Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4703

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
16/707565-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een veroorzaken van een ongeval. Hij reed met zijn bestelbus achteruit waardoor hij een vrouw en haar twee kinderen, die op een fiets achter zijn bestelbus stonden, heeft aangereden. De vrouw heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel op gelopen. De rechtbank veroordeelt de man tot een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van 9 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/707565-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 september 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1980] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 september 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. G.A. Hoppenbrouwers en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. W. van der Velde, advocaat te Lent, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair:

op 24 november 2016 te Kortenhoef als bestuurder van een motorvoertuig zodanig aan het verkeer heeft deelgenomen dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen;

subsidiair:

op 24 november 2016 te Kortenhoef als bestuurder van een motorvoertuig gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of verkeer op de weg heeft gehinderd waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Zij heeft daarbij aangegeven dat uit de verkeersongevalsanalyse is gebleken dat verdachte in elk geval met 16 kilometer per uur achteruit heeft gereden en dat zijn zicht naar achteren beperkt was. Het slachtoffer [slachtoffer 1] en de getuige [getuige] hebben verklaard dat verdachte snel achteruit reed. Het ongeval had vermeden kunnen worden. De officier van justitie heeft gesteld dat er sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen door verdachte, waardoor zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] is ontstaan.

Voor zover de verdenking op [slachtoffer 2] ziet heeft de officier van justitie vrijspraak gevraagd, omdat de gehoorschade van [slachtoffer 2] niet door het ongeval is veroorzaakt en de PTSS volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad geen zwaar lichamelijk letsel oplevert.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman heeft verdachte schuld aan het ongeval, maar is het de vraag wat de mate van schuld is. Daarbij heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte met minder dan 16 kilometer per uur achteruit is gereden. De getuige [getuige] heeft volgens de raadsman niet kunnen waarnemen wat er is gebeurd. Voor het slachtoffer is niet goed vast te stellen hoe hard er achteruit gereden is. Verdachte was feitelijk al gestopt toen hij een knal hoorde. Pas na het uitstappen had hij gemerkt dat hij iemand had aangereden. Verdachte had van te voren in zijn buitenspiegels gekeken en opgelet. Het is gebruikelijk dat bestelbussen zoals die van verdachte geen achterruit hebben.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Uit de verkeersongevalsanalyse blijkt het volgende: “Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken: (…) 1. bedrijfsauto, merk Fiat (…) 2. fiets2 (…) Het verkeersongeval had plaatsgevonden op de Curtevenneweg, gelegen binnen de bebouwde kom van Kortenhoef in de gemeente Wijdemeren. Het verkeersongeval had plaatsgevonden tussen de Ireneweg en de Kerklaan. (…) Genoemde weg is gelegen naast het winkelcentrum de Meenthof te Kortenhoef.3 (…) De Fiat was een bedrijfsauto welke was voorzien van achterdeuren die geblindeerd waren. Hierdoor kon de bestuurder geen gebruik maken van een binnenspiegel.4 (…) Ik zag en hoorde dat de parkeersensoren niet werkten op het moment dat zich wat achter het voertuig bevond.5 (…) Aan de hand van de camerabeelden waarbij de Fiat snel achteruit rijdend het beeld in komt rijden, heb ik een indicatieve snelheid berekend. (…) gemiddelde snelheid (…) 16 km/uur. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met het feit dat de Fiat aan het einde van deze berekening bijna stilstond. De snelheid waarmee hij aan kwam rijden is dus hoger geweest. (…) Met beide spiegels heeft men geen zicht op het verkeer wat zich recht achter voertuig bevindt.6 (…) Ten gevolge van de aanrijding raakten de bestuurster en de twee opzittende kinderen gewond en werden allen vervoerd naar het ziekenhuis. Tevens werd de fiets van het slachtoffer zwaar beschadigd. Eveneens ontstond er een deuk in de linker achterdeur van de Fiat. Conclusie: De bestuurder van de Fiat heeft bij het achteruit rijden niet het overige verkeer voor laten gaan. De bestuurder van de Fiat heeft zich zodanig gedragen dat het overige verkeer in gevaar op de weg werd veroorzaakt (de rechtbank begrijpt: dat voor het overige verkeer gevaar op de weg werd veroorzaakt). De bestuurder van de Fiat heeft zich zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.”7

[slachtoffer 1] heeft op 21 april 2017 verklaard: “Op donderdag 24 november 2016 ben ik met mijn kinderen naar de supermarkt geweest (…) in Kortenhoef. Wij waren op de fiets. Ik had een kinderzitje voor- en achterop. Mijn zoontje [A] van twee zat voorop. Mijn zoontje van vier zat achterop. (…) Ik reed op de Curtevenneweg. Ik ging in de richting van de Kerklaan. Voor mij reed een busje. (…) Ik zag dat het busje dat voor mij reed stil ging staan. Ik ging op ongeveer drie meter van het busje stil staan. Toen ik dacht dat het busje weer ging rijden zag ik dat deze met een rotgang achteruit reed. Volgens mij kwam hij met volle snelheid naar achteren. (…) We zijn nu vijf maanden verder en ik heb nog steeds klachten aan het ongeval overgehouden. Ik ben bang in het verkeer, hiervoor heb ik behandeling. Ik ben heel snel erg moe en kan in het gezin eigenlijk niet normaal functioneren. Mijn geur is weg, hierdoor is mijn smaak ook anders.”8

[slachtoffer 1] is op 25 november 2016 onderzocht door een arts. [slachtoffer 1] heeft een breuk in de schedel en in het aangezicht opgelopen. De geschatte genezingsduur bedraagt meer dan drie maanden.9

Op 26 juni 2018 is door de politie telefonisch contact opgenomen met [slachtoffer 1] om na te gaan hoe het haar is vergaan na het ongeval. Zij heeft daarbij het volgende aangegeven: “Ik (…) zit nog in een revalidatietraject. Ik kan nog niet fulltime werken, drie á vier werkuren in twee dagen is wat ik momenteel aankan. Ik heb ook enorm veel last van lichtinval, hierdoor krijg ik een speciale bril aangemeten om het zonlicht te minimaliseren.”10

Verdachte heeft verklaard: “Op donderdag 24 november 2016 (…) reed ik in mijn bedrijfsauto op de Curtevenneweg in Kortenhoef. (…) Toen ik de straat uit wilde rijden in de richting van de Kerklaan stond er halverwege de straat, aan de linker kant, een container. Toen ik halverwege de container was kwam er tegemoet komend verkeer die mij geen voorrang verleende. (…) Toen wilde ik gaan rijden maar zag dat er achter deze vrouw nog een auto kwam. Ik moest voor die auto achteruit. Ik heb in mijn spiegels gekeken en gaf gas. Ik voelde dat de auto optrok. Toen hoorde ik een knal. Toen keek ik weer in mijn spiegels en zag niets achter mij. (…) Ik hoorde direct gehuil en wist dat het niet goed was.11 (…) Mijn zicht naar achter is beperkt omdat ik geen ramen aan de achterkant heb. Ik moet het echt van mijn buitenspiegels hebben. Eigenlijk is de hele achterkant een dode hoek.” 12

Bewijsoverweging

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 moet worden bewezen dat verdachte schuld heeft gehad aan het veroorzaken van het ongeval. Er moet dan minimaal sprake zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt het daarbij aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van een verkeersongeval kan worden afgeleid dat sprake is van schuld.

De bestelbus waar verdachte in reed had geen, althans geblindeerde achterruiten. Hij kon daarom alleen gebruik maken van de buitenspiegels. Het zicht naar achteren was voor verdachte dus zeer beperkt. Tevens waren de parkeersensoren defect waardoor verdachte geen signaal kreeg als hij iets naderde bij het achteruit rijden. Als goed verkeersdeelnemer had verdachte gelet op deze omstandigheden niet, althans niet zonder hulp achteruit moeten rijden. Uit de verkeersongevalsanalyse blijkt echter dat verdachte minimaal met een snelheid van 16 kilometer per uur achteruit is gereden. Dat is te hard voor een bijzondere manoeuvre als achteruit rijden en zeker onder de gegeven omstandigheden. Hierbij heeft hij [slachtoffer 1] , die met haar twee kinderen op de fiets achter de bestelbus van verdachte stond, aangereden. Door deze aanrijding heeft [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Bij haar is immers een breuk in de schedel en in het aangezicht geconstateerd direct na het ongeval. En ook tijdens de zitting is gebleken dat [slachtoffer 1] nog niet was hersteld. Zij is op dit moment nog steeds niet in staat om haar normale bezigheden uit te oefenen. Hoewel de rechtbank van [slachtoffer 1] heeft gehoord hoe het op dit moment met haar zoon gaat, acht zij niet bewezen dat [slachtoffer 2] door de aanrijding in juridische zin zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank zal verdachte in zoverre vrijspreken.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door op deze wijze te handelen aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld, waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

Het primair ten laste gelegde is derhalve wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Primair

op 24 november 2016, te Kortenhoef, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Curtevenneweg, komende uit de richting van de Ireneweg en gaande in de richting van de Kerklaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig te handelen, te weten door

- binnen de bebouwde kom (nabij een (winkel)centrum), onverhoeds een bijzondere manoeuvre te maken, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en

- met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig met een aanzienlijke snelheid achteruit te rijden en

- zich er daarbij in onvoldoende mate, van te vergewissen dat de Curtevenneweg, direct achter zijn, verdachtes, motorrijtuig, vrij was van verkeer, terwijl het vrije zicht van verdachte naar achteren (in ieder geval gedeeltelijk) werd belemmerd en/of beperkt en/of werd gehinderd door geblindeerde achterdeuren en

- terwijl een fietsster, te weten [slachtoffer 1] , met in de kinderzitjes op de door haar bestuurde fiets zittende kinderen [slachtoffer 2] en [A] , zich (dicht) achter dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig bevond,

waardoor hij, verdachte, vervolgens met de achterzijde van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig tegen voornoemde [slachtoffer 1] is aangereden en gebotst, ten gevolge van welke aanrijding die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in de schedel en een breuk in het aangezicht.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een taakstraf van 90 uren,

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd.

Verdachte is voor zijn werk afhankelijk van zijn rijbewijs. De maatschappij is er niet mee gediend als verdachte zijn werk niet kan uitvoeren en zijn faillissement moet aanvragen. De verdediging heeft verzocht om in plaats van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen een geldboete op te leggen, naast een taakstraf.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is op een weg binnen de bebouwde kom met een aanzienlijke snelheid achteruit gereden, zonder dat hij zicht had op de weg achter zich. Verdachte heeft hiermee aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Als gevolg hiervan is hij tegen [slachtoffer 1] en haar twee kinderen, die op een fiets achter de bestelbus van verdachte stonden, aangereden. Hierbij heeft [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waar zij nog altijd niet van is hersteld. Zij kan nog slechts een paar uur per week werken, heeft een verminderd reuk- en smaakvermogen en heeft last van lichtinval in haar ogen, waardoor zij zich een speciale bril heeft moeten laten aanmeten. Het ongeval heeft een grote impact gehad op het gehele gezin van [slachtoffer 1] .

Dat het ongeval ook verdachte niet onberoerd heeft gelaten is ter zitting gebleken. Ook heeft hij maatregelen getroffen door een andere bestelbus aan te schaffen, waarmee hij wel zicht naar achteren heeft.

De rechtbank onderkent dat een zaak als de onderhavige slechts verliezers kent en dat een straf, in welke vorm ook, per definitie het leed dat is ontstaan niet kan wegnemen.

Bij het bepalen van de straf, heeft de rechtbank in de eerste plaats acht geslagen op de eis van de officier van justitie.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 2 augustus 2018. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, maar wel eerder een strafbeschikking heeft ontvangen in verband met een snelheidsovertreding. Volgens verdachte was deze snelheidsovertreding begaan door zijn vrouw. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verdachte zich verder onvoorzichtig in het verkeer gedraagt.

Verdachte heeft een eenmansbedrijf waarbij hij 24 uur per dag, 7 dagen per week oproepbaar is. Voor zijn werk is hij dus afhankelijk van zijn rijbewijs. Gelet op het grote belang dat verdachte heeft bij het behouden van het rijbewijs en gelet op de omstandigheid dat het feit inmiddels al geruime tijd geleden is gepleegd, zal de rechtbank de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen geheel voorwaardelijk opleggen. In de plaats van een onvoorwaardelijke rijontzegging zal de rechtbank een hogere taakstraf opleggen dan is geëist.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 120 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;

- ontzegt verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden;

- bepaalt dat de ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast;

- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.K. Oosterling-van der Maarel, voorzitter, mrs. R.B. Eigeman en V.M.A. Sinnige, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 september 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Primair

hij, op of omstreeks 24 november 2016, te Kortenhoef, in de gemeente Wijdemeren, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Curtevenneweg, komende uit de richting van de Ireneweg en gaande in de richting van de Kerklaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te handelen, te weten door

- binnen de bebouwde kom (nabij een (winkel)centrum), althans een gebied waar fietsers te verwachten zijn (onverhoeds) een bijzondere manoeuvre te maken, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of

- met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig met een aannzienlijke snelheid, althans met een hogere snelheid dan gezien de verkeersveiligheid en/of de verkeerssituatie ter plaatse verantwoord was achteruit te rijden en/of

- zich er (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate, van te vergewissen dat de Curtevenneweg, althans de weg direct achter zijn, verdachtes, motorrijtuig, vrij was van verkeer, (terwijl) het vrije zicht van verdachte (naar achteren) (in ieder geval gedeeltelijk) werd belemmerd en/of beperkt en/of werd

gehinderd door geblindeerde achterdeuren en/of

- terwijl een een fietsster, te weten [slachtoffer 1] , met in de kinderzitjes op de door haar bestuurde fiets zittende kinderen [slachtoffer 2] en [A] , zich (dicht) achter, althans nabij, dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig bevond,

waardoor hij, verdachte, (vervolgens) met de achterzijde van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig tegen voornoemde [slachtoffer 1] is aangereden en/of gebotst, tengevolge van welke aanrijding die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in de schedel en/of een breuk in het aangezicht en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van haar normale bezigheden is ontstaan en/of die [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten gehoorschade, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van zijn normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair

hij, op of omstreeks 24 november 2016, te Kortenhoef, in de gemeente Wijdemeren, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Curtevenneweg, komende uit de richting van de Ireneweg en gaande in de richting van de Kerklaan,

- binnen de bebouwde kom (nabij een (winkel)centrum), althans een gebied waar fietsers te verwachten zijn (onverhoeds) een bijzondere manoeuvre heeft gemaakt, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of

- met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig met een aannzienlijke snelheid, althans met een hogere snelheid dan gezien de verkeersveiligheid en/of de verkeerssituatie ter plaatse verantwoord was achteruit heeft gereden en/of

- zich er (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate, van heeft vergewist dat de Curtevenneweg, althans de weg direct achter zijn, verdachtes, motorrijtuig, vrij was van verkeer, (terwijl) het vrije zicht van verdachte (naar achteren) (in ieder geval gedeeltelijk) werd belemmerd en/of beperkt en/of werd

gehinderd door geblindeerde achterdeuren en/of

- terwijl een fietsster, te weten [slachtoffer 1] , met in de kinderzitjes op de door haar bestuurde fiets zittende kinderen [slachtoffer 2] en [A] , zich (dicht) achter, althans nabij dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig bevond en/of

(vervolgens) met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig tegen voornoemde fietsster is aangereden en/of gebotst, door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 28 juli 2017, genummerd PL0900-2016364498, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 73. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 46.

3 Een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 49.

4 Een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 59.

5 Een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 62.

6 Een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 68.

7 Een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 70.

8 Een proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer 1] , pagina 7.

9 Een geschrift, inhoudende een geneeskundige verklaring, pagina 36.

10 Een door [verbalisant] , agent van politie Midden-Nederland op 3 juli 2018 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer PL0900-2016364498-11, inhoudende een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1.

11 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 15.

12 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 16.