Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4521

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
7001336 UV EXPL 18-176 GS/1266
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Artikel 7:662 BW e.v. Wijziging arbeidsvoorwaarden van de bij de overgang betrokken werknemers – minder gunstige mobiliteitsregeling in plaats van (oude) leaseregeling – ten tijde en vanwege de overgang van onderneming is in strijd met de wet. Daarom geldt de mobiliteitsregeling tussen partijen niet. Evenzo de overgangsregeling, nu ook die regeling een wijziging van de arbeidsvoorwaarden betreft ten tijde en vanwege de overgang van onderneming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1058
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7001336 UV EXPL 18-176 GS/1266

Kort geding vonnis van 12 september 2018

inzake

1 de heer [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser sub 1] ,

2 de heer [eiser sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser sub 2] ,

3 de heer [eiser sub 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser sub 3] ,

4 de heer [eiser sub 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser sub 4] ,

5 de heer [eiser sub 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser sub 5] ,

verder tezamen ook te noemen Werknemers,

eisende partijen,

gemachtigde: mr. N.P.B. Schmeitz, advocaat te Utrecht,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. C.E. Bouma, advocaat te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 augustus 2018;

  • -

    de producties 1 tot en met 7 van [gedaagde] ;

  • -

    productie 22 van Werknemers;

  • -

    de mondelinge behandeling van 29 augustus 2018, waarvan aantekening is gehouden;

  • -

    de pleitnota van Werknemers;

  • -

    de wijziging van eis;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is een financiële dienstverlener, gespecialiseerd in vastgoedfinancieringsproducten. [gedaagde] financiert woningen en bedrijfsruimten of een combinatie daarvan bestemd voor de verhuur. Tot eind 2016 maakte [gedaagde] onderdeel uit van de [bank 1] Bank, een onderdeel van de Rabobank. De activiteiten van [gedaagde] waren toen ondergebracht bij de Rabo Vastgoedgroep N.V. (hierna: Rabo Vastgoedgroep). Per 29 december 2016 is de leningenportefeuille verstrekt onder de naam [gedaagde] afgesplitst van de [bank 1] Bank en zijn de activiteiten van [gedaagde] overgegaan naar [bank 2] B.V. (hierna: [bank 2] ). [gedaagde] maakte vanaf die datum onderdeel uit van [bank 2] . Op 1 januari 2018 zijn de organisatie en activiteiten van [gedaagde] weer van [bank 2] afgesplitst en gefuseerd in [gedaagde] . Vanaf 1 januari 2018 opereert [gedaagde] zelfstandig.

2.2.

[eiser sub 1] (geboren op [1966] ), [eiser sub 2] (geboren op [1966] ), [eiser sub 3] (geboren op [1979] ), [eiser sub 4] (geboren op [1967] ) en [eiser sub 5] (geboren op [1972] ) zijn tot 29 december 2016 bij Rabo Vastgoedgroep in dienst geweest. Als gevolg van de overgang van de activiteiten van [gedaagde] per 29 december 2016 naar [bank 2] zijn Werknemers per die datum in dienst getreden van [bank 2] . Vervolgens zijn Werknemers na afsplitsing van de organisatie en activiteiten van [gedaagde] van [bank 2] vanaf 1 januari 2018 in dienst van [gedaagde] ; [eiser sub 1] en [eiser sub 5] als Senior Taxateur, [eiser sub 2] en [eiser sub 4] als Taxateur C en [eiser sub 3] als Taxateur B. Werknemers zijn bij [gedaagde] werkzaam op de afdeling Asset Management & Valuations.

2.3.

De op Werknemers van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden zijn neergelegd in de CAO Rabo Vastgoedgroep 2013-2015 (hierna: de cao) en de daarbij behorende Personeelsregelingen. Deze arbeidsvoorwaarden zijn na zowel de overgang van Rabo Vastgoedgroep naar [bank 2] (per 29 december 2016) als die van [bank 2] naar [gedaagde] (per 1 januari 2018) mee overgegaan. In een brief van 15 december 2016 schrijven de algemeen directeur en directeur HR van [bank 2] Holding B.V. aan Werknemers onder meer: ”Omdat jij (…) in hoofdzaak werkzaam bent voor de [gedaagde] activiteiten die overgaan naar (…) [bank 2] , zal [bank 2] per 29 december 2016 jouw nieuwe werkgever worden. In beginsel gaan alle rechten en verplichtingen voortvloeiend uit jouw [gedaagde] -arbeidsovereenkomst van rechtswege over naar [bank 2] . Er zijn echter enkele uitzonderingen (…). Dit betreft de hypotheekrentekorting, de personeelskorting op verzekeringen en de variabele beloning.”. En bij brief van 1 december 2017 aan Werknemers schrijft [gedaagde] onder andere: ”Nu [gedaagde] de vergunning heeft ontvangen, wordt het origination deel van de organisatie (de [gedaagde] Business) afgesplitst van [bank 2] B.V. (…) en vervolgens gefuseerd met [gedaagde] . Het servicing deel van de organisatie blijft achter bij [bank 2] . (…) Dit betekent dat met ingang van 1 januari 2018 [gedaagde] (uiteindelijk) jouw nieuwe werkgever wordt. Doordat de afsplitsing en fusie beide kwalificeren als een overgang van onderneming, gaan in beginsel alle rechten en verplichtingen, voortvloeiend uit jouw arbeidsovereenkomst bij [bank 2] , van rechtswege over naar [gedaagde] . Hierbij blijft jouw datum van indiensttreding, salaris en arbeidsduur hetzelfde. (…) Er zijn twee arbeidsvoorwaarden die [gedaagde] niet kan bieden. (…) Het gaat om de personeelskorting op verzekeringen en de [bank 2] pensioenregeling.”.

2.4.

Op grond van de arbeidsovereenkomst hebben Werknemers recht op een leaseauto. De nadere voorwaarden waaronder de leaseauto ter beschikking wordt gesteld en de regels voor het gebruik daarvan zijn deels in de cao en deels in de Personeelsregelingen opgenomen. Deze in de cao en Personeelsregelingen opgenomen voorwaarden vormen tezamen de leaseregeling (hierna: Leaseregeling).

De regels voor het gebruik van de leaseauto worden onder meer vermeld in Bijlage A4 van de cao. In die bijlage is onder ”Toekenningsbeleid” onder meer opgenomen:

”Voorwaarden voor toekenning
De werkgever kan de medewerker een lease-auto ter beschikking stellen. In ieder geval is hiervoor een hoge mobiliteit vereist (…). De betreffende divisiedirecteur bepaalt of de functie of een bepaalde medewerker in aanmerking komt voor een lease-auto. Met een medewerker die in aanmerking komt voor een lease-auto, wordt een lease-overeenkomst gesloten waarop de voorwaarden uit de autolease van toepassing zijn.

Er vindt geen automatische vervanging plaats als de looptijd van de lease-overeenkomst is verstreken. Op basis van de richtlijnen van het lease beleid en de autolease regeling, die op dat moment gelden, beoordeelt de divisiedirecteur bij iedere aanvraag opnieuw of de medewerker in aanmerking komt voor een lease-auto.”

De Personeelsregelingen vermelden onder ”A8. Auto leaseregeling” onder andere:

”Algemeen

Met de medewerker die voor een leaseauto in aanmerking komt (…), wordt een overeenkomst gesloten, de 'Overeenkomst voor het gebruik van een leaseauto van Vastgoedgroep N.V.' Op deze overeenkomst zijn de bepalingen uit de auto leaseregeling van Rabo Vastgoedgroep, zoals deze nu of in de toekomst zullen gelden, van toepassing. In alle gevallen waarin deze overeenkomst niet voorziet, beslist het Hoofd Human Resources (Divisie).
(…)

Duur overeenkomst

Algemeen
De vermoedelijke geldigheidsduur van deze overeenkomst is gebaseerd op de jaarlijks door de medewerker af te leggen aantal kilometers en op de door de leasemaatschappij verstrekte gegevens over de meest economische looptijden van de verschillende merken auto’s. De auto zal normaal gesproken worden vervangen na vier jaar of bij een kilometerstand van 160.000 kilometer voor auto’s met een benzinemotor of 180.000 voor auto’s met een dieselmotor. Het vervangingsmoment is afhankelijk van welke grens het eerst wordt bereikt.

Beëindiging van de overeenkomst

Deze overeenkomst kan altijd met onmiddellijke ingang door Rabo Vastgoedgroep worden opgezegd en eindigt in ieder geval:
a. aan het einde van de geldigheidsduur van deze overeenkomst;
b. op het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen Rabo Vastgoedgroep en de medewerker – om welke reden
dan ook – wordt beëindigd;
(…)”

2.5.

Op 14 maart 2017 heeft [gedaagde] tijdens een medewerkersbijeenkomst haar toekomstplannen voor [gedaagde] aan Werknemers toegelicht. Tijdens die bijeenkomst is aan Werknemers bekendgemaakt dat zij, zodra de vergunning van de AFM is ontvangen, zullen gaan werken voor een zelfstandige [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit bij brief van 13 april 2017 aan Werknemers bevestigd.

2.6.

In een e-mail van 13 juni 2017 deelt [A] , HR Manager van [gedaagde] (hierna: [A] ), Werknemers mee:

”(…)

Dit bericht is verstuurd naar alle medewerkers die gebruik maken van een lease auto. Hierbij willen wij je

informeren dat er momenteel een bestelstop geldt. Dit betekent dat er geen nieuwe leaseauto’s besteld kunnen
worden. Indien jouw contractduur op korte termijn verstrijkt zal dit onder gelijk blijvende voorwaarden worden
verlengd. Indien dit niet mogelijk is zal een tijdelijke lease auto ingezet worden. [bank 2] zal je in dit geval ondersteunen.

We onderzoeken de mogelijkheden voor samenwerking met een andere carlease partner voor

[gedaagde] . We verwachten dit in Q4 af te ronden en je hier verder over te kunnen informeren. In verband met

besteltermijnen van nieuwe auto’s hebben we ervoor gekozen om dit niet meer via [bank 2] te laten lopen maar via

de nieuwe carlease partner.

(…)”

Daarnaast bericht [A] Werknemers bij e-mail van 7 december 2017:

”(…)

Momenteel maak jij gebruik van een leaseauto. Per 1 januari 2018 gaat [gedaagde] als zelfstandige onderneming verder. Als onderdeel van deze verzelfstandiging hebben we een nieuwe mobiliteit regeling ontwikkeld. Deze kun je vinden in de bijlage. Hieronder lees je een korte toelichting.

• Athlon Carlease is geselecteerd als samenwerkingspartner. Doorslaggevend in deze keuzen is hun service en

visie op mobiliteit. Daarnaast is het merendeel van de huidige lease vloot hier onder gebracht.

• Huidige contracten blijven van toepassing en wijzigen niet. Zodra je contract afloopt is deze regeling voor jou

van toepassing. Nieuwe aanvragen verlopen tevens volgens de nieuwe regeling.

• De keuzes in de regeling zijn gemaakt op basis van de grootte van de vloot, veiligheid en flexibiliteit van inzet

van auto’s en/of openbaar vervoer. Een van de gevolgen hiervan is dat je als medewerker minder keuzes hoeft

te maken. We faciliteren je uiteraard om op een representatieve en veilige manier je zakelijke reis af te leggen.

• Je ontvangt een nieuwe brandstofpas met aanvullende diensten zoals openbaar vervoer en parkeer faciliteiten.

(…)”

2.7.

Werknemers hebben [gedaagde] hierop aangegeven - [eiser sub 4] onder meer bij e-mail van 22 december 2017 - niet akkoord te gaan met de nieuwe leaseregeling en dat ook na afloop van de huidige leaseovereenkomst de oude leaseregeling, zoals opgenomen in de cao en Personeelsregelingen, onverminderd van toepassing blijft omdat vanwege overgang van de onderneming (eenzijdige) wijziging van de arbeidsvoorwaarden in beginsel niet is toegestaan.
[gedaagde] heeft Werknemers daarop bij e-mail van 15 januari 2018 een schriftelijke toelichting op de invoering van de nieuwe mobiliteit regeling (hierna: Mobiliteitsregeling) toegezonden. In deze toelichting stelt [gedaagde] onder meer:

”(…) Niet ten gevolge van de overgang van onderneming, maar wel vanwege het feit dat [gedaagde] een vele malen kleiner bedrijf is dan [bank 2] B.V., laat staan Rabo Vastgoed Groep, is besloten een nieuwe leaseregeling op te stellen. Bewust hebben wij er voor gekozen om in de nieuwe regeling minder keuzevrijheid te hebben, simpelweg omdat [gedaagde] een kleine onderneming is en dat het risico dat ”afwijkende” auto niet meer inzetbaar zijn groot is. Daarnaast vinden wij ook duurzaamheid, veiligheid, flexibiliteit en de uitstraling die wij als bedrijf willen hebben van wezenlijk belang.

Op 13 juni 2017 hebben we per e-mail een bestelstop aangekondigd waarbij tevens is aangegeven dat er in het vierde kwartaal van 2017 nadere communicatie zou volgen. In de e-mail van 7 december 2017 hebben wij jou dan ook hierover geïnformeerd.
(…)
[gedaagde] is van mening dat zij bevoegd was om deze Mobiliteit regeling eenzijdig te wijzigen. (…) het feit dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden en het feit dat het door ons gedane voorstel ons inziens alleszins redelijk is, maakt dat wij vinden dat aanvaarding hiervan in redelijkheid van de werknemers (lees: jou) kan worden gevergd. De gewijzigde omstandigheden zijn er – zoals hierboven ook al aangegeven – in gelegen dat wij een veel kleinere onderneming zijn dan de bedrijven waar je voorheen in dienst was, en dat wij het ons simpelweg niet kunnen veroorloven een enorm wagenpark aan te houden. Daarom is de keuzevrijheid beperkt. Daarmee ontstaat meer uniformiteit en overzicht en zijn we in staat de autovloot op een efficiënte manier in te zetten.
(…)
Wij hebben er bovendien bewust voor gekozen een overgangsregeling aan te houden, nu de werknemers van [gedaagde] hun huidige leasecontract gewoon kunnen uitdienen.
Tot slot menen wij dat wij jullie hier zorgvuldig en voldoende over hebben geïnformeerd.

Wij zijn dan ook van mening dat de Mobiliteit regeling op jou van toepassing wordt op het moment dat jouw oude leasecontract afloopt.”

Partijen hebben daarna nog gecorrespondeerd en standpunten uitgewisseld, maar zijn niet nader tot elkaar gekomen.

2.8.

[gedaagde] heeft de (reeds begin 2017 verlopen) leaseovereenkomsten van [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] verlengd tot 1 januari 2019. Het leasecontract van [eiser sub 1] heeft nog een looptijd van 28 maanden. Ook de leaseovereenkomst van [eiser sub 5] loopt nog. [eiser sub 2] heeft eind juni 2018 zijn leaseauto ingeleverd.

2.9.

[gedaagde] heeft voor Werknemers bij het UWV een ontslagvergunning wegens bedrijfseconomische redenen aangevraagd.

3 Het geschil

3.1.

Werknemers vorderen, na wijziging van eis, bij wege van voorlopige voorziening, kort gezegd de veroordeling van [gedaagde] om:

primair:

- aan Werknemers onder de gebruikelijke voorwaarden zoals opgenomen in de Leaseregeling een leaseauto te blijven verstrekken, ook nadat de huidige leasecontracten van Werknemers aflopen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag per eiser voor elke dag dat [gedaagde] nalatig zal zijn hieraan te voldoen;
- [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] in staat te stellen per direct een nieuwe leaseauto aan te vragen onder de Leaseregeling, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag;

en subsidiair, indien de kantonrechter van oordeel is dat [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] geen nieuwe leaseauto kunnen aanvragen onder de (oude) Leaseregeling:
- [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] met terugwerkende kracht financieel te compenseren voor het gemis van een (nieuwe) leaseauto, te weten [eiser sub 2] € 1.024,00 per maand vanaf juli 2018, [eiser sub 3] € 313,00 per maand vanaf augustus 2017 en [eiser sub 4] € 243,00 per maand vanaf 1 januari 2017;

alsmede primair en subsidiair de proceskosten te voldoen.

3.2.

Aan hun vordering leggen Werknemers kort samengevat ten grondslag dat het [gedaagde] niet is toegestaan eenzijdig de Mobiliteitsregeling van toepassing te verklaren. Werknemers stellen dat de Mobiliteitsregeling een wijziging van hun arbeidsvoorwaarden betreft, welke wijziging ten tijde van en ook vanwege de overgang van onderneming heeft plaatsgevonden, hetgeen volgens Werknemers in strijd is met de wet. Daarnaast stellen Werknemers dat deze wijziging in de arbeidsvoorwaarden een eenzijdige wijziging betreft zonder instemming van de werknemer. De arbeidsovereenkomst bevat echter geen eenzijdig wijzigingsbeding en van een gewijzigde omstandigheid is geen sprake, aldus Werknemers. Evenmin heeft [gedaagde] een zodanig zwaarwichtig belang bij wijziging van de arbeidsvoorwaarden dat het belang van Werknemers daarvoor moet wijken. Verder stellen Werknemers dat [gedaagde] een concrete toezegging heeft gedaan dat hun arbeidsvoorwaarden - waaronder de Leaseregeling - onverminderd van kracht zou blijven na de overgang naar [gedaagde] . Ten slotte stellen Werknemers zich op het standpunt dat van een redelijk voorstel door [gedaagde] geen sprake is omdat de Mobiliteitsregeling in alle opzichten een verslechtering is in vergelijking met de Leaseregeling.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Werknemers in hun vorderingen dan wel afwijzing daarvan, onder veroordeling van Werknemers in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat het spoedeisend belang aan de onderhavige vordering ontbreekt. Daartoe voert [gedaagde] aan dat het leasecontract met betrekking tot de bij [eiser sub 1] en [eiser sub 5] in gebruik zijnde auto over meer dan twee respectievelijk anderhalf jaar eindigt en dat het leasecontract van [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] eindigt per 31 december 2018. Daarnaast kan volgens [gedaagde] de vraag in wat voor auto je rijdt of van welk bouwjaar die auto is op zichzelf nimmer een spoedeisend belang opleveren.
Daartegenover menen Werknemers dat zij, mede gelet op de ontslagprocedure bij het UWV, wel degelijk een spoedeisend belang bij de onderhavige vordering hebben. Daarbij wijzen zij er op dat [gedaagde] iedere handreiking om tot een oplossing te komen heeft afgewezen en [gedaagde] , ondanks uitdrukkelijk protest van Werknemers, toch is overgegaan tot het aanpassen van hun arbeidsvoorwaarden.


Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat [gedaagde] op 13 juni 2017 per e-mail (een eerste) aankondiging heeft gedaan van wijzigingen in de Leaseregeling (mogelijke verandering van leasemaatschappij), op 7 december 2017 gevolgd door de mededeling per e-mail van de inwerkingtreding van de Mobiliteitsregeling. Over de wijziging van de Leaseregeling is in de tussenliggende periode geen overleg met Werknemers geweest. Partijen hebben weliswaar over de invoering van de Mobiliteitsregeling gecorrespondeerd na de e-mail van 7 december 2017, maar stukken waaruit blijkt dat zij in de periode van 13 juni 2017 tot begin december 2017 in gesprek zijn geweest over de door [gedaagde] voorgenomen wijziging van de arbeidsvoorwaarden zijn niet overgelegd. Werknemers betwisten ook dat dit het geval is geweest. [gedaagde] heeft ter zitting hierover enkel gesteld dat er één keer per week een meeting met de medewerkers is waar allerhande thema’s aan de orde komen, maar hieruit volgt geenszins dat dan ook in genoemde periode tijdens de wekelijkse meeting specifiek overleg over de wijziging van de Leaseregeling met Werknemers heeft plaatsgevonden. Vast staat dat [gedaagde] niet over een ondernemingsraad of enige andere personeelsvertegenwoordiging beschikt waarmee overleg zou kunnen worden gevoerd. Gelet op het ontbreken van overleg met Werknemers na de aankondiging van wijziging van de arbeidsvoorwaarden en de vergeefse pogingen van Werknemers om na de mededeling van inwerkingtreding van de Mobiliteitsregeling alsnog daarover in de na december 2017 volgende periode, tot de aankondiging van het kort geding op 20 juni 2018, tot overeenstemming met [gedaagde] te komen, is de kantonrechter van oordeel dat van Werknemers in de gegeven omstandigheden niet gevergd kan worden dat zij een bodemprocedure afwachten en derhalve spoedeisend belang hebben bij de door hen gevorderde voorziening. Het verweer ten aanzien van het spoedeisend belang wordt derhalve verworpen.

4.2.

Voor toewijzing van de voorlopige voorziening zoals door Werknemers wordt gevorderd, moet het in hoge mate waarschijnlijk zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de overgang van de activiteiten van [gedaagde] van Rabo Vastgoedgroep naar [bank 2] op 29 december 2016 en de daaropvolgende afsplitsing van de organisatie en activiteiten van [gedaagde] van [bank 2] per 1 januari 2018 moet worden aangemerkt als een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW. Dit betekent dat de rechten en verplichtingen die op de achtereenvolgende data voor respectievelijk Rabo Vastgoedgroep en [bank 2] voortvloeiden uit hun arbeidsovereenkomsten met [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] , [eiser sub 4] en [eiser sub 5] ingevolge artikel 7:663 BW van rechtswege op [gedaagde] zijn overgegaan.

4.4.

[gedaagde] stelt dat zij niet ten gevolge van de overgang van de onderneming, maar omdat zij een kleine onderneming is besloten heeft een nieuwe leaseregeling op te stellen, waarbij bewust is gekozen voor minder keuzevrijheid. Daarbij acht [gedaagde] duurzaamheid, veiligheid, flexibiliteit en de uitstraling die zij als bedrijf wil hebben van wezenlijk belang. [gedaagde] meent dat zij de tussen partijen gemaakte afspraken correct nakomt. Zij wijst er op dat in zowel de cao als in de Personeelsregeling expliciet is opgenomen dat bij beëindiging van het leasecontract de werkgever een volstrekt discretionaire bevoegdheid heeft om te bepalen of opnieuw een auto ter beschikking wordt gesteld respectievelijk de leaseovereenkomst altijd met onmiddellijke ingang kan worden opgezegd en in ieder geval eindigt aan het einde van de geldigheidsduur van de leaseovereenkomst. [gedaagde] stelt dat daaraan inherent is dat de werkgever dus ook mag bepalen dat een andere auto ter beschikking wordt gesteld. Ten slotte voert [gedaagde] aan dat de nieuwe Mobiliteitsregeling pas geldt nadat de huidige contracten zijn afgelopen.

4.5.

Uit de inhoud van de e-mails van [gedaagde] van 13 juni 2017 en 7 december 2017 kan, in onderling verband en samenhang gelezen, worden afgeleid dat de beslissing van [gedaagde] om de Leaseregeling te veranderen parellel loopt met haar beslissing om zelfstandig verder te gaan. Die gewijzigde regeling - de Mobiliteitsregeling - geldt ook vanaf 1 januari 2018, de datum van overgang van de onderneming. Weliswaar had de overgang van onderneming tot gevolg had dat [gedaagde] als zelfstandige onderneming (in aanvang) kleiner is dan [bank 2] en/of Rabo Vastgoedgroep, maar uit voormelde e-mails blijkt ook dat - anders dan [gedaagde] stelt - de wijziging van de Leaseregeling feitelijk een gevolg is van de overgang van onderneming. Voorts staat vast dat die wijziging van arbeidsvoorwaarden een versobering van het gebruik van leaseauto’s inhoudt en voor de werknemers in geval van eventuele beëindiging van de arbeidsovereenkomst wat betreft de leaseovereenkomst mogelijk nadelige financiële consequenties heeft.

4.6.

In de artikelen 7:662 e.v. BW worden de rechten van de werknemer bij overgang van onderneming geregeld. Deze artikelen vormen de implementatie in het Nederlands recht van de Europese richtlijn inzake het behoud van rechten van werknemers bij overgang van onderneming (EG-Richtlijn van 14 februari 1977, PbEG 5 maart 1977, L 61/26, later vervangen door Richtlijn 98/50 van 29 juni 1998, PbEG 17 juli 1998, L 201/88). Deze richtlijn heeft tot doel werknemers van een overgedragen onderneming het behoud te verzekeren van hun uit de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding voortvloeiende rechten. Deze bescherming is van openbare orde, zodat partijen er niet over kunnen beschikken, alsook van dwingend recht, zodat er niet in voor werknemers ongunstige zin van mag worden afgeweken. Het is aan de Nederlandse rechter om de artikelen 7:662 e.v. BW zoveel mogelijk in overeenstemming met inhoud en strekking van deze richtlijn, dus ‘richtlijnconform’, uit te leggen.

Het Europese Hof van Justitie heeft in een Deense zaak, bekend geworden onder de naam Daddy’s Dance Hall (zaak 324/86), in antwoord op gestelde prejudiciële vragen, overwogen dat bij een overgang betrokken werknemers niet kunnen afzien van de rechten die de richtlijn hun toekent en dat hun rechten niet mogen worden verminderd, óók niet met hun instemming (hetgeen Werknemers in het onderhavige geval uitdrukkelijk niet hebben gedaan). Het hof heeft in genoemde uitspraak weliswaar uit de omstandigheid dat de Europese richtlijn het recht op dit punt in de lidstaten slechts gedeeltelijk beoogt te harmoniseren, afgeleid dat, waar het nationale recht (zoals ook het Nederlandse) toelaat om in andere gevallen dan dat van overgang van onderneming de arbeidsverhouding in een voor werknemers ongunstige zin te wijzigen een dergelijke wijziging niet valt uit te sluiten op de enkele grond dat de onderneming is overgedragen. Het hof heeft in de Daddy’s Dance Hall-uitspraak beslist dat zo’n wijziging van de arbeidsverhouding voor de verkrijger (hier [gedaagde] ) mogelijk is binnen dezelfde grenzen als dat voor de vervreemder (hier [bank 2] ) mogelijk was geweest, echter - zo overwoog het hof - ‘met dien verstande (-) dat de overgang van de onderneming nooit op zich grond voor de wijziging kan opleveren’. Wanneer zich die uitzondering voordoet, is onderwerp van geschil geweest in de uitspraak van het EG Hof van Justitie van 6 november 2003 in de zaak Martin c.s./South Bank University (C-4/01; JAR 2003,297). Daarin heeft het hof overwogen dat de instemming van werknemers met minder gunstige arbeidsvoorwaarden (waarvan zoals gezegd bij Werknemers geen sprake is) dan waarop zij aanspraak hadden kunnen maken wanneer de overgang van de onderneming er niet was geweest, ongeldig is in het geval die wijziging verband houdt met de overgang. Dat laatste is ten aanzien van de Mobiliteitsregeling het geval. [gedaagde] heeft immers ten tijde en ook vanwege de overgang van onderneming de arbeidsvoorwaarden van de bij de overgang betrokken werknemers gewijzigd in de door haar gewenste, minder gunstige voorwaarden, de Mobiliteitsregeling. Ook de overgangsregeling waar [gedaagde] op wijst, eveneens ingegaan op 1 januari 2018, die inhoudt dat de Mobiliteitsregeling pas geldt nadat de huidige leasecontracten zijn afgelopen, betreft een wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten tijde en vanwege de overgang van onderneming. Het voorgaande leidt voorshands tot het oordeel dat de wijziging van de Leaseregeling in de Mobiliteitsregeling in strijd is met de wet. Dat [gedaagde] , zoals zij stelt, op grond van de (oude) Leaseregeling als werkgever de discretionaire bevoegdheid heeft om te bepalen of opnieuw een auto ter beschikking wordt gesteld en om de leaseovereenkomst op te zeggen, doet hier niet aan af.

4.7.

Uit het vorenoverwogene volgt dat hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht geen behandeling behoeft.

4.8.

Gelet op al het bovenstaande acht de kantonrechter het vooralsnog aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de op 1 januari 2018 inwerking getreden Mobiliteitsregeling tussen partijen niet geldt. Hieruit volgt dat de (primair) gevorderde voorziening toewijsbaar is, met uitzondering van het gevorderde blijven verstrekken van een leaseauto ook nadat de huidige leasecontracten van Werknemers aflopen nu in de (oude) Leaseregeling onder meer de mogelijkheid is opgenomen dat geen automatische vervanging plaatsvindt als de looptijd van de leaseovereenkomst is verstreken. De daarbij gevorderde dwangsommen zullen tot een totaalbedrag van maximaal € 10.000,00 worden toegewezen.

4.9.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De proceskosten aan de zijde van Werknemers worden begroot op:

- dagvaarding € 98,01
- griffierecht € 79,00
- salaris gemachtigde € 600,00

Totaal € 777,01

5 De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Werknemers onder de gebruikelijke voorwaarden, zoals opgenomen in de Leaseregeling, een leaseauto te blijven verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag tot een maximum van € 10.000,00 per eiser voor elke dag dat [gedaagde] nalatig zal zijn aan deze veroordeling te voldoen;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] in staat te stellen per direct een nieuwe leaseauto aan te vragen onder de Leaseregeling zodat zij niet de datum van 1 januari 2019 hoeven af te wachten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag tot een maximum van € 10.000,00 voor elke dag dat [gedaagde] nalatig zal zijn aan deze veroordeling te voldoen;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Werknemers, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 777,01, waarin begrepen € 600,00 aan salaris gemachtigde;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 september 2018.