Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4501

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
16/705781-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 37-jarige man uit Woudenberg heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval in Renswoude in 2013. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de man tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. Daarnaast krijgt hij een voorwaardelijke rijontzegging van 1 jaar opgelegd.

De verdachte zat op de bewuste nacht met twee vrienden in de auto. Ondanks dat hij eerder die avond alcohol had gedronken, is hij toch gaan rijden. Hij is de macht over het stuur verloren, waarna de auto uiteindelijk met veel kracht tegen een boom is gebotst. De 24-jarige Edenaar die op de achterbank zat is als gevolg daarvan overleden. De verdachte heeft de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan, zoals ook bleek uit de slachtofferverklaring die tijdens de zitting werd voorgelezen.

In deze zaak is in eerste instantie een man uit Leusden vervolgd. Daarin stond de vraag centraal of de man uit Leusden reed, of dat hij bijrijder was. Hij is in 2016 door de rechtbank vrijgesproken, onder andere omdat op camerabeelden van een benzinestation te zien was dat hij ongeveer 7 minuten voor het ongeval op de bijrijderstoel zat. De man uit Leusden heeft altijd ontkend en vanaf het begin verklaard dat de man uit Woudenberg reed. Die heeft op zijn beurt altijd verklaard zich niets te herinneren. De rechtbank vindt de verklaring van de man uit Leusden geloofwaardig, die bovendien steun vindt in de camerabeelden van een benzinestation. Daarnaast is er onderzoek gedaan naar broekvezelsporen van de man uit Woudenberg op de versnellingspook. De inzittenden zijn na de botsing naar rechts uit de auto geslingerd. Als de man uit Woudenberg op de bijrijderstoel had gezeten zou hij de versnellingspook helemaal niet geraakt hebben.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf in forse mate rekening met het tijdsverloop. De strafzaak heeft – omdat eerst een andere persoon werd verdacht – bijna 5 jaar geduurd. Toch legt de rechtbank vanwege de ernst en de gevolgen van het feit een hogere straf op dan is geëist door de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0757
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/705781-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 september 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

Geboren op [1981] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] te [woonplaats].

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 september 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N.M. van Collenburg en van hetgeen verdachte en mr. X.B. Sijmons, advocaat te Amersfoort, alsmede de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 14 september 2013 te Renswoude als bestuurder van een personenauto op de openbare weg

Feit 1: primair: terwijl hij onder invloed was van alcohol, zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden, waarbij een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan passagier [slachtoffer] is overleden;

subsidiair: na voorafgaand gebruik van alcohol zodanig onvoorzichtig heeft gereden dat gevaar op die weg werd veroorzaakt dan wel kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd of kon worden gehinderd, ten gevolge waarvan een verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

Feit 2: heeft gereden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat zijn alcoholgehalte na onderzoek 1,03 milligram alcohol per liter bloed bleek te zijn.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Ten eerste volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte de bestuurder is geweest van de personenauto ten tijde van het ongeval. Ten tweede heeft hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden door na overmatig gebruik van alcohol te gaan rijden en daarbij zonder reden de macht over het stuur te verliezen. Hij heeft daarmee aanmerkelijke schuld aan het ongeval, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Er is derhalve sprake van dubbele causaliteit.

Het onder 2 ten laste gelegde acht de officier van justitie gelet op het voorgaande eveneens wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft hij daartoe het volgende aangevoerd.

Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de bestuurder was van de auto op het moment van het ongeval. Er zijn redenen om de verklaring van [getuige 1] niet betrouwbaar te achten. Het letsel aan de rechterzijde van zijn lichaam past niet bij het scenario dat hij op de bestuurdersstoel heeft gezeten. Daarnaast zijn de aangetroffen sporen op de versnellingspook mogelijk van een andere bron dan de spijkerbroek van de verdachte en de sporen op de spijkerbroek van de verdachte andersom mogelijk van een andere bron dan de versnellingspook. Bovendien is het scenario dat tussen de tankbeurt bij Shell en het ongeval een bestuurderswissel heeft plaatsgevonden, aannemelijk.

Indien de rechtbank anders oordeelt, heeft de raadsman zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte niet in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig of onoplettend heeft gehandeld. Immers is de oorzaak van het ongeval niet uit het dossier gebleken. Uit het enkele feit verdachte onder invloed was, kan niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat het ongeval daardoor is veroorzaakt.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, omdat de feitelijke toedracht van het ongeval niet is komen vast te staan, ook de schuldvraag niet kan worden beantwoord.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feit 1 primair en feit 2

Wat is er gebeurd? 1

Op 14 september 2013 kwam verbalisant [verbalisant 1] omstreeks 02:35 uur ter plaatse bij het ongeval op de provinciale weg2 Arnhemseweg te Renswoude. Hij kwam vanaf De Klomp in de richting van Renswoude en zag ter plaatse een Rover in de berm aan de linkerkant van de weg. Hij zag dat er twee personen bij de Rover liepen met een bebloed voorhoofd. Deze bleken later te zijn [verdachte] en [getuige 1]. In de Rover zag hij een persoon zitten, die met zijn onderlichaam was bekneld achter in de Rover.3

Hij zag dat [verdachte] bloeddoorlopen ogen had en sterk riekte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. Hij hoorde [getuige 1] zeggen dat [verdachte] reed en de macht over het stuur verloor toen hij de wegversmalling passeerde.4

Verbalisant [verbalisant 2] kwam om 02:37 uur ter plaatse en zag dat het kenteken van het voertuig [kenteken] betrof.5 Hij hoorde de ambulancemedewerker zeggen dat het slachtoffer in de auto overleden was.6 [verbalisant 2] vond in de linker broekzak van het slachtoffer een rijbewijs op naam van [slachtoffer]. Hij zag dat de overledene qua uiterlijk overeen kwam met de foto op het rijbewijs.7

Uit de akte van overlijden blijkt dat [slachtoffer], geboren [1989] te [geboorteplaats], op 14 september 2013 is overleden.8 Op 14 september 2013 werd een lijkschouw verricht aan de overledene.9 Vastgesteld werd dat hij niet op natuurlijke wijze is overleden als gevolg van een ongeval.10

Op 14 september 2013 omstreeks 03:20 uur was verbalisant [verbalisant 3] bij het ziekenhuis in Ede om toezicht te houden op verdachte.11 Omstreeks 04:40 uur heeft [verbalisant 3] aan verdachte gevraagd of hij vrijwillig mee wilde werken aan een bloedafname. Hij hoorde dat verdachte “ja” mompelde. Omstreeks 04:51 uur is door de arts bloed van de verdachte afgenomen.12 Van de bloedafname op voornoemd tijdstip is door de arts ten behoeve van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) een verklaring opgesteld. Het NFI heeft hieraan het zaaknummer NFI 2013.09.18.029 toegekend.13

Op 17 september 2013 werd op het NFI ontvangen een bloedblok voorzien van buisjes bloed van bloedgever [verdachte], geboren [1981]. Uit het bloedalcoholrapport met zaaknummer NFI 2013.09.18.029 volgt dat het resultaat van de analyse, na aftrek van de wettelijk voorgeschreven correctie, 1,03 milligram per milliliter bloed bedroeg.14

Verbalisant [verbalisant 4] heeft op 14 september 2013 geassisteerd bij de afwikkeling van het verkeersongeval, waarbij de Rover met kenteken [kenteken] betrokken was.15 In zijn interpretatie van de aangetroffen sporen en zijn analyse van het verkeersongeval beschrijft hij – zakelijk weergegeven – het volgende.

Gezien de door de verbalisant in de linker tussenberm aangetroffen schuifsporen, is de Rover vanuit de richting De Klomp aan komen rijden, gaande in de richting van Renswoude. Gezien de schade aan de voorzijde van de Rover en het verloop van twee schuifsporen is de Rover in de linker tussenberm in botsing gekomen met een daar staande paal met verkeersbord. Gezien het verloop van een ander schuifspoor, de schade aan de Rover rechtsachter en de schade aan de boom, is de Rover met de rechter achterzijde tegen de boom geslagen. Daarna draaide het voertuig abrupt met de achterzijde naar links, om vervolgens links van het fietspad tot stilstand te komen.16

Wie was de bestuurder?

Verbalisant [verbalisant 1] heeft op de plaats van het ongeval op 14 september 2013 aan [getuige 1] gevraagd wie er reed. [getuige 1] verklaarde dat [verdachte] reed.17 [verbalisant 1] zag dat [verdachte] een blauwe spijkerbroek en een donkergrijs T-shirt droeg.18 Hij zag dat [getuige 1] een blauwe spijkerbroek en een wit T-shirt droeg.19

Op 15 september 2013 was verbalisant [verbalisant 5] bij het Shell tankstation ‘Bloemheuvel’ te Woudenberg. Hij bekeek daar de opnamebeelden van zaterdag 14 september 2013. Om 02:13.18 uur zag hij een personenauto voorzien van het kenteken [kenteken] het terrein oprijden. Om 02:14.13 uur zag hij een man, onder andere gekleed in een grijs T-shirt uitstappen als bestuurder. Tevens zag hij op dit tijdstip een tweede persoon staan, onder andere gekleed met een wit T-shirt.20 Om 02:21.34 zag hij de voornoemde personenauto vertrekken. Aan de passagierszijde zag hij een man zitten met een wit T-shirt. Hij hoorde zijn collega [verbalisant 6] zeggen dat hij de bijrijder herkende als zijnde de later aangehouden verdachte [getuige 1].21

Uit de eerste verkeersongeval analyse van [verbalisant 4] blijkt – zakelijk weergegeven – dat dat het rechter portier van de Rover geheel open stond.22 Daarnaast blijkt dat het voertuig, bij de botsing met de boom, met de achterzijde in een draaiende beweging naar rechts heeft gezeten.23

Uit de later uitgevoerde verkeersongeval analyse van [verbalisant 7], blijkt – zakelijk weergegeven – dat de inzittenden in de positie waar het voertuig met de rechter achterzijde tegen de boom botste, een tegengestelde kracht hadden moeten leveren om op de plaats te kunnen blijven zitten. De botskracht is te groot voor de inzittenden om dat met spierkracht te doen. Beide inzittenden bewegen onvermijdelijk, relatief ten opzichte van het voertuig, naar ‘rechts/rechtsachter’.24 Uit de schade aan het bijrijdersportier kan worden afgeleid dat het zeer goed mogelijk is dat deze openviel op het moment van, of direct na, de botsing met de boom.25 Vanaf dit moment konden de inzittenden via het bijrijdersportier uit het voertuig worden geslingerd.26

Uit de verklaringen van de getuigen van het ongeval blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende.

[getuige 2] fietste op 14 september 2013 met [getuige 3] ongeveer vijftig meter van de Renswoudseweg vandaan. Zij hoorden een harde klap en zijn snel naar de plek gefietst waar de klap vandaan kwam. Zij zagen een auto in de berm liggen en zagen dat er twee personen waren uitgestapt, deze liepen verdwaasd rond.27

[getuige 3] heeft verklaard dat hij op 14 september 2013 met [getuige 2] ongeveer vijftig meter voor de Renswoudseweg fietste. Hij hoorde een harde klap en is in de richting van de Arnhemseweg gefietst. Hij zag een auto in de berm liggen. Hij zag dat er een man naast de auto stond en aan het hijgen was. Hij zag nog een man naast de auto staan.28

Uit het vezelonderzoek, uitgevoerd door Eurofins, blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende. Er is een positief verband aangetroffen voor wat betreft kunststofcoating sporen tussen de rechter voorkant van de broekspijp van de spijkerbroek van verdachte en de linker (bestuurders) zijde van de knop van de versnellingspook. De informatie met betrekking tot de waarschijnlijke naar rechts zijwaartse beweging van het voertuig tijdens het incident, is meegewogen. Het is redelijk om aan te nemen, gezien de locatie van de voorwerpen en de beweging van het voertuig, dat het rechterbeen van de bestuurder van het voertuig waarschijnlijk contact met veel energie heeft gehad met de knop van de versnellingspook. Het voorgaande wordt als een significante forensische bevinding beschouwd.29

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank staat ten eerste voor beantwoording van de vraag of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte degene is die heeft gereden.

Indien dit antwoord bevestigend luidt, dient zij voorts de vraag te beantwoorden of de ten laste gelegde schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Daderschap

De rechtbank acht de verklaring van mede inzittende (en later medeverdachte) [getuige 1] dat [verdachte] de bestuurder was van de auto, voldoende betrouwbaar om te gebruiken als bewijs. Het dossier geeft daartoe voldoende aanleiding. De rechtbank hecht eraan dat hij dit ter plaatste, direct na het ongeval, heeft verklaard ten overstaan van verbalisant [verbalisant 2] en vervolgens op dit punt consistent is geweest in zijn verklaringen bij de politie.

De betrouwbaarheid van deze verklaring vindt bovendien ondersteuning in het dossier gelet op de camerabeelden van het Shell tankstation die vlak voor het ongeval zijn gemaakt.

De rechtbank is op basis van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte degene is die ten tijde van het ongeval de bestuurder van de auto was.

De rechtbank gaat er, op basis van de bewijsmiddelen, vanuit dat inzittenden na de botsing van de auto tegen de boom een (ten opzichte van de auto) relatieve beweging met hoge impact naar rechts hebben gemaakt. Het kan naar het oordeel van de rechtbank daarom ook niet anders dan dat verdachte op de bestuurdersstoel zat, nu op de versnellingspook vezelsporen van zijn broek zijn aangetroffen. Indien verdachte op de bijrijdersstoel had gezeten, had hij de versnellingspook in de naar rechts gaande beweging in zijn geheel niet geraakt.

De hiervoor vermelde beweging naar rechts, tezamen met het feit dat het hoogst waarschijnlijk is dat [getuige 1] daardoor uit de auto is geslingerd, maakt het letsel van verdachte aan de rechterzijde van zijn lichaam verklaarbaar. Nu [getuige 1] de rechterkant van de auto niet meer blokkeerde, acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte in de hevige beweging naar rechts niet alleen met zijn rechterzijde de versnellingspook heeft geraakt, maar daarmee ook (hard) tegen de binnenkant van het rechter voorportier aan is gekomen.

De rechtbank acht de mogelijkheid van een bestuurderswissel onaannemelijk. Het dossier biedt hiervoor geen aanknopingspunten; niet is gebleken van een aanleiding die zou hebben geleid tot het besluit om te wisselen van bestuurder. Daar komt nog het korte tijdsbestek bij tussen het wegrijden bij het tankstation en het ongeval. Om 02:21.34 uur rijdt de auto weg bij het tankstation en om 02.29 uur ontvangt verbalisant [verbalisant 8] de melding van de meldkamer Utrecht om te gaan naar de plaats van het ongeval.30 De verbalisanten hebben dezelfde afstand met hun dienstvoertuig afgelegd en legden deze afstand, met een normale snelheid, af in 7 minuten en 10 seconden31. Een bestuurderswissel in de korte tijd tussen 2:21 en 2:29 uur is op zich niet logisch. Dat de auto de afstand van het tankstation tot de plaats van het ongeval heeft afgelegd in die korte tijd, terwijl ook nog een tussenstop zou zijn gemaakt, is naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval onaannemelijk.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte de bestuurder was van de Rover tijdens het ongeval op de Arnhemseweg te Renswoude op 14 september 2018.

Schuldvraag

Om tot een veroordeling voor artikel 6 WVW te kunnen komen, is vereist dat verdachte schuld heeft aan de aanrijding, hetgeen hier is ten laste gelegd als het zich zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend gedragen. Gelet op het standaardarrest van de Hoge Raad van 1 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO5822) zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarbij kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Verdachte wordt verweten dat hij d heeft gereden nadat hij alcohol had gebruikt en dat hij op de Arnhemseweg te Renswoude de controle over het stuur is verloren. Uit het dossier is niet gebleken van enige aanleiding om aan te nemen dat verdachte om een andere, van buiten komende, reden de macht over het stuur is verloren. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het rijgedrag van verdachte is te wijten aan de hoeveelheid alcohol die hij heeft genuttigd en dat die de rijvaardigheid van verdachte op negatieve wijze heeft beïnvloed, waardoor hij de auto niet op de weg heeft gehouden. Verdachte heeft, door als hierboven omschreven te handelen, gehandeld in strijd met hetgeen in artikel 6 WVW strafbaar is gesteld.

Ten gevolge hiervan is het voertuig uiteindelijk tegen een boom gebotst aan de linkerkant van de weg, waarna deze in de linker berm terecht is gekomen. Gelet op deze positie van de auto en het feit dat de auto kwam vanuit De Klomp en ging richting Renswoude, is het een feit van algemene bekendheid dat de auto (tijdelijk) op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer moet zijn geraakt. Ook dit onderdeel van de tenlastelegging acht de rechtbank daarmee bewezen.

De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde feit, in die zin dat de verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval na voorafgaand gebruik van alcohol, waarbij hij de auto waarin hij reed niet voortdurend onder controle heeft gehouden, waardoor [slachtoffer] werd gedood. De mate van schuld bestaat uit aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 14 september 2013 te Renswoude als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Rover, kenteken [kenteken]) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Arnhemseweg, komende uit de richting van De Klomp en gaande in de richting van Renswoude, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes, schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer], werd gedood, bestaande dat gedrag hieruit dat hij, verdachte, door aanmerkelijk, onvoorzichtig,

- na voorafgaand gebruik van alcohol en

- het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd of niet voortdurend onder controle heeft gehouden,

ten gevolge waarvan hij, verdachte, de macht over het stuur is verloren en met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer raakte en vervolgens van de rijbaan van die weg is geraakt en vervolgens in de linker berm terecht is gekomen en tegen een in die berm staande paal (met een verkeersbord) en een boom is gebotst,

waardoor een ander, te weten een mede inzittende van die auto, genaamd [slachtoffer], werd gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, immers was blijkens onderzoek als bedoeld in artikel 8 tweede lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994 het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed 1,03 milligram alcohol per liter bloed (artikel 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994).

2.

op 14 september 2013 te Renswoude als bestuurder van een voertuig (personenauto merk Rover, kenteken [kenteken]), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,03 milligramalcohol per liter bloed bleek te zijn.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet;

Feit 2: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (BAG 1,03 mg/l).

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een taakstraf van 240 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis,

- ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

Hierbij heeft de officier van justitie enerzijds rekening gehouden met de lange termijn die is verstreken totdat het tot deze zitting is gekomen, maar anderzijds met de recidive op het gebied van rijden onder invloed.

8.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank komt tot bewezenverklaring, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat ten eerste rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte een onvoorwaardelijke straf bespaard moet blijven gelet op de psychische, fysieke en financiële gevolgen die dit incident al voor hem hebben gehad. Daarnaast is een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid in deze zaak niet meer opportuun, temeer omdat verdachte sinds dit incident niet opnieuw is veroordeeld en dit wederom zijn baan zou kosten.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zwaar verkeersongeval. Ondanks dat verdachte eerder die avond had gedronken, is hij toch gaan rijden. Twee vrienden reden met hem mee. Verdachte is de macht over het stuur verloren waarbij de auto uiteindelijk met veel kracht tegen een boom is gebotst; zodanig veel kracht dat [slachtoffer] als gevolg daarvan is overleden.

Verdachte heeft bij het besturen van zijn voertuig niet de voorzichtigheid en oplettendheid betracht die van een verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Juist het feit dat hij ten tijde van het veroorzaken van het verkeersongeval onder invloed van alcohol verkeerde, rekent de rechtbank de verdachte dan ook zeer aan.

Door het handelen van verdachte moeten de nabestaanden van het slachtoffer leven met het verdriet om het verlies van het slachtoffer. Het leed dat hen is toegebracht, is ernstig en onherstelbaar. Dit blijkt ook uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring.

Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting ontwikkeld. Uit het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 23 juli 2018 is de rechtbank gebleken dat verdachte eerder is veroordeeld voor rijden onder invloed, te weten op 23 mei 2012 tot een geldboete van € 370,-. Verdachte is voorafgaand aan het ten laste gelegde dus eerder bestraft voor het rijden onder invloed en er is sprake van recidive.

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft oriëntatiepunten opgesteld voor het veroorzaken van een ongeval onder invloed van meer of minder dan 570 µg/l (vergelijkbaar met 1,30 mg alcohol per liter bloed). Vanwege de recidive zal de rechtbank uitgaan van het oriëntatiepunt voor het maken van een aanmerkelijke verkeersfout, met een dodelijk slachtoffer tot gevolg en waarbij sprake is van voorafgaand alcoholgebruik van meer dan 570 µg/l, te weten een gevangenisstraf van 7 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.

De raadsman heeft aangevoerd dat bij de afhandeling van deze zaak de redelijke termijn is overschreden. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen.

De redelijke termijn is in de onderhavige zaak aangevangen op 18 september 2013, te weten op de datum van het eerste verhoor van verdachte. Nu het vonnis op de datum van 20 september 2018 is gewezen, is de redelijke termijn zonder meer fors geschonden. De officier van justitie heeft daar in haar eis reeds in sterke mate rekening mee gehouden. Ook de rechtbank zal in forse mate rekening houden met dit tijdsverloop en ook met de omstandigheid dat verdachte in de afgelopen jaren niet opnieuw in aanraking is gekomen met politie en justitie.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat een en ander dient te worden verdisconteerd in de straf, doet zij dit in mindere mate dan in de eis van de officier van justitie is gedaan. De ernst van het feit, zoals hiervoor omschreven, alsmede de gevolgen daarvan, geven daartoe aanleiding. Om die reden wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 1 jaar, passend en geboden is.

9 BENADEELDE PARTIJ

[vader slachtoffer], de vader van het slachtoffer, heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van in totaal € 6.277,30, bestaande uit zowel materiële als immateriële schade, geleden ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

De immateriële schade bedraagt € 1.500,-.

De materiële schade bedraagt € 4.777,30. Deze bestaat uit € 2.927,30 aan kosten gemaakt ten behoeve van de condoleance en € 1.850,- aan kosten gemaakt voor de rouwstukken en rozen.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe te wijzen, te weten een gedeelte van de kosten die zijn gemaakt voor de rouwstukken en de rozen. Voor zover de schade ziet op de kosten gemaakt ten behoeve van de condoleance, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit deel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Voor wat betreft de immateriële schade heeft de officier van justitie gevorderd deze niet ontvankelijk te verklaren, omdat dit gedeelte van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gelet op de door hem bepleite vrijspraak, primair op het standpunt gesteld dat de vordering geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, refereert hij zich aan haar oordeel.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de materiële schade

Vast staat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De schade voor zover die betrekking heeft op de materiële schadeposten, komt derhalve in beginsel voor vergoeding in aanmerking.

De schadepost ten aanzien van de kosten gemaakt voor de rouwstukken en rozen zal de rechtbank geheel, te weten tot een bedrag van € 1.850,-, toewijzen. Deze schadepost is gevorderd, voldoende onderbouwd en is niet weersproken. Het bedrag komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor.

Ten aanzien van de schadepost die ziet op de kosten gemaakt ten behoeve van de condoleance heeft de benadeelde partij ter terechtzitting toegelicht dat hij zelf een horecazaak heeft en dat de condoleance daar heeft plaatsgevonden. De rechtbank concludeert daaruit dat niet de factuurwaarde, maar de inkoopprijs van de daarop vermelde goederen voor toewijzing in aanmerking komt. Met gebruikmaking van haar schattingsbevoegdheid op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek, begroot de rechtbank de omvang van deze schade daarom op een bedrag van € 1.500,-.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 3.350,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 14 september 2013 tot de dag van volledige betaling.

Ten aanzien van de immateriële schade

De gevorderde immateriële schade is niet voor toewijzing vatbaar. Het Nederlandse recht biedt (nog) geen mogelijkheid om psychische schade (anders dan shockschade) als gevolg van het overlijden van een dierbare naaste, zoals een kind, te vergoeden.

Niet-ontvankelijkheid

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering, te weten een bedrag van € 2.927,30 (bestaande uit € 1.427,30 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade) niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Kosten

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [vader slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 3.350,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 14 september 2013 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 43 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [vader slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair, alsmede het onder 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar.

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis;

- ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar;

- bepaalt dat de ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [vader slachtoffer] toe tot een bedrag van € 3.350,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [vader slachtoffer], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2013 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [vader slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde, te weten een bedrag van € 2.927,30, niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [vader slachtoffer] aan de Staat € 3.350,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2013 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling te vervangen door 43 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren, voorzitter, mrs. I.J.B. Corbeij en B.G.W.P. Heijne, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.S.A. Honing, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 september 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij, op of omstreeks 14 september 2013, te Renswoude, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Rover, kenteken [kenteken]) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Arnhemseweg, komende uit de richting van De Klomp en gaande in de richting van Renswoude, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes, schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer], werd gedood, bestaande dat gedrag hieruit dat hij, verdachte, door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- na voorafgaand gebruik van alcohol en/of

- het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of niet voortdurend onder controle heeft gehouden,

tengevolge waarvan hij, verdachte, (ter hoogte van de middengeleider) de macht over het stuur is verloren en/of met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer raakte en/of (vervolgens) van de rijbaan van die weg is geraakt en/of (vervolgens) in de linker berm terecht is gekomen en/of tegen een in die berm staande paal (met een verkeersbord) en/of een boom is gebotst,

waardoor een ander, te weten een mede inzittende van die auto, genaamd [slachtoffer], werd gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, immers was blijkens onderzoek als bedoeld in artikel 8 tweede lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994 het alcoholgehalte van zijn, verdachtes bloed 1,03 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,5 milligram per milliliter bloed (artikel 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994);

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij, op of omstreeks 14 september 2013, te Renswoude, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Rover, kenteken [kenteken]), heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Arnhemseweg, komende uit de richting van De Klomp en gaande in de richting van Renswoude,

- na voorafgaand gebruik van alcohol en/of

- het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of niet voortdurend onder controle heeft gehouden,

tengevolge waarvan hij, verdachte, (ter hoogte van de middengeleider) de macht over het stuur is verloren en/of met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer raakte en/of (vervolgens) van de rijbaan van die weg is geraakt en/of (vervolgens) in de linker berm terecht is gekomen en/of tegen een in die berm staande paal (met een verkeersbord) en/of een boom is gebotst,

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij, op of omstreeks 14 september 2013, te Renswoude, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto merk Rover, kenteken [kenteken]), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,03 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol milliliter bloed bleek te zijn;

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

1 Wanneer in dit vonnis wordt verwezen naar paginanummers, betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 4 december 2014, genummerd PL0900-20143452249 Z, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 240. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse [verbalisant 4] d.d. 22 december 2013, p. 23.

3 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] d.d. 20 september 2013, p. 104.

4 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] d.d. 20 september 2013, p. 105.

5 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 2] d.d. 15 september 2013, p. 100.

6 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 2] d.d. 15 september 2013, p. 101.

7 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 2] d.d. 15 september 2013, p. 103.

8 Een geschrift, te weten een akte van overlijden van 17 september 2013, p. 87.

9 Proces-verbaal overlijdensonderzoek en lijkschouw d.d. 15 september 2013, p. 91.

10 Proces-verbaal overlijdensonderzoek en lijkschouw d.d. 15 september 2013, p. 92.

11 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 3] en [verbalisant 9] d.d. 14 september 2013, p. 108.

12 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 3] en [verbalisant 9] d.d. 14 september 2013, p. 109.

13 Een geschrift, zijnde een verklaring van J. van Remmen, arts, als bijlage bij het NFI rapport Alcohol in het verkeer, p. 176.

14 Een geschrift, zijnde een NFI rapport Alcohol in het verkeer, p. 174.

15 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse [verbalisant 4] d.d. 22 december 2013, p. 22.

16 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse [verbalisant 4] d.d. 22 december 2013, p. 45.

17 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] d.d. 20 september 2013, opgemaakt in de wettelijke vorm, p. 105 van proces-verbaal nummer PL0900-2014345249 Z d.d. 4 december 2014.

18 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] d.d. 20 september 2013, opgemaakt in de wettelijke vorm, p. 104 van proces-verbaal nummer PL0900-2014345249 Z d.d. 4 december 2014.

19 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] d.d. 20 september 2013, opgemaakt in de wettelijke vorm, p. 105 van proces-verbaal nummer PL0900-2014345249 Z d.d. 4 december 2014.

20 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 5] d.d. 15 september 2013, opgemaakt in de wettelijke vorm, p. 217 van proces-verbaal nummer PL0900-2014345249 Z d.d. 4 december 2014.

21 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 5] d.d. 15 september 2013, opgemaakt in de wettelijke vorm, p. 218 van proces-verbaal nummer PL0900-2014345249 Z d.d. 4 december 2014.

22 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse [verbalisant 4] d.d. 22 december 2013, opgemaakt in de wettelijke vorm, p. 35 van proces-verbaal nummer PL0900-2014345249 Z d.d. 4 december 2014.

23 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse [verbalisant 4] d.d. 22 december 2013, opgemaakt in de wettelijke, p. 45 van proces-verbaal nummer PL0900-2014345249 Z d.d. 4 december 2014.

24 Een geschrift, te weten bijlage 3, tweede pagina, bij het ‘Verkeersongevallenonderzoek en aanvullend vezelonderzoek naar aanleiding van een verkeersongeval in Renswoude op 14 september 2013’, opgemaakt door [verbalisant 10] en [verbalisant 7] op 23 maart 2016 (als losse bijlage in het dossier gevoegd).

25 Een geschrift, te weten bijlage 1, tweede pagina, bij het ‘Verkeersongevallenonderzoek en aanvullend vezelonderzoek naar aanleiding van een verkeersongeval in Renswoude op 14 september 2013’, opgemaakt door [verbalisant 10] en [verbalisant 7] op 23 maart 2016 (als losse bijlage in het dossier gevoegd).

26 Een geschrift, te weten pagina 10 van het ‘Verkeersongevallenonderzoek en aanvullend vezelonderzoek naar aanleiding van een verkeersongeval in Renswoude op 14 september 2013’, opgemaakt door [verbalisant 10] en [verbalisant 7] op 23 maart 2016 (als losse bijlage in het dossier gevoegd).

27 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 14 september 2013, opgemaakt in de wettelijke vorm, p. 115 van proces-verbaal nummer PL0900-2014345249 Z d.d. 4 december 2014.

28 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 14 september 2013, opgemaakt in de wettelijke vorm, p. 117 van proces-verbaal nummer PL0900-2014345249 Z d.d. 4 december 2014.

29 Een geschrift, te weten de getuigenverklaring van onderzoekster L.J. Marsh, pagina 11, van het vezelonderzoek door Eurofins d.d. 3 januari 2018 (als losse bijlage in het dossier gevoegd).

30 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 8] d.d. 15 september 2013, p. 106.

31 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 8] (201320655057).