencomplex (en de onderneming van [bedrijfsnaam 4] B.V.) onderhands worden verkocht, zodat de daarbij behorende, reële, marktwaarde kan worden gerealiseerd. Die waarde is aanzienlijk hoger dan de verkoopsom bij een openbare veiling verwacht mag worden. De exploitatiekosten kunnen volgens [gedaagde] wel degelijk worden gedragen. [gedaagde] voert aan dat het bedrijf winstgevend is, dat [eiser] het hotel wel degelijk zonder [voornaam van A] kan runnen door vervangend personeel aan te nemen en dat [voornaam van A] bovendien haar werkzaamheden vanuit Nederland kan uitvoeren.

4.7.

Beide partijen hebben tot uitgangspunt genomen dat [naam appartementencomplex] (grond, gebouw en inboedel) moet worden verkocht, net als de onderneming van [bedrijfsnaam 4] B.V. (exploitatie van restaurant, bar en bijbehorende inboedel). Het is in het belang van zowel [eiser] als [gedaagde] dat met die verkoop een zo hoog mogelijke opbrengst wordt gerealiseerd. Dat brengt mee dat partijen het aan elkaar verplicht zijn om zich in te spannen om een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren. Partijen strijden over de vraag wat die opbrengst is en onder welke omstandigheden die bereikt kan worden. Het is aan [eiser] , als eiser in conventie, om voldoende aannemelijk te maken dat vrijwillige openbare veiling de hoogste opbrengst zal genereren. Dat heeft [eiser] onvoldoende gedaan. Dit wordt hieronder toegelicht.

4.8.

Allereerst moet er een inschatting worden gemaakt van het verschil in de te realiseren verkoopprijs bij onderhandse verkoop enerzijds en die bij openbare veilingverkoop anderzijds. [eiser] heeft tijdens de eerste mondelinge behandeling verwezen naar een taxatierapport van taxateur [B] van 7 mei 2017. Daarin is vermeld dat de marktwaarde van het onroerend goed (de verwachte opbrengst bij onderhandse verkoop) op dat moment 1,6 miljoen US-dollar bedroeg en de executiewaarde (de verwachte opbrengst bij vrijwillige veiling) 1,3 miljoen. [gedaagde] heeft toen verwezen naar een taxatierapport van [makelaar 2] van 25 januari 2017, waarin de marktwaarde van het onroerend goed (de verwachte opbrengst bij onderhandse verkoop) op 2,765 miljoen US-dollar is getaxeerd. Voorafgaand aan de tweede mondelinge behandeling heeft [eiser] een nieuw taxatierapport overgelegd, van [C] van 5 september 2018, waarin is vermeld dat de onderhandse verkoopwaarde van het appartementencomplex (grond en gebouw) 1,04 miljoen US-dollar bedraagt en de waarde bij vrijwillige openbare veiling 800.000 US-dollar. [gedaagde] betwist de beide taxatierapporten die [eiser] heeft ingebracht. [eiser] betwist het door [gedaagde] ingebrachte rapport. Nu [eiser] niet (voldoende) heeft toegelicht waaruit kan worden verklaard dat het tweede rapport dat hij over heeft gelegd zoveel lagere verkoopwaarden noemt dan het eerste rapport dat hij inbracht, moet hier in het voordeel van [gedaagde] worden uitgegaan van de hogere waarden uit dat eerste rapport, als de waarden die ten minste mogen worden verwacht bij verkoop van het appartementencomplex. Er bestaat daarom, wederom: ten minste, een verwacht opbrengstverschil tussen onderhandse verkoop en vrijwillige openbare veiling, van 300.000 US-dollar.

4.9.

Vervolgens is het de vraag of die hogere opbrengst in de omstandigheden van het geval gerealiseerd kan worden of dat die hogere opbrengst verdampt als gevolg van de doorlopende kosten en het eventuele verlies dat de onderneming zal draaien in de tijd die het kost om de zaken onderhands te verkopen. Het antwoord op die vraag hangt niet alleen af van de hoogte van de diverse opbrengstwaarden, maar evenzeer van de periode die naar verwachting nodig is om het appartementencomplex (het beste in combinatie met de onderneming van [bedrijfsnaam 4] B.V.) onderhands te verkopen, in relatie tot de periode die gemoeid zal zijn met een openbare veiling. Daarover hebben partijen geen (voldoende) informatie aangeleverd, ook niet tijdens de tweede mondelinge behandeling, nadat de voorzieningenrechter tijdens de eerste mondelinge behandeling partijen had aangeraden daarnaar onderzoek te doen. In de door [eiser] overgelegde verklaring van makelaar [D] staat weliswaar dat onderhandse verkoop ‘zomaar een paar jaar kan gaan duren’ maar dit is niet onderbouwd en is bovendien onvoldoende concreet om tot uitgangspunt te kunnen nemen. [gedaagde] heeft er daarentegen op gewezen dat onderhands kan worden verkocht binnen een jaar. De voorzieningenrechter kan daarom niet vaststellen om welke tijdsspannen het hierbij gaat, noch wat de met die tijdsspannen gemoeide, te verwachten, opbrengstverschillen zijn. Hij kan daarom evenmin vaststellen wat, tegen de achtergrond van die verschillen, de zwaarte en de betekenis is van de door [eiser] aangevoerde omstandigheden rond het al dan niet (in financiele en personele zin) kunnen doordraaien van het appartementencomplex om het ‘going concern’ te kunnen verkopen. Een en ander betekent dat [eiser] zijn vordering niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt om deze in dit geding te kunnen toewijzen. Die vordering moet daarom worden afgewezen.

Kosten in conventie

4.10.

De proceskosten in conventie zullen, nu partijen (voormalige) echtgenoten zijn, worden gecompenseerd in die zin dat beide partijen hun eigen kosten dragen.

5 De beoordeling in reconventie

5.1.

[gedaagde] heeft in reconventie de vorderingen A t/m K ingesteld. Deze vorderingen zullen achtereenvolgens worden beoordeeld.

Vordering A

5.2.

[gedaagde] heeft allereerst gevorderd dat de voorzieningenrechter [eiser] veroordeelt mee te werken aan het onderhands te koop zetten van het onroerend goed met inboedel van [naam appartementencomplex] . Deze vordering zal worden afgewezen. Dat de conventionele vordering van [eiser] wordt afgewezen betekent immers niet dat daarmee vast staat dat het appartementencomplex uitsluitend door onderhandse verkoop mag worden verkocht. Niet uitgesloten is immers dat, wanneer de thans in conventie ontbrekende informatie (zie 4.9) alsnog verkregen wordt en deze in het voordeel van een openbare vrijwillige veiling uitvalt, de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [gedaagde] haar toestemming daaraan niet mag onthouden. Er bestaat daarom geen aanleiding er thans van uit te gaan dat een bodemrechter zal oordelen dat enkel onderhandse verkoop de juiste gang van zaken is. Dat maakt dat ook de vordering van [gedaagde] op dit punt niet kan worden toegewezen.

Vordering B

5.3.

[gedaagde] heeft vervolgens gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld mee te werken aan het inwinnen van verkoopadvies bij makelaarskantoor [makelaar 1] over het stuk bouwgrond met de vakantiewoning (genoemd onder B, 1 en 2) en het naastgelegen perceel (onbebouwde) bouwgrond (genoemd onder B, 3) en mee te werken aan de onderhandse verkoop ervan door dit makelaarskantoor.

5.4.

Allereerst is het de vraag welk spoedeisend belang [gedaagde] heeft bij deze vordering. Volgens [gedaagde] is dit spoedeisend belang er in gelegen dat er, in het kader van de echtscheiding en in het kader van het onroerend goed in Nederland dat [gedaagde] wil overnemen, vermogen moet worden vrijgemaakt. Volgens [gedaagde] kan [eiser] bovendien, gezien zijn financiële situatie, geen vakantievilla op Bonaire aanhouden. [gedaagde] heeft hiermee voldoende gesteld en onderbouwd dat zij spoedeisend belang heeft om in haar vordering te worden ontvangen.

5.5.

Voor zover [eiser] in zijn brief van 12 september 2018 opnieuw inhoudelijk op deze kwestie is ingegaan, laat de voorzieningenrechter deze stellingen buiten beschouwing, omdat het onderzoek ter zitting was gesloten.

Ook in dit geval gaat het om onroerende zaken die in de gemeenschap van partijen vallen. Partijen zijn het erover eens dat deze onroerende zaken onderhands moeten worden verkocht met behulp van een makelaar. [eiser] en [gedaagde] zijn het echter niet eens geworden over de te benoemen makelaar. Tijdens de tweede mondelinge behandeling hebben partijen toegezegd daarover in gezamenlijk overleg te gaan. Uit de daarna aan de voorzieningenrechter gestuurde brieven blijkt dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de persoon van de makelaar. Ook hebben zij er niet voor willen kiezen dat de voorzieningenrechter zelfstandig een makelaar kiest uit door partijen aangedragen opties.

5.6.

[gedaagde] heeft de voorzieningenrechter gevraagd [eiser] op te dragen in te stemmen met makelaarskantoor [makelaar 1] . Het gaat, gezien de voornoemde gang van zaken, niet om het (met toestemming van partijen) doorbreken door de voorzieningenrechter van een patstelling rond de identiteit van de makelaar, maar om een van die rechter gevergd inhoudelijk antwoord op de vraag welke makelaar hier als beste kan worden aangezocht. Voor dat antwoord ( [gedaagde] moet hier haar gelijk aannemelijk maken als eiseres in reconventie) is echter onvoldoende gesteld. Omtrent de inhoudelijke kwaliteiten en het aantal van de hier in aanmerking komende makelaars is immers nauwelijks iets aangevoerd, nu partijen zijn blijven steken in strijd over de (on)partijdigheid van de over en weer voorgestelde makelaar. Hier bestaat daarom geen aanleiding aan te nemen dat een bodemrechter op dit punt in het voordeel van [gedaagde] zal beslissen en makelaarskantoor [makelaar 1] zal benoemen.

5.7.

Dat betekent dat de voorzieningenrechter [eiser] niet zal opdragen mee te werken aan de onderhandse verkoop via makelaarskantoor [makelaar 1] . Vordering B zal dus worden afgewezen.

Vorderingen C t/m H

5.8.

De vorderingen C t/m H gaan uit van de verkoop van de onroerende zaken die onderwerp zijn van de vorderingen A en B op de door [gedaagde] voorgestane wijze. Nu die vorderingen niet worden toegewezen moeten ook de vorderingen C t/m H worden afgewezen. [gedaagde] heeft immers niet gesteld dat zij belang bij toewijzing van die vorderingen heeft, indien deze los worden gezien van de vraag welke makelaar bij de beoogde verkoop van die goederen is betrokken.

Vordering I

5.9.

Deze vordering is blijkens de stellingen van [gedaagde] ingesteld voor het geval de voorzieningenrechter in conventie tot het oordeel komt dat het appartementencomplex moet worden verkocht door middel van een openbare veiling. Nu dat geval zich niet voordoet, behoeft deze vordering geen bespreking.

Vordering J

5.10.

Onder J heeft [gedaagde] allereerst gevorderd dat [eiser] in privé en als bestuurder van de [bedrijfsnaam 3] wordt veroordeeld binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis voor de periode tot en met juni 2018 € 8.610,57 aan haar te voldoen. [gedaagde] baseert deze vordering op een afspraak die partijen hebben gemaakt naar aanleiding van een procedure bij de familierechter over het voorlopig vaststellen van partneralimentatie. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van die procedure van 29 maart 2018 volgt dat partijen het volgende hebben afgesproken:

“- De man zal ervoor zorgen, als bestuurder van de [bedrijfsnaam 3] , dat aan de vrouw in het kader van een voorlopige regeling, voor de maanden maart, april, mei en juni 2018 een salaris van € 4.750,- bruto per maand (€ 2.970,19 netto per maand) zal worden uitbetaald, met dien verstande dat voor de maand maart 2018 al een bedrag van € 1.100,- aan de vrouw is uitgekeerd, zodat de vrouw voor die maand nog een bedrag van € 1.770,19 netto zal ontvangen.

- Daarna zal de vrouw de vaste lasten verbonden aan de woning en de vaste lasten die op haar betrekking hebben terugstorten op de en/of-rekening waarvan deze lasten zijn betaald.

- De vrouw zal de incasso’s van de vaste lasten verbonden aan de woning en de vaste lasten die betrekking hebben op de vrouw op haar naam zetten. (…)”

5.11.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat [gedaagde] voldoende (spoedeisend) belang heeft bij deze vordering. [gedaagde] heeft gesteld dat zij zonder deze betalingen nauwelijks inkomsten heeft en dit heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist. Het proces-verbaal is niet ondertekend door partijen en heeft dus geen executoriale kracht. [gedaagde] heeft daarom belang bij bevestiging van de gemaakte afspraken in een vonnis.

5.12.

Uit het hierboven geciteerde proces-verbaal van 29 maart 2018 blijkt dat [eiser] ervoor moest zorgen dat de [bedrijfsnaam 3] over de periode maart tot en met juni 2018 een totaalbedrag van € 10.680,76 aan [gedaagde] zou betalen. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] de verplichting om dit bedrag door de [bedrijfsnaam 3] te laten betalen in privé op zich heeft genomen. Het gevorderde is daarom hooguit jegens [eiser] in privé toewijsbaar. Hij zal niet worden veroordeeld ‘als bestuurder van de [bedrijfsnaam 3] ’, omdat het daarbij (naar de voorzieningenrechter verstaat) gaat om een beweerdelijke verplichting van de [bedrijfsnaam 3] en deze is geen partij in dit geding. Daarbij is dan nog daargelaten dat het hier, naar tussen partijen vast staat, gaat om een alimentatieverplichting en die rust op een gewezen echtgenoot en niet op diens vennootschap.

5.13.

Volgens [gedaagde] heeft [eiser] (via de [bedrijfsnaam 3] ) sinds deze afspraak is gemaakt in totaal € 1.770,19 aan haar betaald, namelijk € 670,19 op 20 april 2018 en € 1.100,00 op 30 april 2018. Daaruit volgt volgens [gedaagde] dat [eiser] nog € 8.610,57 aan haar moet betalen (de voorzieningenrechter komt bij berekening hiervan uit op een bedrag van € 8.910,57).

5.14.

[eiser] voert aan dat hij (via de [bedrijfsnaam 3] ) sinds de afspraak op 29 maart 2018 € 5.740,38 aan [gedaagde] heeft betaald, namelijk € 1.100,00 op 31 maart 2018, € 2.870,19 op 3 april 2018, € 670,19 op 20 april 2018 en € 1.100,00 op 30 april 2018. Dit heeft [gedaagde] betwist. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft [gedaagde] echter alleen maar een handgemaakt rekeningoverzicht overgelegd en afschriften van de specifieke betalingen. Daarmee is in dit geding niet voldoende aannemelijk geworden dat zij alleen maar de door haar genoemde betalingen heeft ontvangen, en niet ook de door [eiser] genoemde betalingen. Er moet er hier daarom vooralsnog van worden uitgegaan dat [gedaagde] naast de door haar genoemde betalingen, ook de door [eiser] genoemde betalingen heeft ontvangen. Dat betekent dat aannemelijk is geworden dat [eiser] € 4.940,38 te weinig heeft betaald (10.680,76 -/- 1.100,00 -/- 2.870,19 -/- 670,19 -/- 1.100,00).

5.15.

Voor zover [eiser] aanvoert dat hij dit bedrag niet hoeft te betalen omdat [gedaagde] ook nog bedragen aan hem verschuldigd is, is daartoe onvoldoende door hem aangevoerd. Dat verweer moet daarom worden verworpen.

5.16.

De vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 4.940,38. De vordering wordt toegewezen op de termijn die in het dictum is bepaald. Voor een aan deze betaalplicht te koppelen dwangsom bestaat geen grond.

5.17.

[gedaagde] heeft verder gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld om over de periode van juli 2018 tot en met oktober 2018 opnieuw € 2.970,19 per maand aan haar te betalen. Deze vordering zal worden afgewezen. [gedaagde] heeft hiermee een vordering ingesteld tot het voorlopig vaststellen van partneralimentatie. Die vordering kan alleen maar worden toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter, in dit geval de familierechter in een verzoekschriftprocedure tot het vaststellen van partneralimentatie, het door de voorzieningenrechter gegeven oordeel in stand zal laten. [gedaagde] heeft echter onvoldoende (concrete) gegevens aangeleverd om een (voorlopige) berekening tot het vaststellen van partneralimentatie te kunnen maken. Op dit punt zal vordering J dus worden afgewezen.

Vordering K

5.18.

[gedaagde] heeft ook nog gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld alle betalingsbewijzen van de kosten die hij voor de woning in Nederland of voor [gedaagde] heeft voldaan vanaf maart 2018 af te geven. [gedaagde] heeft daar belang bij omdat op 29 maart 2018 is afgesproken dat zij de vaste lasten verbonden aan de woning en de vaste lasten die op haar betrekking hebben zal terugstorten op de en/of-rekening waarvan deze lasten zijn betaald (zie 5.10). Het is van belang dat [gedaagde] weet welke bedragen zijn betaald zodat zij deze kan terugstorten.

5.19.

[eiser] stelt dat een vordering in kort geding op dit punt onnodig is omdat hij aan het gevorderde wil meewerken maar hij heeft niet betwist dat hij al meerdere keren heeft toegezegd dat te doen en dat hij dit tot op heden niet heeft gedaan. De vordering zal dus worden toegewezen, namelijk op de termijn die in het dictum is bepaald. De gevorderde dwangsom wordt ook toegewezen, maar deze zal worden gematigd en gemaximeerd zoals hierna is bepaald.

5.20.

Daarnaast heeft [gedaagde] gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan het binnen overzetten van alle incasso’s op naam van [gedaagde] , terzake van de vaste lasten verbonden aan de woning en de vaste lasten die betrekking hebben op [gedaagde] . Uit het proces-verbaal van 29 maart 2018 blijkt dat het overzetten van de incasso’s door [gedaagde] moet gebeuren. Dat is ook logisch, want het ligt in de macht van een rekeninghouder zelf om automatische incasso’s ten laste van die rekening tot stand te brengen. [gedaagde] heeft niet uitgelegd welke medewerking van [eiser] voor dit ‘overzetten’ nodig is. Deze deelvordering moet daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

5.21.

Verder heeft [gedaagde] gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan het afgeven van de sleutel van de schuur waar zij wekelijks haar auto wast. Deze vordering zal ook worden afgewezen. De schuur waar het om gaat is van de [bedrijfsnaam 3] , die geen partij is in deze procedure. [gedaagde] heeft bovendien niet toegelicht waarom zij er recht op heeft of belang bij heeft om haar auto te wassen in de schuur van het bedrijf waarvan zij geen werknemer en/of bestuurder meer is.

Kosten

5.22.

De proceskosten in reconventie zullen, nu partijen (voormalige) echtgenoten zijn, worden gecompenseerd in die zin dat beide partijen hun eigen kosten dragen.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie:

6.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

6.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat beide partijen hun eigen kosten dragen;

In reconventie:

6.3.

veroordeelt [eiser] binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis, een bedrag van € 4.940,38 aan [gedaagde] te betalen;

6.4.

veroordeelt [eiser] om, binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis, alle betalingsbewijzen over te leggen van de kosten die hij voor de woning in Nederland dan wel voor [gedaagde] heeft voldaan met ingang van de maand maart 2018 tot en met 26 september 2018;

6.5.

bepaalt dat, als [eiser] een dwangsom verbeurt van € 250,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 6.4 genoemde verplichting voldoet, met een maximum van € 5.000,00;

6.6.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.7.

compenseert de proceskosten in die zin dat beide partijen hun eigen kosten dragen;

6.8.

wijst de overige vorderingen van [gedaagde] af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2018.1

1 type: RV (4877)