Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:467

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
UTR 17/2441
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Belanghebbendheid. De rechtbank is van oordeel dat Uwv het bezwaar van de garantsteller van de eigenrisicodragende werkgever tegen het besluit over de WGA-uitkering terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Garantsteller is geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij een besluit over de WGA-uitkering. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de garantsteller in een procedure tegen een verhaalsbesluit dat aan hem is gericht in het door de rechtbank geschetste kader de toerekening van een uitkering aan de werkgever wél aan de orde kan stellen. Dit kader volgt uit de uitspraken van deze rechtbank van 1 februari 2018 in de beroepszaken over verhaalsbesluiten met zaaknummer UTR 16/4486 e.v.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/2441

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 februari 2018 in de zaak tussen

ASR Schadeverzekeringen N.V. (ASR), te Utrecht, eiseres

(gemachtigde: mr. G. van Zon),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigden: mr. F.J. Nojotaroeno en W.A. Postma).

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2017 (het primaire besluit) heeft Uwv [A] (werknemer) meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) niet wijzigt. Bij brief van 26 april 2017 heeft Uwv een kopie van het primaire besluit aan ASR gezonden.

Bij besluit van 11 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft Uwv het bezwaar van ASR niet-ontvankelijk verklaard.

ASR heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij beslissing van 23 augustus 2017 heeft de rechtbank, onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat de kennisneming van medische stukken in dit geding uitsluitend wordt toegestaan aan bovengenoemde gemachtigde van ASR.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2017. De rechtbank heeft tijdens de zitting het beroep gelijktijdig behandeld met veertien andere beroepen van ASR tegen besluiten van Uwv. Dertien beroepen hebben betrekking op zogenoemde verhaalsbesluiten (zaaknummers: UTR 16/4486, UTR 16/5846, UTR 16/5870, UTR 17/2395, UTR 17/2559, UTR 17/2679, UTR 17/1529, UTR 17/1651, UTR 17/625, UTR 17/2098,

UTR 17/947, UTR 17/1066 en UTR 17/1207). In het beroep met zaaknummer UTR 17/625, dat door de rechtbank als hoofdzaak is aangemerkt, is sprake van een beroep tegen dertien besluiten. De rechtbank heeft deze als afzonderlijke beroepen aangemerkt en geregistreerd onder afzonderlijke zaaknummers. Het onderhavige beroep en een tweede beroep

(UTR 17/2420), hebben betrekking op een uitkeringsbesluit. ASR heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, in aanwezigheid van [B] , werkzaam bij ASR. Ook zijn [C] , [D] , [E] en [F] , allen werkzaam bij ASR, verschenen. Uwv heeft zich in dit beroep laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, die werkzaam zijn bij Uwv Rotterdam en Uwv Utrecht, alsmede door

mr. [G] , werkzaam bij het Juridisch Kenniscentrum van Uwv Amsterdam.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten.

1.1

De werknemer was werkzaam voor [bedrijf] B.V. (de werkgever). De werknemer heeft zich per 11 april 2012 ziekgemeld voor zijn werk. Bij besluit van 24 april 2014 heeft Uwv de werknemer met ingang van 30 april 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Bij besluit van 24 april 2014 heeft Uwv de WGA-uitkering van de werknemer toegerekend aan de werkgever. Uwv heeft daarbij meegedeeld dat hij de WGA-uitkering betaalt en achteraf op de werkgever verhaalt.

1.3

De werkgever is op 5 april 2016 in staat van faillissement verklaard. In verband hiermee verhaalt Uwv per 1 mei 2016 de betaling van de WGA-uitkering op ASR als garantsteller. Op 17 augustus 2016 heeft de rechtsvoorgangster van ASR Uwv verzocht om een herbeoordeling te verrichten naar de arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

1.4

Vervolgens heeft Uwv de onder ‘Procesverloop’ vermelde besluiten genomen.

2. Bij het bestreden besluit heeft Uwv het bezwaar van ASR tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat ASR als garantsteller geen belanghebbende is bij een besluit over de uitkering waarvoor de werkgever als eigenrisicodrager het risico draagt. De garantsteller wordt volgens het Uwv door het uitkeringsbesluit niet rechtstreeks geraakt, ook niet wanneer de eigenrisicodragende werkgever niet meer bestaat. Het belang van de garantsteller loopt via de garantstellingsovereenkomst.

3. ASR voert aan dat zij wel belanghebbende is bij het besluit over de wijziging van de uitkering omdat dit - na het faillissement van de eigenrisicodragende werkgever - voor haar directe financiële gevolgen heeft. Het rechtstreekse belang blijkt ook uit artikel 84, vierde lid, van de Wet WIA. Als de eigenrisicodragende werkgever failliet is verklaard, betaalt het Uwv de uitkering aan de werknemer en verhaalt deze rechtstreeks op de garantsteller. Na faillissement van een werkgever heeft elk besluit over de hoogte of duur van de uitkering dus een rechtstreeks gevolg voor de garantsteller, aldus ASR.

4.1

De rechtbank is met Uwv van oordeel dat ASR geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.2

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In dit geval wordt, gelet op het bepaalde in artikel 84, vierde lid, van de Wet WIA, als gevolg van het faillissement van de werkgever de door het Uwv aan de werknemer betaalde WGA-uitkering verhaald op de garantsteller. Nu ASR de garantsteller van de failliete werkgever is, volgt de rechtbank ASR in zoverre in haar betoog dat een besluit over de WIA-uitkering van een werknemer voor ASR (mogelijk grote) financiële consequenties heeft. De rechtbank is van oordeel dat deze gevolgen echter voortvloeien uit de garantieverklaring van ASR jegens Uwv en het daarop gebaseerde verhaalsbesluit.

4.3

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat een werkgever als belanghebbende dient te worden aangemerkt bij uitkeringsbesluiten in het kader van de Wet WIA. De CRvB heeft hierbij een ruime uitleg gegeven aan het belanghebbende-begrip, hetgeen strookt met de wetsgeschiedenis (van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen), nu de wetgever reeds had bepaald dat (in elk geval een deel van) de werkgevers als belanghebbenden dienen te worden aangemerkt (Nota n.a.v. Verslag Wet Pemba, Kamerstukken II 1996/97, 24 698 nr. 9, p. 102). De rechtbank ziet echter in de wet, noch in de wetsgeschiedenis enig aanknopingspunt om ook de garantsteller ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen als belanghebbende in voornoemde zin aan te merken.

4.4

In het feit dat ASR voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het uitkeringsbesluit wordt uitgesloten van bestuursrechtelijke rechtsbescherming, ziet de rechtbank evenmin grond voor een ruimere uitleg van het belanghebbende-begrip. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat ASR in een procedure tegen een verhaalsbesluit dat aan haar is gericht in het door de rechtbank geschetste kader ook de toerekening van een WGA-uitkering aan de orde kan stellen. Dit volgt uit de uitspraken van deze rechtbank van 1 februari 2018 in de beroepszaken over verhaalsbesluiten, vermeld in de rubriek ‘Procesverloop’, die tegelijk met deze uitspraak zijn gedaan.

4.5

Gelet op het vorenstaande heeft Uwv het bezwaar van ASR terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5. Het beroep van ASR is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. M.J. Slootweg, leden, in aanwezigheid van mr. S.B.M. Vreeswijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.