Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4589

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
6814810
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervalste reviews op vergelijkingssite voor opleidingen. Sprake van bedriegelijke handeling maar onvoldoende gesteld tzv causaal verband om ovk te vernietigen obv bedrog. Wel sprake van tekortkoming. Ontbinding ovk: waardevergoeding voor prestaties?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/639
RCR 2019/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Utrecht

Vonnis van 3 oktober 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 6814810 / UC EXPL 18-4142 van

1 [eiser sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eiser sub 1] ,
2. [eiseres sub 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eiseres sub 2] ,
eisers, hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud te noemen: [eiser sub 1] c.s.,
gemachtigde: mr. T.A.M. Heemstra,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door haar bestuurder: [X] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is een onderneming die zich (onder andere) bezighoudt met het verzorgen van opleidingen en trainingen.

2.2.

De onderneming [bedrijfsnaam] biedt op haar website www. [bedrijfsnaam] .nl een marktplaats/vergelijkingssite aan voor (zakelijke) trainingen en opleidingen. Cursisten kunnen bij iedere opleiding en/of opleider een review (beoordeling) achterlaten, die vervolgens op de website wordt getoond.

2.3.

Op de website van [bedrijfsnaam] wordt de post-HBO opleiding ‘ [naam opleiding] ’ van [gedaagde] aangeboden (hierna: de Opleiding). [gedaagde] heeft bij de (eigen) Opleiding onder een valse naam een achttal positieve reviews geplaatst.

2.4.

[eiser sub 1] c.s. heeft zich begin oktober 2017 ingeschreven voor de Opleiding. De kosten van de Opleiding (€ 3.630,00 per persoon) heeft hij aan [gedaagde] betaald.

2.5.

Op 12 oktober 2017 is [eiser sub 1] c.s. met de Opleiding gestart.

2.6.

Bij e-mail van 29 november 2017 heeft een cursist een veertiental klachten aan [gedaagde] geuit over de opzet en inhoud van de Opleiding. In deze e-mail, waarbij [eiser sub 1] c.s. in de ‘cc’ is gekopieerd, is (onder andere) het volgende geschreven:

(…) Inmiddels is een aantal cursisten reeds opgestapt wegens grote ontevredenheid en is dit schrijven een laatste poging van de resterende cursisten om alsnog een herstel van de te geven colleges door [aanduiding voor gedaagde] [de kantonrechter begrijpt: [gedaagde] ] te bewerkstelligen zodat de opleiding recht doet aan hetgeen in de brochure, op de website en in de syllabus vermeld staat. Met andere woorden wij willen [aanduiding voor gedaagde] nog een laatste kans geven om de opleiding zoals omschreven daadwerkelijk te geven. (…)”

2.7.

[gedaagde] heeft omstreeks december 2017 twee ‘reparatiecolleges’ gegeven, waaraan [eiser sub 1] c.s. heeft deelgenomen. Na deze colleges is [eiser sub 1] c.s. (voortijdig) met de Opleiding gestopt uit onvrede over de opzet, inhoud en kwaliteit daarvan.

3 Het geschil

3.1.

De kantonrechter begrijpt dat [eiser sub 1] c.s. primair vordert om voor recht te verklaren dat de overeenkomst nietig is, subsidiair vordert om de overeenkomst te vernietigen, en meer subsidiair vordert om de overeenkomst te ontbinden. Zowel primair, als subsidiair, als meer subsidiair vordert [eiser sub 1] c.s. bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 7.260,00 (2 x € 3.630,00) aan hoofdsom vermeerderd met rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten vermeerderd met rente.

3.2.

[eiser sub 1] c.s. legt – kort samengevat – aan zijn vordering ten grondslag dat de overeenkomst met [gedaagde] door bedrog tot stand is gekomen. [eiser sub 1] c.s. stelt zich op het standpunt dat hij zich op basis van de vervalste reviews voor de Opleiding heeft ingeschreven. Subsidiair beroept [eiser sub 1] c.s. zich op dwaling omdat de Opleiding niet voldeed aan de verwachtingen die [eiser sub 1] c.s. mocht hebben op basis van de vervalste reviews en op basis van de vooraf door [gedaagde] gegeven informatie. Meer subsidiair stelt [eiser sub 1] c.s. dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen en dat daarom de overeenkomst moet worden ontbonden.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser sub 1] c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat de overeenkomst moet worden aangetast vanwege (A) bedrog, (B) dwaling, of (C) een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. De kantonrechter zal deze onderwerpen hierna bespreken.

(A) Slaagt het beroep op bedrog?

4.2.

Voor een geslaagd beroep op bedrog is vereist: (i) een opzettelijk gedane onjuiste mededeling, een opzettelijk verzwijgen, of een andere opzettelijke kunstgreep, (ii) gericht op het bewegen van een ander tot het verrichten van een rechtshandeling, en (iii) een causaal verband tussen het bedrieglijk handelen en de totstandkoming van de overeenkomst.

De opzettelijke kunstgreep

4.3.

[gedaagde] heeft niet betwist dat zij onder een valse naam positieve reviews over zichzelf op [bedrijfsnaam] heeft geplaatst. Daarmee staat vast dat [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van een valse hoedanigheid en die handelwijze kwalificeert naar het oordeel van de kantonrechter als een kunstgreep in de zin van artikel 3:44 lid 3 BW.

4.4.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij wat heeft “geëxperimenteerd” met deze “vorm van reclame” en zij heeft niet betwist dat de reviews bewust met verschillende e-mailadressen zijn geplaatst om ontdekking te voorkomen. Hieruit kan niet anders worden afgeleid dan dat [gedaagde] opzettelijk de vervalste reviews heeft geplaatst met als doel om potentiële klanten (cursisten) te bewegen om zich in te schrijven voor de Opleiding. Daarmee is voldaan aan de eerste twee criteria als geformuleerd onder 4.2.

Het causale verband

4.5.

[eiser sub 1] c.s. heeft gesteld dat de (vervalste) positieve reviews doorslaggevend waren voor zijn keuze om zich in te schrijven voor de Opleiding. [gedaagde] heeft deze stelling gemotiveerd betwist door aan te voeren dat [eiser sub 1] c.s. zijn keuze niet slechts heeft gebaseerd op de reviews, maar – ook vanwege de hoge kosten van de Opleiding – voornamelijk op de cursusinformatie die op de website van [gedaagde] is weergegeven. Daarbij heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser sub 1] c.s. de Opleiding heeft geboekt op de website van [gedaagde] , terwijl de Opleiding op [bedrijfsnaam] goedkoper werd aangeboden. Indien [eiser sub 1] c.s. dus echt op basis van de reviews de Opleiding had geboekt, had hij dat wel via [bedrijfsnaam] gedaan, aldus [gedaagde] . Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van [eiser sub 1] c.s. gelegen om zijn standpunt nader te onderbouwen door bijvoorbeeld te stellen (i) hoeveel (vervalste) reviews hij heeft gelezen, (ii) of de vervalste reviews de meest recente reviews waren, (iii) of de reviews die wél authentiek waren positief of negatief waren, (iv) wat het klantwaarderingscijfer van [gedaagde] zou zijn geweest indien de vervalste reviews niet zouden zijn geplaatst, en/of (v) dat hij zich niet zou hebben ingeschreven voor de Opleiding indien hij de vervalste reviews niet zou hebben gelezen. [eiser sub 1] c.s. heeft echter nagelaten om zijn stelling (op enige wijze) nader te onderbouwen, zodat hij ter zake van het causale verband niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Aangezien het causale verband niet vast is komen te staan, betekent dat dat de primaire vordering van [eiser sub 1] c.s. wordt afgewezen en de overige verweren van [gedaagde] op dit punt geen verdere bespreking behoeven.

(B) Slaagt het beroep op dwaling?

4.6.

Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar (artikel 6:228 lid 1 BW). Voor een geslaagd beroep op dwaling is – net als ter zake van bedrog – een causaal verband vereist tussen de dwaling en het sluiten van de overeenkomst: indien er niet gedwaald was, zou de overeenkomst niet of onder andere voorwaarden tot stand zijn gekomen. Voor een geslaagd beroep op dwaling is dus vereist dat een partij bij de totstandkoming van de overeenkomst een verkeerde voorstelling van zaken had. Indien de schuldeiser bij de totstandkoming van de overeenkomst wél de juiste voorstelling van zaken had, maar de wederpartij zijn verplichtingen gedurende de uitvoering van de overeenkomst niet (tijdig/volledig) is nagekomen, is in beginsel dus geen sprake van dwaling (maar mogelijk wel van een tekortkoming, als bedoeld in artikel 6:74 BW).

4.7.

[eiser sub 1] c.s. heeft gesteld dat de overeenkomst door dwaling tot stand is gekomen omdat [gedaagde] reviews heeft vervalst. Zoals echter overwogen onder 4.5. is geen causaal verband tussen (het lezen van) de vervalste reviews en het sluiten van de overeenkomst vast komen te staan. Dat betekent dat een beroep op dwaling dat op deze feitelijke grondslag is gebaseerd, faalt.

4.8.

[eiser sub 1] c.s. heeft verder gesteld dat hij heeft gedwaald omdat hij bij de totstandkoming van de overeenkomst een onjuiste voorstelling had van (de opzet en inhoud van) de Opleiding. [gedaagde] heeft deze stelling betwist: de informatie uit de brochure gaf volgens haar wel een goed beeld van de Opleiding. Hoewel in de praktijk bepaalde onderdelen van de Opleiding niet (goed) of anders zijn uitgevoerd, was het de bedoeling om de Opleiding in lijn met de informatie uit de brochure en syllabus te geven, aldus [gedaagde] . Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van [eiser sub 1] c.s. gelegen om nader te onderbouwen dat hij bij de totstandkoming van de overeenkomst een onjuiste voorstelling van zaken had ter zake van de Opleiding, bijvoorbeeld door te stellen dat (i) het nooit de intentie van [gedaagde] is geweest om de Opleiding te laten voldoen aan de verwachtingen die in de brochure zijn gewekt, en/of (ii) dat ook in eerdere gevallen de Opleiding (in sterke mate) afweek van de informatie uit de brochure. [eiser sub 1] c.s. heeft zijn standpunt dat hij bij de totstandkoming een onjuiste voorstelling van zaken had echter niet nader onderbouwd, zodat hij op dit punt onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld. De kantonrechter volgt dit standpunt dus niet.

4.9.

Bij deze stand van zaken is niet vast komen te staan dat [eiser sub 1] c.s. ter zake van de overeenkomst heeft gedwaald en daarom wijst de kantonrechter ook de subsidiair gevorderde verklaring voor recht af. De overige verweren van [gedaagde] op dit punt behoeven geen verdere bespreking.

(C) Is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen?

4.10.

Indien een partij tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst, zoals bedoeld in artikel 6:74 BW, geeft die omstandigheid de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of beperkte betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 BW). De bevoegdheid om te ontbinden bestaat pas wanneer de schuldenaar in verzuim verkeert (artikel 6:265 lid 2 BW).

4.11.

[eiser sub 1] c.s. heeft gesteld dat de Opleiding op veertien punten niet voldeed aan de overeenkomst. [gedaagde] heeft twaalf van deze punten betwist, maar zij heeft niet weersproken dat (i) een college over ‘compliance’ is gegeven, terwijl dat een irrelevant onderwerp was én dit college ook niet als zodanig in de syllabus was omschreven, en (ii) in de syllabus was opgenomen dat sprake is van een ‘afgeronde opleiding’ en van verandermanagement ‘van start tot eind’, terwijl een belangrijk onderdeel daarvan (de implementatie van een veranderplan) in het geheel niet aan de orde is komen/zou komen. [gedaagde] heeft evenmin weersproken dat deze twee onderdelen onderdeel uitmaken van de overeenkomst, zodat voldoende vast staat dat [gedaagde] (in ieder geval) op deze twee punten tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. Omdat één enkele tekortkoming al ontbinding van de overeenkomst (kan) rechtvaardig(t)(en), kan vooralsnog in het midden blijven of [gedaagde] op de overige twaalf punten ook tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst.

4.12.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij niet door [eiser sub 1] c.s. in gebreke is gesteld en dat daarom niet kan worden ontbonden. [gedaagde] heeft echter niet betwist dat zij de e-mail van 27 november 2017 heeft ontvangen. In die e-mail is geschreven dat [gedaagde] een laatste kans krijgt om de tekortkomingen te verhelpen. Deze e-mail is weliswaar gestuurd door een andere cursist, maar uit de bewoordingen van de e-mail blijkt dat deze mede namens de ‘resterende cursisten’ is gestuurd. Aangezien [eiser sub 1] c.s. in de ‘cc’ is gekopieerd, volgt daaruit voldoende dat de e-mail ook namens hem is gestuurd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de kantonrechter dus niet in dat geen ingebrekestelling is gestuurd. Dit verweer faalt.

4.13.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat zij de tekortkomingen heeft verholpen omdat de cursisten ervoor konden kiezen om ofwel (i) twee extra ‘reparatiecolleges’ te volgen, ofwel (ii) een deel van het Opleidingsgeld terug te krijgen, ofwel (iii) een alternatief programma te volgen, ofwel (iv) instromen in een andere groep van dezelfde Opleiding. Uit de stellingen van partijen volgt dat [eiser sub 1] c.s. heeft ingestemd met deelname aan twee reparatiecolleges. [eiser sub 1] c.s. heeft echter gemotiveerd betwist dat met deze reparatiecolleges alsnog alle tekortkomingen zijn hersteld. In reactie op die betwisting heeft [gedaagde] niet gesteld dat zij alle tekortkomingen heeft verholpen. Sterker nog, [gedaagde] heeft een verklaring overgelegd van de kerndocent waarin staat: “de reparatiesessie is nooit bedoeld geweest om (…) de ontbrekende delen in te vullen. Afgesproken is dat dag 4 (…) volledig in het teken zou staan van een overzicht van een volledig veranderproces met voorbeelden uit de praktijk”. Uit deze verklaring kan worden afgeleid dat [gedaagde] met de reparatiesessies vooral beoogd heeft om één klacht (het ontbreken van praktijkvoorbeelden) te repareren, maar niet om de overige tekortkomingen (waaronder die als genoemd onder 4.11.) te herstellen. Dat betekent dat dit verweer niet slaagt.

4.14.

Tot slot heeft [gedaagde] aangevoerd dat de tekortkomingen te gering zijn om ontbinding te rechtvaardigen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien dat het ontbreken van de implementatiemodule en het geven van een college over compliance terwijl een ander onderwerp was afgesproken, op zichzelf, maar ook in onderling verband bezien als ‘te geringe’ tekortkomingen kwalificeren om ontbinding te rechtvaardigen. Van [gedaagde] had een nadere onderbouwing van dit verweer mogen worden verwacht, maar dat heeft zij nagelaten, zodat de kantonrechter aan dit verweer voorbij gaat.

4.15.

Gelet op het voorgaande staat vast dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. De kantonrechter ontbindt dan ook de tussen partijen gesloten overeenkomst, zoals meer subsidiair door [eiser sub 1] c.s. is gevorderd.

Gevolgen van de ontbinding

4.16.

Als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst ontstaan over en weer ongedaanmakingsverplichtingen. Dat betekent dat [gedaagde] in beginsel het betaalde opleidingsgeld aan [eiser sub 1] c.s. moet terugbetalen.

4.17.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat het niet eerlijk zou zijn indien [eiser sub 1] c.s., hoewel hij enkele colleges heeft gevolgd, daarvoor niet zou hoeven te betalen. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] een beroep doet op artikel 6:272 lid 1 BW, waarin staat dat als de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, een waardevergoeding daarvoor in de plaats treedt. Indien de prestatie niet aan de verbintenis heeft beantwoord, dan wordt de waarde van de vergoeding beperkt tot de waarde die de prestatie in de gegeven omstandigheden heeft gehad (artikel 6:272 lid 2 BW).

4.18.

Vast staat dat [eiser sub 1] c.s. in ieder geval acht colleges (waaronder twee reparatiecolleges) heeft gevolgd en dat die omstandigheid niet kan worden teruggedraaid. De aard van de door [gedaagde] geleverde prestatie sluit dus ongedaanmaking uit. Het staat echter ook vast dat de prestatie van [gedaagde] niet heeft beantwoord aan de verbintenis. Dat betekent dat [gedaagde] recht heeft op een vergoeding van de waarde die de prestatie voor [eiser sub 1] c.s. in de gegeven omstandigheden heeft gehad. Voor de waardebepaling is relevant of de overige twaalf tekortkomingen (klachten) waarop [eiser sub 1] c.s. zich heeft beroepen, ook vastgesteld kunnen worden. Indien dat het geval is, volgt daaruit immers dat de waarde van de prestatie lager is dan wanneer dat niet vastgesteld kan worden. De twaalf gestelde tekortkomingen heeft [eiser sub 1] c.s. op algemene wijze omschreven (zoals dat de link tussen theorie en praktijk miste, de opleiding als ‘los zand’ aan elkaar hing en de docenten niet goed waren voorbereid). [gedaagde] heeft deze klachten gemotiveerd betwist, onder andere door verklaringen van de betreffende docenten over te leggen. Gelet op deze gemotiveerde betwisting had van [eiser sub 1] c.s. verwacht mogen worden dat hij concrete feiten en omstandigheden zou stellen waaruit de tekortkomingen kunnen worden afgeleid, maar dat heeft hij nagelaten. De kantonrechter overweegt dan ook dat de overige twaalf tekortkomingen onvoldoende zijn onderbouwd. Dat betekent dat de kantonrechter ervan uitgaat dat tijdens de colleges in ieder geval enige (theoretische) kennisoverdracht heeft plaatsgevonden, waaraan een waarde gekoppeld moet worden. Echter, ook staat vast dat [eiser sub 1] c.s. geen opleidingscertificaat of een uitgewerkt veranderplan heeft gekregen (dat hij wel zou hebben gehad indien hij de Opleiding zou hebben voltooid). Hoewel het volgen van de colleges dus wel enige theoretische waarde voor [eiser sub 1] c.s. moet hebben gehad, was de praktische waarde daarvan voor hem niet groot. Gelet op deze omstandigheden begroot de kantonrechter de waarde van de door [gedaagde] geleverde prestaties op € 1.500,00 per persoon. Dit betekent dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 4.260,00 (€ 7.260,00 – € 3.000,00) moet terugbetalen aan [eiser sub 1] c.s.

Overige vorderingen

4.19.

[gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van de wettelijke rente over de hoofdsom en/of tegen de datum vanaf wanneer deze rente verschuldigd is. Deze vordering wordt dan ook toegewezen.

4.20.

[eiser sub 1] c.s. heeft vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Het versturen van een enkele sommatiebrief is in beginsel voldoende voor toewijzing van gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en onbetwist is dat [eiser sub 1] c.s. diverse sommatiebrieven aan [gedaagde] heeft gestuurd. Gelet op de hoogte van de toegewezen vordering, komt het gevorderde bedrag echter niet overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) genoemde tarief. De kantonrechter wijst deze vordering dan ook toe tot het in het Besluit genoemde tarief.

4.21.

[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De gevorderde rente over de proceskosten wordt ook toegewezen als hierna te bepalen. De kosten aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. worden als volgt begroot:

  • -

    dagvaarding € 103,81

  • -

    griffierechten 226,00

  • -

    salaris gemachtigde 500,00 (2 punten x tarief € 250,00)

Totaal € 829,81

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

ontbindt de tussen partijen gesloten overeenkomst;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 1] c.s. een bedrag van € 4.260,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2018 tot de datum van voldoening;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 1] c.s. een bedrag van € 551,00 te betalen aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, begroot op € 829,81, waaronder € 500,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de datum van voldoening indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na datum vonnis door [gedaagde] worden betaald;

5.5.

verklaart het onder 5.2. tot en met 5.4. bepaalde uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Leijten en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2018.