Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4690

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 714
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen een watervergunning en in het bijzonder tegen een tijdelijke dam met duiker naast het perceel van eiser. Eiser stelt dat wordt afgeweken van artikel 7 van de beleidsregels op grond van de Keur van het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden. Het beroep van eiser op de toetsingscriteria in de beleidsregels slaagt niet. Het beroep is ongegrond. Nu het bestreden besluit niet onrechtmatig is, is er geen grond voor het toekennen van schadevergoeding en wordt dit verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2018/58 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/714

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 september 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.D.M.C. Nolet),

en

de Dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verweerder

(gemachtigden: mr. S.F. Somer en H. Kosterman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de gemeente Woerden, te Woerden, vergunninghouder

(gemachtigden: mr. A.H. Chaudron en M. Helderman).

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder een watervergunning verleend aan vergunninghouder voor het aanpassen van de waterhuishouding in het kader van de reconstructie van een woonwijk in [naam] en het voor onbepaalde tijd behouden van de werken waarvoor de vergunning is verleend tenzij anders in de voorschriften is bepaald.

Bij besluit van 8 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder in reactie op het bezwaar van eiser het primaire besluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering ervan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder en vergunninghouder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. [naam] is een woonwijk binnen de gemeente Woerden die te kampen heeft met verzakking van de bodem, waardoor een complete reconstructie van die woonwijk moet plaatsvinden. Om de uitvoering van reconstructiewerkzaamheden in [naam] mogelijk te maken, moeten er tijdelijke

voorzieningen worden gecreëerd. Vergunninghouder heeft om die reden, naast de aanvraag voor diverse andere samenhangende vergunningen, bij verweerder een aanvraag om een watervergunning ingediend. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

1.2

In het primaire besluit is vergunning verleend voor de volgende werkzaamheden:

- het verbreden van watergangen;

- het aanleggen van tijdelijke en definitieve (dammen met) duikers;

- het dichtzetten/verwijderen van een duiker;

- het aanleggen van een brug;

- het aanleggen van een stuw;

- het vernieuwen van een inlaat met afsluiter;

- het aanleggen van oeverbeschoeiingen;

- het aanleggen van een steiger;

- het aanleggen van natuurvriendelijke oevers.

2. Verweerder heeft de vergunning verleend op grond van het bepaalde in artikel 2.1 van de Waterwet, waarin de algemene doelstellingen zijn neergelegd ten behoeve van het waterbeheer. Een vergunning moet op grond van artikel 6.21 van de Waterwet worden geweigerd als verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen als genoemd in artikel 2.1 van de Waterwet. Daarvan is volgens verweerder geen sprake. Indien de voorschriften verbonden aan de vergunning in acht worden genomen, wordt de zorg voor de waterhuishouding voldoende gewaarborgd. Er is volgens verweerder geen reden aan te nemen dat de voorschriften niet worden nageleefd.

3. De rechtbank stelt voorop dat het beroep van eiser alleen ziet op de aanleg van een tijdelijke dam met duiker naast zijn perceel. Eiser merkt in zijn beroepschrift op dat zijn uitzicht en de ecologische gesteldheid van het gebied door de werkzaamheden ernstig worden aangetast. Er is sprake van hoge waterstanden en zijn tuin is drassig. Demping van het water en het aanleggen van een weg zal meer druk veroorzaken op het grondwater, dat elders naar boven zal komen. Eiser is bang dat zijn tuin onder water komt te staan. Door de geplande werkzaamheden zal eiser ook hinder ondervinden door overlast van geluid, trillingen en stank. Verweerder is volgens eiser ten onrechte afgeweken van artikel 7 van de beleidsregels op grond van de Keur van het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden 2009 (hierna: de beleidsregel). Verweerder is zonder enige motivering en onderzoek in het kader van de belangafweging tot de conclusie gekomen dat de waterhuishouding voldoende is gewaarborgd. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat het beroep alleen ziet op de afwijking van artikel 7 van de beleidsregel. Alles wat door eiser verder nog is aangevoerd, is bedoeld als achtergrondinformatie in dat kader.

4. Eiser is van mening dat het bestreden besluit in strijd is met de toetsingscriteria 1 tot en met 4, 7, 8 en 15 van artikel 7 van de beleidsregel. In het navolgende zal de rechtbank ingaan op deze toetsingscriteria. Allereerst zullen toetsingscriteria 2 en 8 worden besproken omdat deze tijdens de bezwaarprocedure ook zijn behandeld. Vervolgens zal de rechtbank de overige in beroep aangevoerde toetsingscriteria bespreken.

Toetsingscriterium 2

5.1

Eiser voert aan dat er twee dammen met duikers worden geplaatst op korte afstand van elkaar. Hierdoor wordt niet voldaan aan dit toetsingscriterium. Verweerder is zonder nadere motivering afgeweken van de beleidsregel.

5.2

De rechtbank overweegt dat verweerder niet is afgeweken van de beleidsregel maar gebruik heeft gemaakt van de in de beleidsregel zelf opgenomen bevoegdheid om af te wijken van de hoofdregel dat in principe één dam met duiker is toegestaan per aaneengesloten kadastraal woon- of bedrijfsperceel. In het toetsingscriterium is immers opgenomen dat in bijzondere omstandigheden meer dammen met duikers kunnen worden toegestaan. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd waarom hiervoor is gekozen. Ter zitting is namens verweerder nader toegelicht dat de dammen niet veel invloed hebben op de waterhuishouding. De opstuwing van het water door de dammen is verwaarloosbaar. De dammen worden geplaatst in een tertiaire watergang die enkel is aangelegd voor berging van water en niet voor doorstroming. Daarnaast betreft het tijdelijke dammen die weer worden verwijderd na afloop van de werkzaamheden. De rechtbank ziet geen aanleiding de motivering van verweerder voor onjuist te houden dan wel onvoldoende te achten. Gesteld noch gebleken is dat het waterhuishoudkundig belang zich verzet tegen het toestaan van twee dammen met duikers.

Toetsingscriterium 8

6.1

Toetsingscriterium 8 luidt als volgt: Er geldt geen compensatieplicht voor een dam met duiker als die minder dan 25 m² wateroppervlakte gemeten op het hoogst vastgestelde peil in het meest recent vastgestelde peilbesluit, wegneemt. Dit toetsingscriterium dient in samenhang te worden gelezen met artikel 12 van de beleidsregel. Daarin staan de regels die gelden ten aanzien van demping en vergroting van oppervlaktewaterlichamen.

6.2

Eiser voert aan dat de verleende vergunning in strijd met toetsingscriterium 8 is verleend omdat verweerder geen compensatieplicht heeft opgelegd, terwijl de dammen met duikers een oppervlakte hebben van meer dan 25 m².

6.3

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit dit toetsingscriterium in samenhang met artikel 12 van de beleidsregel niet automatisch volgt dat verweerder gehouden is om een compensatieplicht op te leggen voor dammen met duikers die groter zijn dan 25 m². Er kan op grond van toetsingscriterium 8 van de beleidsregel worden afgeweken van de hoofdregel dat dient te worden gecompenseerd in hetzelfde peilgebied. Het uiteindelijke resultaat mag in ieder geval geen negatieve invloed hebben op de werking van het watersysteem.

6.4

Verweerder heeft in het bestreden besluit en het verweerschrift nader gemotiveerd waarom ervoor is gekozen om geen compensatieplicht op te leggen. De achterliggende gedachte achter het opleggen van een compensatieplicht is dat er geen bergend vermogen van een watergang verloren gaat. In het verleden is door een veelheid aan dempingen veel bergend vermogen verloren gegaan. Door de tijdelijke aanleg van dammen met duikers is het verlies aan bergend vermogen echter verwaarloosbaar volgens verweerder. De impact van tijdelijke dammen op de waterhuishouding is gering, dit mede afgezet tegen de grootte van het peilgebied en het achterliggende peilgebied. Wanneer bij tijdelijke dammen een tijdelijke compensatieplicht wordt opgelegd, zijn de nadelige gevolgen daarvan groter dan de positieve gevolgen. Voor de ecologie is het niet bevorderlijk om binnen een paar jaar te graven en weer te dempen. Het herstel duurt jaren. Verweerder heeft er ook rekening mee gehouden dat het watergebiedsplan […] recentelijk in werking is getreden en uitgevoerd. In het gebied is een goed uitgelegd watersysteem waarin de aanleg van tijdelijke dammen goed kan worden opgevangen.

6.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat het afzien van de compensatieplicht niet in strijd is met het beleid. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een negatieve invloed op het watersysteem.

Toetsingscriterium 1

7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat sprake is van strijd met toetsingscriterium 1 omdat er alternatieven voor de plaatsing van de dammen met duikers zouden zijn. Verweerder dient de aanvraag te beoordelen zoals die door vergunninghouder is ingediend. Indien een aanvraag op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van een alternatief slechts dan leiden tot een afwijzing van de aanvraag, als op voorhand duidelijk is dat doorrealisatie van het alternatief een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Op voorhand is hier niet duidelijk dat de aanleg van een brug ter plaatse leidt tot een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren.

Toetsingscriteria 3 en 4

8.1

In deze toetsingscriteria staat, samengevat weergegeven, vermeld dat door het verlenen van een vergunning voor het plaatsen van een dam met duiker niet alle reserves mogen worden gebruikt. Daartoe dient een berekening te worden gemaakt die de maximale extra toelaatbare opstuwing bepaalt. De opstuwing die een dam met duiker mag veroorzaken bedraagt ten hoogste 5 millimeter.

8.2

Zoals hiervoor ten aanzien van toetsingscriterium 8 al is overwogen heeft verweerder gesteld dat het gaat om tijdelijke dammen met een klein oppervlak en met weinig impact op de waterhuishouding gelet op de grootte van het peilgebied en het achterliggende peilgebied. Ter zitting is namens verweerder nader toegelicht dat uit een onderzoek dat is verricht in het kader van een eerdere procedure, is gebleken dat de opstuwing van het water door de dammen minder dan 0,01 millimeter bedraagt. Dit is volgens verweerder een verwaarloosbaar gevolg. De rechtbank ziet in hetgeen door eiser is aangevoerd geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze toelichting van verweerder. Er is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van strijd met toetsingscriteria 3 en 4.

Toetsingscriterium 7

9. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat sprake is van strijd met toetsingscriterium 7 op het punt van de vrije doorstroming. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat het hier gaat om het plaatsen van dammen met duikers in een tertiair oppervlaktewaterlichaam terwijl toetsingscriterium 7 alleen ziet op primaire en secundaire oppervlaktewaterlichamen. Eiser heeft dit standpunt van verweerder niet betwist. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat dit toetsingscriterium hier niet van toepassing is.

Toetsingscriterium 15

10.1

Toetsingscriterium 15 bepaalt dat de uiteinden van een duiker 0,20 meter buiten de oeverlijn moeten reiken. De uiteinden moeten worden gemarkeerd om beschadigingen door mechanisch onderhoud tegen te gaan.

10.2

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat deze voorwaarde met name van belang is voor primaire watergangen omdat het onderhoud daarvan wordt uitgevoerd door verweerder. Nu het hier gaat om een tertiaire watergang en het onderhoud niet door verweerder wordt uitgevoerd maar door vergunninghouder, is er volgens verweerder geen reden om deze voorwaarde in de vergunning op te nemen. Wat hier verder ook van zij, de rechtbank is niet gebleken dat het voorkomen van schade aan de dam met duiker door onderhoud het belang van eiser raakt.

11. Het beroep van eiser op de toetsingscriteria in de beleidsregel slaagt niet.

12.1

Eiser voert verder nog aan dat verweerder niet heeft aangetoond noch heeft gemotiveerd hoe het bestreden besluit is getoetst aan het Waterbeheerplan Waterkoers 2016-2021, de (rest van de) beleidsregel en het Handboek Watertoetsproces.

12.2

In de verleende vergunning is vermeld dat verweerder de aanvraag heeft getoetst aan deze stukken. Dit is een onderdeel van de motivering. Het ligt vervolgens op de weg van eiser om concreet te maken aan welke regels niet is getoetst dan wel op welke punten de vergunning niet voldoet aan voornoemde stukken. Nu eiser zijn betoog niet nader heeft onderbouwd, kan het niet slagen.

13. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Nu het bestreden besluit niet onrechtmatig is, is er geen grond voor het toekennen van schadevergoeding en wordt het verzoek van eiser om schadevergoeding afgewezen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. E.M. van der Linde en mr. B. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.