Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4592

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
C-18-6858057- ME VERZ 18-86
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:4529
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderwijs, ontbinding, verwijtbaar handelen werkgever, samenloop transitievergoeding en bovenwettelijke uitkering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 6858057 ME VERZ 18-86

Beschikking van 25 september 2018

inzake

de stichting

STICHTING VOOR INTERCONFESSIONEEL VOORTGEZET ONDERWIJS HET BAKEN,

gevestigd te Almere,

verder ook te noemen Het Baken,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. W. Brussee,

tegen:

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. J.B.M. Swart.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, met producties 0 tot en met 16, ter griffie ingekomen op 26 april 2018;

  • -

    het verweerschrift met producties 1 tot en met 17;

  • -

    de op 22 juni 2018 door Het Baken toegezonden producties 16 (ter zitting aangemerkt als 16A) tot en met 22;

  • -

    de op 17 juli 2018 door [verweerster] toegezonden producties 18 tot en met 20.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 24 juli 2018. Namens Het Baken zijn [functie 1] [A] (verder ook te noemen [A] ) en [functie 2] [B] (verder ook te noemen [B] ) verschenen met de gemachtigde. [verweerster] is verschenen met haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.

1.3.

In vervolg op de zitting heeft [verweerster] een akte met producties 21 tot en met 29 in het geding gebracht, waarna Het Baken een antwoordakte heeft genomen.

1.4.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1957, is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd sinds 1 augustus 2007 in dienst van Het Baken als docent [schoolvak] . Zij is werkzaam op het [naam school] in [plaatsnaam 1] . Het Baken valt onder het bijzonder onderwijs.

2.2.

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het voortgezet onderwijs (hierna: de cao) van toepassing. In de CAO is, voor zover relevant, het volgende bepaald:

4.4.

Werkloosheidsuitkering

Bij gehele of gedeeltelijke werkloosheid heeft de (gewezen) werknemer, bedoeld in artikel 4.1, aanspraak op een uitkering ingevolge de WW indien hij voldoet aan de bepalingen van de WW, alsmede op een bovenwettelijke uitkering ingevolge het bepaalde in de bijlage sociale zekerheid deel Wovo, indien hij voldoet aan de bepalingen van die bijlage.

10.a.5. Opzegtermijn

1. In geval van opzegging nemen zowel de werkgever als de werknemer de volgende opzegtermijn in acht:

a. ten minste één maand indien het dienstverband zes maanden of minder heeft geduurd;

b. ten minste twee maanden indien het dienstverband meer dan zes maanden, doch minder dan twaalf maanden heeft geduurd;

c. ten minste drie maanden indien het dienstverband twaalf maanden of meer heeft geduurd.

bijlage 10.b.

“Zoals vastgelegd in het cao-akkoord 2016-1017, is de Wovo per 1 juli 2016 aangepast aan de gevolgen van de Wet werk en zekerheid:

(…)
- De Wovo is gesplitst in regelingen voor het openbaar en het bijzonder onderwijs. Met name de aansluitende uitkering, na afloop van de WW, is in de regeling voor het bijzonder onderwijs soberder dan bij het openbaar onderwijs. De reden daarvan is dat de werknemers in het bijzonder onderwijs naast de Wovo-uitkering vaak ook recht hebben op een transitievergoeding.

(…)

2.3.

De bovenwettelijke uitkering voor het bijzonder onderwijs is nader uitgewerkt in bijlage 10.b. van de cao.

2.4.

Het laatstgenoten brutoloon van [verweerster] bedraagt € 3.436,99 per maand. De arbeidsomvang van de functie bedraagt 0,8640 fte.

2.5.

[verweerster] is op 15 mei 2017 arbeidsongeschikt geraakt.

2.6.

In het inzetbaarheidsprofiel van 23 januari 2018 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat [verweerster] is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en met een overzichtelijk takenpakket, waarbij de prikkelinput wordt gedoseerd en met beperkte verantwoordelijkheden. Dit gedurende gemiddeld drie uur per dag en gemiddeld tien uur per week. Deze beperkingen zijn volgens de bedrijfsarts tijdelijk. Verwachting is dat de beperkingen in de komende, enkele maanden, volledig zullen afnemen. Opbouw van uren zou vanaf 29 januari 2018 moeten worden uitgebreid naar 13 uur per week. Daarna, aldus de bedrijfsarts, tijdcontingent opbouwen met elke twee weken, vier uur per week.

2.7.

Bij e-mail van 9 februari 2018 heeft [A] , die [verweerster] begeleidt bij haar re-integratie, het volgende aan [verweerster] bericht:

Zoals beloofd hierbij nog het overzicht van de te geven lessen komende week:

Maandag:

08.30 4

La.2 in lok B11

16.15

uur, G2 steunles [..] in B13

Dinsdag: 14.00 uur leerlingen uit G3 en G4 komen naar B13 toe om bij aan te geven of ze steunles willen hebben en zo ja voor welk onderdeel

Woensdag:

13.05-13.50 uur 4LA.4 in B15

15.30

uur tweede surveillant (samen met [C (voornaam)] ) voor de inhaaltoetsen in lokaal G17. [D (voornaam)] is daarbij ook aanwezig

Donderdag:

13.05-13.50 uur 4LA.3 in B14

13.50-14.35 uur 4LA.1 in B14

15.30

uur G2 steunles [....] in B15

Vrijdag 10.00 uur gesprek met mij

2.8.

Bij e-mail van 15 februari 2018 heeft [verweerster] onder andere het volgende aan [A] bericht:

In het kader van mijn reintegratie verzorg ik op donderdag de steun/bijles [....] voor aantal G2 leerlingen. Steun/ bijles [..] voor G2 leerlingen is daar bij gekomen. Dit om geleidelijk aan te wennen aan lesgevende activiteiten. Vrijdag 9 februari hebben wij een voortgangsgesprek gehad. Ik heb aangegeven dat ik wel ingeroosterd sta voor steunles [..] , maar dat er tot op heden geen leerlingen zijn verschenen. Ik ben vorige week en de week ervoor op maandag tevergeefs naar school gekomen. Heb aan jou gezegd tijdens gesprek niet goed hiermee om te kunnen gaan. Ik stel me in op geven van een ondersteunende les, maar dan zijn er geen leerlingen. Dit bevreemdt jou ook en zou dit gaan uitzoeken. (…) Voor deze week heb je me gevraagd ook de lessen [..] van [E (voornaam)] (die wegens zijn afwezigheid uitvallen) in twee G4 klassen te geven. Je zag aan mijn reactie dat ik van deze taak schrok, me hier zeker nog niet veilig in voel. (…) Ik heb jou gevraagd om dan voor mij het overzicht op mail te zetten. Ik heb aangegeven dat het voor mij belangrijk is dat het lokaalnummer klopt. Dit ter voorkoming van stress indien ik bij verkeerde lokaal zou staan. Jij hebt mij het overzicht van de activiteiten voor deze week per mail gestuurd. Ik kan je vertellen dat ik er toch wel heel erg tegenop zag om G 4 les te geven. Maar heb me hier maandag over heen willen zetten. Maar ik kan niet ontkennen dat ik erg nerveus voor de confrontatie was. Hoewel ik dit niet aan de leerlingen wilde laten merken natuurlijk! In het weekend heb ik mijn les goed voorbereid. Zoals reeds telefonisch aan jou doorgegeven heb ik maandagochtend van 8.25 uur tot 8.45 uur in opgegeven lokaal op leerlingen zitten wachten, maar niemand is verschenen. Heb vervolgens nog (met veel spanningsklachten hierdoor) in school lopen kijken of ik G 4 leerlingen heb zien staan in gang elders. Was niet het geval. Voelde niet goed en ben toen gauw naar huis gereden om op mijn thuisgelaten mobieltje te kijken op mail of ik me dan misschien had vergist in tijd en lokaal. Ging ineens erg aan mezelf twijfelen. Maar dit was niet het geval. Ik was op juiste tijd en plaats ( gelukkig...) In de middag wederom een teleurstelling. Ik was ingeroosterd voor steunles [..] G2. Was er op aangegeven tijd bij aangegeven lokaal. Ook daar niemand. Wederom voor niets naar school gekomen. Had een erg onplezierig gevoel over de dag. Dinsdag het (best wel intensieve) gesprek met de arbeidsdeskundige gehad. Om 13.00 uur dit gesprek. Om 14.00 uur uitv gesprek weggegaan omdat leerlingen van G3 en G4 zich hij mij zouden melden met een hulpvraag. Ik zou de vragen en aantal leerlingen inventariseren. Heb in lokaal zitten wachten, maar ook nu weer niemand! Voelde me ongemakkelijk. Leerlingen zien mij en zien mij zoeken...ik als suffe Pietje vragen aan leerlingen op de gang of ze in leerjaar 3 of 4 zitten. Dus wederom onverichterzake weg gegaan. Woensdag l’histoire se repete. Om 13.00 uur ga ik richting opgegeven lokaal B 15. Erg veel leerlingen op de gang. Is een heel druk hoekje. Kom ik bij lokaal zit klas al binnen. Met andere docent erbij. Ik weet niet wat ik er mee aan moet. Paniek! Zit ik in verkeerde lokaal? Heb ik me vergist? Is dit de klas waar ik les aan moet geven? Dat weet ik niet want ik weet niet welke leerlingen ik krijg. Waar zijn de leerlingen? Ben toen dichtgeklapt. Ik snapte er helemaal niets meer van. Voor de zoveelste keer zinloze actie. Ik voelde me zo belachelijk en falen. Is de taak wel serieus bedoeld? Leerlingen zagen dat ik gestresst was. Ben naar huis gereden en was uitgeput. Heb het als demotiverend ervaren dat er voor de zoveelste keer deze week iets fout is gegaan. Heb een slaap/kalmeringstablet genomen toen ik thuis kwam.

Al deze gebeurtenissen deze week hebben mij een emotionele terugval gegeven, voel me falen en hebben me weinig zeker gemaakt. Kan er nu dus ook niet van slapen en ben daarom vannacht maar deze mail aan je gaan schrijven. Ik heb tijd gestoken in lesvoorbereidingen, heb me toch moeten vermannen om les te gaan geven in bovenbouw, ook nog eens aan leerlingen die ik niet ken. En dit allemaal zonder enige opbreng, noch voor mij, noch voor school. Het leek me beter om dit alles ten behoeve van ons voortgangsgesprek naar je te mailen.

2.9.

[verweerster] is op 16 februari 2018 na een gesprek met [A] en [B] door Het Baken geschorst.

2.10.

Op de schorsing heeft [verweerster] schriftelijk gereageerd. Zij heeft daarbij haar visie gegeven op de gebeurtenissen in de week van 12 tot en met 16 februari 2018.

2.11.

Bij brief van 23 februari 2018 schrijft [B] het volgende aan [verweerster] :

Hierbij kom ik terug op de gang van zaken in week 7 van 2018. Tijdens het feitenonderzoek dat ik deze week heb laten verrichten ben ik op de volgende discrepanties gestuit in jouw verweer over je aanwezigheid op maandagmiddag 12 februari 2018:

• Leerlingen verklaren dat zij wel degelijk op maandag 12 februari om 16:15 uur in het aangegeven

lokaal aanwezig waren;

• Collega’s verklaren jouw niet op dat tijdstip te hebben gezien in lokaal B13, maar ook niet in de school;

• De inloggegevens van het computersysteem tonen aan dat er die middag niet foutief is ingelogd,

noch dat het wachtwoord op 12 februari 2018 verlopen was.

Ik wil graag van je vernemen of je gezien het bovenstaande blijft bij het feitenrelaas dat je mij dinsdag 20 februari hebt gegeven over jouw activiteiten op die maandagmiddag.

Verder geef je in je verweer aan dat je donderdag 15 februari een mail hebt ontvangen van [voornaam van A]

[A] met het verzoek om een les over te nemen. In de extra stukken die je hebt meegestuurd

ontbreekt deze mail. Graag ontvang ik deze mail zo spoedig mogelijk.

Vanwege het nog lopende feitenonderzoek verleng ik de schorsing met twee weken tot vrijdag 9 maart 2018.

Ik heb je vrijdagmiddag 23 februari 2018 telefonisch geïnformeerd over het feit dat wij nog enkele vragen aan je hebben en dat ik de schorsing met twee weken verleng. Je vroeg of je die vragen en het besluit tot verlenging van de schorsing ook op papier zou krijgen. Ik heb hierop bevestigd geantwoord, waarna jij aangaf zo voldoende te weten.

Tegen het schorsingsbesluit staat overigens beroep open bij de Commissie van Beroep voor het funderend onderwijs (Postbus [postbusnummer] , [postcode] [plaatsnaam 2] ).

2.12.

De bedrijfsarts heeft op 22 juni 2018 geoordeeld dat [verweerster] per 25 juni 2018 volledig arbeidsgeschikt is voor haar eigen werk, maar dat sprake is van belastende omstandigheden bij [verweerster] , die in onderling overleg met Het Baken opgelost moeten worden.

2.13.

[verweerster] heeft op 17 juli 2018 een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd.

3 Het verzoek

3.1.

Het Baken verzoekt, om bij beschikking:

I. de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden, primair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW en subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW;

II. voor recht te verklaren dat Het Baken aan [verweerster] geen transitievergoeding verschuldigd is;

III. rekening te houden met artikel 7:671b lid 8 sub b BW;

IV. [verweerster] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Aan haar verzoek legt Het Baken het volgende ten grondslag.

Er is sprake van verwijtbaar handelen, omdat [verweerster] niet verschenen is op haar les op

12 februari 2018 om 16.15 uur en het surveilleren op 14 februari 2018 om 15.30 uur. Zij heeft daardoor leerlingen gedupeerd. [verweerster] volhardt bovendien in leugenachtige stellingen over: haar aanwezigheid tijdens voornoemde steunles, het proberen in te loggen op haar account op 12 februari 2018, het aangesproken zijn over haar afwezigheid bij voornoemde steunles door [A] op 13 februari 2018, haar afwezigheid bij de inhaaltoets op woensdag 14 februari 15.30 uur en het ontvangen van een dankbetuiging van [A] over haar inzet. Daarnaast verwijt Het Baken [verweerster] dat zij geprobeerd heeft met een Whatsapp bericht aan een collega een alibi voor haar afwezigheid op 12 februari 16.15 uur te verschaffen. Het voorgaande maakt dat [verweerster] in zeer ernstige mate haar verplichtingen als docent en werknemer heeft veronachtzaamd.

Daarnaast is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding, omdat Het Baken niet meer weet of zij [verweerster] nog kan geloven. [verweerster] vertelt leugens en volhardt hierin, zelfs als Het Baken haar de ware toedracht voorhoudt.

[verweerster] heeft zich ernstig verwijtbaar gedragen, zodat geen transitievergoeding verschuldigd is. Als geen sprake mocht zijn van ernstig verwijtbare gedragingen, dan bestaat evenmin recht op een transitievergoeding, omdat in de toepasselijke CAO een gelijkwaardige voorziening in de zin van artikel 7:673b lid 1 BW is getroffen die de transitievergoeding ruim te boven gaat.

Bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient, gelet op het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] , geen rekening te worden gehouden met de opzegtermijn en de proceskosten dienen voor rekening van [verweerster] te komen.

4 Het verweer

4.1.

[verweerster] voert verweer. Zij betoogt primair dat geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat. Voor het geval de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden, verzoekt [verweerster] om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij beschikking:

Primair:

I. Het Baken niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken integraal af te wijzen, althans het verzochte te ontzeggen;

Subsidiair:

II. de opzegtermijn in acht te nemen;

III. een transitievergoeding toe te kennen van € 45.182,00 bruto;

IV. een billijke vergoeding toe te kennen van € 75.000,00 bruto;

Primair en subsidiair:

V. Het Baken te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten voor zover Het Baken deze niet binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking voldoet, een en ander tot het moment van algehele voldoening;

VI. Het Baken te veroordelen in de nakosten, welke worden begroot op € 131,00 te vermeerderen met € 68,00 in geval [verweerster] tot betekening van deze beschikking dient over te gaan.

4.2.

[verweerster] heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Als gevolg van haar ziekte kan [verweerster] , zelfs bij een geringe wijziging in haar rooster, chaotisch en paniekerig reageren. Bij te grote spanning en onzekerheid ervaart [verweerster] gevoelens van paniek en neigt zij tot hyperventilatie. Mogelijk maakt zij in dat geval onlogische keuzes. Verder haalt zij dingen door elkaar, vergist zij zich en kan zij feiten niet volledig juist duiden. Het Baken was van deze beperkingen op de hoogte. [verweerster] is evenwel zonder begeleiding vanaf 12 februari 2018 weer voor de klas gezet. Nergens blijkt uit dat [verweerster] leugenachtig heeft verklaard over de gebeurtenissen op 12 februari 2018 en 14 februari 2018. [verweerster] is op 12 februari 2018 wel degelijk aanwezig geweest op Het Baken. Op 14 februari 2018 is zij door de gebeurtenissen in de ochtend in paniek geraakt en heeft zij thuis kalmeringsmiddelen ingenomen. Als gevolg daarvan heeft zij haar wekker niet gehoord en is zij niet verschenen voor het surveilleren. Het Baken heeft [verweerster] , die dacht een regulier gesprek over haar re-integratie te hebben, op 16 februari 2018 totaal onvoorbereid met haar bevindingen geconfronteerd. Een feitenonderzoek naar de gebeurtenissen is achterwege gebleven. De reactie van Het Baken is overtrokken. Er is, zeker in het licht van de lopende re-integratie, geen sprake van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerster] . Er is hoogstens sprake van relatief kleine misstappen. Hoewel [verweerster] primair verzocht heeft om een afwijzing van het verzoek van Het Baken, heeft zij ter zitting medegedeeld niet meer terug te kunnen keren bij Het Baken, omdat Het Baken moedwillig een situatie heeft gecreëerd, waarin voortzetting van de arbeidsovereenkomst onmogelijk is gemaakt. [verweerster] is onterecht geschorst en Het Baken heeft op geen enkele manier naar een oplossing willen zoeken. Door de handelwijze van Het Baken is de re-integratie van [verweerster] gestopt en is sprake van een terugval in haar herstelproces. [verweerster] zal haar arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gedurende ziekte verliezen. Haar inkomen zal, ondanks de toekenning van een bovenwettelijke WW-uitkering, dalen en zij zal haar aanspraak op pensioen verliezen. Daarnaast wordt haar een blijvende promotie naar de LD-loonschaal onthouden. Verder zijn de kansen voor [verweerster] op de arbeidsmarkt, gelet op haar achtergrond, leeftijd en het reeds gestarte schooljaar beperkt. [verweerster] had normaliter tot haar pensioen bij Het Baken aan het werk kunnen blijven. Een billijke vergoeding van

€ 75.000,00 is gerechtvaardigd. Het Baken dient in de proceskosten, welke bij niet tijdige betaling dienen te worden vermeerderd met wettelijke rente, en de nakosten veroordeeld te worden.

5 De beoordeling

5.1.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van Het Baken is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op een van de in artikel 7:669, derde lid, BW genoemde redelijke gronden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst. Het tweede lid van 7:671b BW schrijft voor dat de kantonrechter moet onderzoeken of aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst is voldaan, en – daarmee – of deze redelijke grond de verzochte ontbinding kan dragen.

Opzegverbod

5.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is onderzocht of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt.

5.3.

Of sprake is van arbeidsongeschiktheid – zoals tussen partijen ter discussie staat - kan gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 6 BW in het midden blijven. Het verzoek houdt geen verband met de (eventuele) ziekte van [verweerster] . Het verzoek is immers gebaseerd op ernstig verwijtbaar handelen en een verstoorde arbeidsverhouding en staat derhalve los van de ongeschiktheid wegens ziekte.

Redelijke grond

5.4.

Het Baken verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst primair op grond van verwijtbaar handelen dan wel subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding.

5.5.

Het Baken heeft aan haar verzoek tot ontbinding de gebeurtenissen in de week van 12 februari 2018 tot en met 16 februari 2018 ten grondslag gelegd. Ter zitting heeft zij verklaard dat de overige gebeurtenissen die zij in het verzoekschrift en de pleitnota heeft vermeld, als achtergrondinformatie dienen bij de gebeurtenissen in voornoemde week. De kantonrechter zal dan ook slechts de gebeurtenissen in voornoemde week toetsen.

5.6.

In de week van 12 februari 2018 tot en met 16 februari 2018 waren door Het Baken aan [verweerster] een aantal taken opgedragen (zie 2.7). Het staat tussen partijen enkel ter discussie of [verweerster] de steunles van maandag 12 februari 16.15 uur gegeven heeft en of zij gelogen heeft over: haar aanwezigheid tijdens voornoemde steunles, het proberen in te loggen op haar account, het aangesproken zijn over haar afwezigheid door [A] op 13 februari 2018, haar afwezigheid bij de inhaaltoets op woensdag 14 februari 15.30 uur, het ontvangen van een dankbetuiging van [A] over haar inzet en het proberen om haarzelf met een Whatsapp bericht aan een collega een alibi voor haar afwezigheid op 12 februari 16.15 uur te verschaffen. Over de overige aan [verweerster] in de week van 12 februari 2018 tot en met 16 februari 2018 opgedragen taken is door Het Baken niet geklaagd.

5.7.

De kantonrechter is van oordeel dat [verweerster] niet verwijtbaar, laat staan ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

5.8.

Het Baken heeft gesteld dat [verweerster] op 12 februari 2018 niet verschenen is bij de steunles van 16.15 uur. Volgens Het Baken blijkt dit uit verklaringen van leerlingen, docenten en medewerkers van de balie/ receptie. Echter heeft Het Baken geen verklaringen overgelegd van leerlingen en medewerkers van de balie/receptie. De overgelegde ‘verklaringen’ betreft enkel een e-mailwisseling tussen [A] en [B] waarin gerefereerd wordt aan uitspraken van leerlingen en medewerkers. Weliswaar is ook een ‘verklaring’ van een docent, [F] , overgelegd, maar die verklaart niet uit eigen waarneming. De ‘verklaringen’ zijn daarnaast weinig gedetailleerd en sluiten niet uit dat [verweerster] , zoals zij gemotiveerd heeft betoogd, aanwezig is geweest op de betreffende maandagmiddag. Het had derhalve op de weg van Het Baken gelegen om haar stelling dat [verweerster] afwezig was nader te onderbouwen. Dit heeft zij nagelaten. Zo had Het Baken de personen waarvan [verweerster] heeft verklaard dat zij hen gezien heeft die middag op school kunnen benaderen en vragen om een verklaring, maar dat heeft Het Baken niet gedaan. Het wordt er derhalve voor gehouden dat [verweerster] op maandag 12 februari 2018 om 16.15 uur aanwezig is geweest, althans, dat sprake was van een communicatiestoornis over de les van 16.15 uur.

Dat [A] [verweerster] in een telefoongesprek op 13 februari 2018 op haar afwezigheid op maandag 12 februari 2018 om 16.15 heeft aangesproken is door [verweerster] gemotiveerd betwist en door Het Baken verder op geen enkele wijze onderbouwd. Dat [verweerster] heeft gelogen over dit telefoongesprek staat derhalve evenmin vast. Hetzelfde geldt ten aanzien van haar verklaring over haar afwezigheid op 14 februari 2018 om 15.30 uur. Ten aanzien van de afwezigheid zelf van [verweerster] op 14 februari 2018 om 15.30 uur wordt verder overwogen dat het voorstelbaar is dat [verweerster] - die in het kader van haar re-integratie structuur behoefde en niet goed kon omgaan met onverwachte situaties - door de gebeurtenissen op de ochtend van 14 februari 2018, die in dezelfde lijn lagen als de gebeurtenissen op 12 februari 2018 en in de weken daarvoor (zie 2.8), zodanig van slag is geraakt dat zij heeft gehandeld zoals zij dat heeft gedaan.

5.9.

[A] heeft niet meteen contact met [verweerster] gezocht toen hij – zoals door Het Baken is gesteld - constateerde dat zij niet verschenen was op de steunles op 12 februari 2018 om 16.15 uur en de inhaaltoets op 14 februari 15.30 uur. Dit had als haar begeleider wel op zijn weg gelegen. Het Baken heeft eerst aantoonbaar op de gebeurtenissen van

12 februari 2018 en 14 februari 2018 gereageerd op 16 februari 2018. Op die dag mocht [verweerster] een regulier begeleidingsgesprek met [A] verwachten. Zo stond dit immers in de planning vermeld (zie 2.7) en werd door [A] op verzoek van [verweerster] per Whatsapp van 15 februari 2018 nog eens bevestigd. Echter bleek dit gesprek bij aanvang geen begeleidingsgesprek. Het gesprek, waar voor [verweerster] volkomen onverwachts ook [B] aanwezig was, werd door Het Baken aangegrepen om [verweerster] met haar functioneren in de afgelopen week te confronteren en haar op non-actief te stellen. Zeker in het licht van de medische situatie van [verweerster] getuigt dit niet van goed werkgeverschap.

- communiceren met collega om een alibi te verschaffen

- Dat [verweerster] gepoogd heeft om in te loggen, blijkt eveneens niet leugenachtig uit de verklaring van ICT. Het kan immers zo zijn dat [verweerster] een onjuiste gebruikersnaam heeft ingetoetst.

5.10.

Het Baken heeft ook niet proportioneel gehandeld in vervolg op de gebeurtenissen van 12 februari 2018 en 14 februari 2018. [verweerster] was al ruim tien jaar in dienst van Het Baken en functioneerde – in ieder geval tot het aantreden van de nieuwe directie – naar volle tevredenheid van Het Baken. Daarnaast was zij al geruime tijd arbeidsongeschikt, was zij bezig met re-integreren en had zij te kampen met een bij het Baken bekende zeer moeilijke privé situatie. Het Baken heeft deze beperkingen en belangen van [verweerster] volstrekt onvoldoende betrokken bij haar handelwijze. Zelfs al zou [verweerster] al enig verwijt gemaakt kunnen worden van de gebeurtenissen in de week van 12 tot en met 16 februari 2018, dan had het op de weg van Het Baken gelegen om haar zorg hierover met [verweerster] direct te bespreken en haar gezien haar kwetsbare situatie meer begeleiding moeten bieden, eventueel in overleg met de bedrijfsarts. Dat heeft Het Baken echter niet gedaan. In tegendeel, Het Baken heeft een zware sanctie ingezet door [verweerster] op non-actief te stellen. Daarna heeft zij collega’s en leerlingen benaderd om haar verwijten aan het adres van [verweerster] te ondersteunen en heeft zij een verzoekschrift ingediend om de arbeidsrelatie te beëindigen. Als gevolg hiervan eindigde het re-integratietraject abrupt en ontstond er risico op stagnatie (of zelfs terugval) in het herstel van [verweerster] .

5.11.

Door te handelen zoals zij heeft gedaan, heeft Het Baken ervoor gezorgd dat de arbeidsverhouding zwaar onder druk kwam te staan. Hierna heeft Het Baken niets ondernomen de arbeidsverhouding te normaliseren. Het Baken heeft aangevoerd dat zij geen mediation heeft aangeboden, omdat dit geen zin had. [verweerster] zou volgens haar daar niet voor open staan. Ter onderbouwing heeft Het Baken verwezen naar het door haar overgelegde Plan van Aanpak van 18 december 2017. Echter geldt dat deze uitlating in het Plan van Aanpak niet ging over de gebeurtenissen in de week van 12 februari 2018, maar betrekking had op een eerder conflict tussen de [functie 2] en [verweerster] over een loonsverhoging. Het Baken heeft dus direct aangestuurd op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en heeft daarin volhardt. [verweerster] heeft ter zitting erkend dat een terugkeer bij Het Baken inmiddels niet meer mogelijk is. Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dat de arbeidsverhouding duurzaam en onherstelbaar verstoord is geraakt. Daarvan treft Het Baken een ernstig verwijt.

5.12.

Gelet op de wederzijds door partijen als verstoord ervaren arbeidsrelatie ligt herplaatsing van [verweerster] niet in de reden. Bovendien geldt dat partijen ook hebben verklaard dat er geen herplaatsingsmogelijkheden binnen Het Baken zijn voor [verweerster] . De kantonrechter zal daarom tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde verhouding overgaan.

Opzegtermijn

5.13.

Nu het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd, dient het einde van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald. De kantonrechter bepaalt dit einde op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 onder a zal, nu Het Baken ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, de behandelingsduur van het verzoek niet op de opzegtermijn in mindering worden gebracht. Op grond van artikel 10.a.5 lid 1 van de toepasselijke CAO bedraagt de opzegtermijn drie maanden. De arbeidsovereenkomst wordt dan ook ontbonden per 1 januari 2019.

Transitievergoeding

5.14.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien, kort gezegd, de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en op verzoek van de werkgever is ontbonden. Aan deze beide voorwaarden is voldaan. Nu verder geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] , is haar verzoek om te bepalen dat Het Baken aan haar een transitievergoeding verschuldigd is, op grond van de wet in beginsel toewijsbaar is.

5.15.

De transitievergoeding heeft als doel het bevorderen van de transitie van werk naar werk en het bieden van compensatie voor ontslag. Artikel 7:673b lid 1 BW bepaalt dat indien in een cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen, een transitievergoeding niet van toepassing is. Tussen partijen is in geschil of de Werkloosheidsregeling onderwijspersoneel voortgezet onderwijs (hierna: Wovo) als opgenomen in bijlage 10.b van de CAO aan te merken is als een gelijkwaardige voorziening. Als deze regeling als gelijkwaardig aan de transitievergoeding kan worden beschouwd, dan bestaat met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen geen recht op transitievergoeding.

5.16.

Bij de uitleg van een CAO bepaling komt het aan op de tekst van deze bepaling gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden en de kennelijke strekking van de regeling waartoe de bepaling behoort (vgl. Hoge Raad 15 april 2011 NJ 2011, 181 en HR 18 december 2015 JAR 2016, 39).

5.17.

In bijlage 10.b van de CAO is overwogen dat de Wovo is gesplitst in een regeling voor het openbaar en een regeling voor het bijzonder onderwijs. Tussen partijen is niet in geschil dat bij Het Baken sprake is van bijzonder onderwijs. De regeling voor het bijzonder onderwijs is soberder dan bij het openbaar onderwijs. De reden daarvan is, aldus de tekst van de CAO, dat de werknemers in het bijzonder onderwijs naast de Wovo-uitkering vaak ook recht hebben op een transitievergoeding. Uit de tekst van de CAO, die gezien de redactie de combinatie van een Wovo en een transitievergoeding mogelijk acht en waarbij bij de berekening van de bovenwettelijke uitkering met de hoogte van de transitievergoeding rekening is gehouden, vloeit naar het oordeel van de kantonrechter voort dat de Wovo niet als een gelijkwaardige voorziening heeft te gelden. Met dit oordeel kunnen de overige stellingen van partijen onbesproken blijven.

5.18.

Hieruit volgt dat [verweerster] op grond van artikel 7:673 BW recht heeft op een transitievergoeding ter hoogte van € 42.863,00.

Billijke vergoeding

5.19.

Ook ziet de kantonrechter aanleiding om aan [verweerster] een billijke vergoeding toe te kennen, nu de arbeidsverhouding tussen partijen verstoord is geraakt als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Het Baken.

5.20.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding – naar haar aard – in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (zie: Kamerstukken II 2013/2014, 33818, nr. 3, p. 32-34 en Kamerstukken II, 2013/2014, 33818, nr. 7, p. 91). Uit het New Hairstyle-arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187) volgt evenwel dat dit niet hoeft te betekenen dat de gevolgen van een beëindiging van het dienstverband bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding geen rol mogen spelen in een geval waarin de wet een werknemer een aanspraak geeft op zo'n vergoeding omdat de werkgever een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de reden dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. Bij de begroting van de billijke vergoeding komt het aan op alle omstandigheden van het geval. De kantonrechter dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid.

5.21.

Zoals hiervoor reeds is overwogen getuigt de wijze waarop Het Baken met [verweerster] is omgegaan van slecht werkgeverschap en is het handelen van Het Baken te kwalificeren als ernstig verwijtbaar handelen. Als gevolg van dit ernstig verwijtbaar handelen moet [verweerster] noodgedwongen op zoek gaan naar een andere baan. Voor de tijd dat deze zoektocht zal duren lijdt [verweerster] inkomensschade, waaronder pensioenschade, waarvoor zij gecompenseerd dient te worden. [verweerster] gaat er, gelet op haar leeftijd, gezondheidstoestand en de huidige arbeidsmarkt voor docenten [schoolvak] , vanuit dat zij tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd geen gelijke baan elders meer zal vinden. Dit is door Het Baken gemotiveerd betwist. Zij heeft gewezen op vacatures waar [verweerster] geschikt voor is. Dit betreffen evenwel geen vacatures voor functies voor onbepaalde tijd en kennen een kleinere arbeidsomvang dan [verweerster] bij Het Baken had. Echter heeft Het Baken ook – onbetwist – aangevoerd dat [verweerster] bevoegd is les te geven in het basisonderwijs. Het is algemeen bekend dat in het basisonderwijs, zeker in de grote steden, volop arbeidsmogelijkheden zijn, ook voor oudere werknemers zoals [verweerster] . Dat [verweerster] derhalve tot aan de pensioengerechtigde leeftijd geen werk elders meer zal vinden is niet aannemelijk. Daarnaast heeft [verweerster] onbetwist gelaten dat een baan in het basisonderwijs niet hoeft te leiden tot een terugval in inkomen. Gelet op deze omstandigheden gaat de kantonrechter er vanuit dat [verweerster] binnen twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst in staat moet zijn een nieuwe baan op gelijk salarisniveau te vinden. Gelet op de door partijen in het geding gebrachte aktes, gaat de kantonrechter er vanuit dat de inkomensschade in die periode, gelet op het SV loon van [verweerster] en het feit dat aan haar (zeer waarschijnlijk) een werkloosheidsuitkering en bovenwettelijke uitkering wordt toegekend, afgerond € 15.000,00 bruto bedraagt. Dit bedrag zal derhalve worden toegekend als zijnde de billijke vergoeding.

Proceskosten

5.22.

Gelet op de uitkomst van de procedure wordt Het Baken veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn. De nakosten, waarvan [verweerster] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

stelt Het Baken in de gelegenheid uiterlijk 9 oktober 2018 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

6.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2019;

6.3.

kent aan [verweerster] ten laste van Het Baken een transitievergoeding toe van €45.182,00 bruto en veroordeelt Het Baken tot betaling van deze vergoeding aan [verweerster] ;

6.4.

kent aan [verweerster] ten laste van Het Baken een billijke vergoeding toe van € 15.000,00 bruto en veroordeelt Het Baken tot betaling van deze vergoeding aan [verweerster] ;

6.5.

veroordeelt Het Baken in de proceskosten aan de zijde van [verweerster] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.6.

veroordeelt Het Baken, onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [verweerster] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 100,00 aan salaris gemachtigde,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

6.7.

wijst af het meer of anders verzochte;

6.8.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.J. Schoenaker, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 september 2018.