Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4500

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
652509-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

mishandeling ouders, zus gedurende langere periode, gevangenisstraf 10 mnd wv 4 mnd voorwaardelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/652509-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 19 september 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 september 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. H.M.A.W. Erven, advocaat te Lelystad, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 1 juni 2017 tot en met 8 juni 2018 te Almere zijn vader, zijn moeder en zijn zus heeft mishandeld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde met uitzondering van het trappen in de buik van de vader.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Juli 2017

De zus van verdachte, [A] (hierna: [voornaam van A] ), heeft op 7 juni 2018 aangifte gedaan en heeft verklaard dat zij in juli 2017 voor de woning aan de [adres] te [woonplaats] zag dat verdachte op haar af kwam rennen. Zij zag dat hij op haar sprong, waardoor zij achterover viel. Zij weet dat hij haar toen ergens op haar lichaam een aantal keer heeft geslagen.2

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [voornaam van A] in juli 2017 heeft geduwd.

Maart 2018

[voornaam van A] heeft verklaard dat zij in maart 2018 samen met haar vader en verdachte in de auto reden ter hoogte van Lelystad, toen zij ruzie met verdachte kreeg. Haar vader heeft de auto tot stilstand gebracht op de vluchtstrook. Zij zag dat verdachte de auto uitstapte en haar portier opende. Zij voelde en zag dat hij met kracht sloeg. Hij deed dit met gebalde vuist op haar borst. Zij ervaarde toen pijn. Vervolgens zag zij dat haar vader verdachte van haar af trok waarop verdachte zich omdraaide en zijn rechterhand tot een vuist maakte. Zij zag dat hij zijn rechterhand naar achter bewoog en vervolgens met kracht naar voren bewoog en dat deze op de linkerzijde van het hoofd van haar vader terechtkwam. Zij zag dat er bloed uit het oor van haar vader kwam.3

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in maart 2018 [voornaam van A] op de vluchtstrook een klap op haar arm of schouder heeft gegeven.

Mei 2018

[voornaam van A] heeft verklaard dat zij in mei 2018 in de voortuin van de woning aan de [adres] te [woonplaats] ruzie had met verdachte over een scooter. Toen zij van verdachte wegliep, voelde zij dat verdachte haar besprong. Zij weet nog dat dat hij haar op haar lichaam en benen sloeg. Verdachte heeft haar flink toegetakeld en zij heeft door deze mishandeling veel pijn ervaren. Haar vader trok verdachte van haar af en zij zag dat verdachte haar vader sloeg. Zij heeft haar vader die week horen zeggen dat hij pijn in zijn ribben had.4

De moeder van verdachte, [B] (hierna: [voornaam van B] ), heeft op 8 juni 2018 aangifte gedaan en heeft verklaard dat haar dochter begin mei 2018 door verdachte is geslagen in het gezicht en geschopt op de rug. Toen haar man daar iets van zei werd ook hij door verdachte geslagen.5 Ongeveer twee weken voordat [voornaam van B] aangifte deed is zij door verdachte aan haar haren de trap opgetrokken. Hij heeft haar toen heel vaak en hard met zijn vuisten op haar hoofd geslagen.6

Zondag 3 juni 2018

[voornaam van A] heeft verklaard dat zij op 3 juni 2018 samen met haar vriend aanwezig was in de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Verdachte en haar vriend kregen ruzie en er ontstond een worsteling tussen beide. Zij heeft samen met haar vriend verdachte gecontroleerd op de grond gekregen en gehouden. Door de worsteling had [voornaam van A] pijn in haar linkerhand en was deze ook opgezet. Ook had zij na de worsteling pijn in haar rechterschouderblad en in haar rug.7

De vriend van [voornaam van A] , [C] (hierna: [C] ), heeft verklaard dat hij op 3 juni 2018 bij de familie [achternaam van A, B en D] thuis was. [C] was samen met [voornaam van A] boven in de woning. Verdachte is naar boven gegaan en wilde uithalen naar [C] , maar deze ontweek de slag. De onderarm van verdachte ketste licht tegen het hoofd van [voornaam van A] . Daarna is er nog een worsteling geweest en heeft hij verdachte samen met [voornaam van A] naar de grond gebracht. Verdachte is vervolgens rustig geworden en naar beneden gegaan. Hij hoorde dat zijn schoonmoeder tegen verdachte zei dat hij hen met rust moest laten. Toen werd verdachte weer agressief. Hij hoorde toen een harde kets. Dat geluid klonk alsof iemand een klap krijgt op zijn lichaam. Hij hoorde direct daarna zijn schoonmoeder huilen en hoorde haar zeggen dat hij haar had geslagen.8

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat er tussen hem en [C] een worsteling heeft plaatsgevonden waar [voornaam van A] tussen is gekomen.

Maandag 4 juni 2018

[voornaam van A] heeft verklaard dat zij op 4 juni 2018 samen met haar ouders, vriend en verdachte aanwezig was in de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Zij en haar vriend zijn naar boven gelopen toen verdachte haar vriend begon te beledigen. Haar vader is toen ook naar boven gelopen. Terwijl moeder beneden was hoorde zij haar moeder schreeuwen: “Au mijn rug”. De politie is toen ter plaatse gekomen. Nadat de politie weg was hoorde [voornaam van A] iemand tegen de deur van de woning trappen en zag zij dat verdachte bij de voordeur stond. Zij zag dat haar vader de deur opende en dat verdachte haar vader op zijn buik schopte. Dit gebeurde met kracht en haar vader vloog naar achteren.9

[C] heeft verklaard dat hij op 4 juni 2018 heeft gezien dat zijn schoonvader met ontbloot bovenlichaam in de woning liep en dat verdachte met de achterkant van zijn hand op de borst van zijn vader sloeg. Vervolgens heeft verdachte op [C] en zijn vader gespuugd. Zijn schoonmoeder zei tegen verdachte hij dat niet moest spugen. Verdachte werd toen weer erg agressief en liep haar achterna. [C] zag dat hij haar schopte waarop hij hoorde dat zijn schoonmoeder direct een kreet slaakte van pijn. [C] is naar boven gegaan en hoorde daar veel geschreeuw en gescheld en het geluid alsof iemand geslagen werd. Hij hoorde zijn schoonmoeder huilen en zij schreeuwde in het Afghaans: ”Sla me niet”.10

Getuige [getuige] , woonachtig aan de [adres] te [woonplaats] heeft verklaard dat hij op 4 juni 2018 heeft gezien dat verdachte op zijn vader afrende en hem met een vliegende karatetrap in zijn buik trapte. Vervolgens trapte hij nog een paar keer tegen zijn vader.11

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zijn vader heeft geschopt.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft de door hem toegegeven geweldshandelingen steeds geplaatst in een context waarin hij eerst werd geslagen, werd aangevallen of uitgelokt door zijn familieleden. De andere door de familieleden en getuigen beschreven geweldshandelingen zijn volgens verdachte gebaseerd op leugens. De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat verdachte de agressor is geweest bij de verschillende geweldsmomenten en ziet geen aanknopingspunten in het dossier om te veronderstellen dat zijn ouders, zijn zus en de getuigen allemaal hebben gelogen, nu deze verklaringen elkaar in overwegende mate steunen.

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat de door de zus en moeder beschreven geweldsmomenten tegenstrijdig en niet specifiek genoeg zijn en dat het dossier geen medische verklaringen bevat. Gelet op de onderlinge samenhang van de voornoemde bewijsmiddelen bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank ook dat de buren de afgelopen jaren, maar zeker de laatste drie maanden van de ten laste gelegde periode, veel geschreeuw hebben gehoord. Ook hoorden de buren geluiden dat er iemand geschopt en geslagen werd. Daarbij benoemen de buren dat de zoon des huizes lak heeft aan iedereen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2017 tot en met 8 juni 2018 in het arrondissement Midden-Nederland, zijn moeder, zijn vader en zijn zus heeft mishandeld door

- zijn moeder, aan haar haren te trekken, te schoppen en te slaan tegen haar rug en haar lichaam,

- zijn vader in zijn buik te schoppen en te slaan tegen het lichaam en te slaan en te stompen tegen het gezicht en

- zijn zus op haar rug te slaan en te schoppen en haar op andere lichaamsdelen te slaan en te duwen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

mishandeling, begaan tegen zijn moeder en zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, meermalen gepleegd

en

mishandeling, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met afwijking van de formulering van het contactverbod waarbij het woord ‘heeft’ niet opgenomen dient te worden en waarbij tevens het gedeelte ‘zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt’ wordt gewijzigd in ‘zolang het Openbaar Ministerie of de reclassering dit verbod nodig vindt’.

Daarnaast heeft de officier van justitie een vrijheidsbeperkende maatregel gevorderd inhoudende dat verdachte wordt bevolen zich niet op te houden in of in de nabijheid van de [adres] en zich te onthouden van contact met zijn ouders en zus.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden, het uit te oefenen toezicht en de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht een voldoende passende straf is ter zake hetgeen wettig en overtuigende bewezen kan worden. Subsidiair heeft de verdediging verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals gevorderd door de officier van justitie, met uitzondering van de formulering van het locatieverbod, waarbij duidelijk is dat ook de steeg achter de woning aan de [adres] te [woonplaats] niet betreden mag worden.

Voorts heeft de verdediging zich verzet tegen oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan meerdere mishandelingen van zijn vader, moeder en zus. Deze feiten vonden meestal plaats in en rond de gezinswoning, bij uitstek een plaats waar zij zich veilig zouden moeten voelen. Verdachte heeft zijn familie niet alleen fysiek pijn gedaan, maar ook emotioneel schade toegebracht omdat het extra pijnlijk is dat dit geweld door hun zoon en broer werd aangedaan. Daarbij komt dan nog dat de hele buurt het geschreeuw uit de woning aan de [adres] te [woonplaats] heeft moeten dulden met als dieptepunt dat meerdere buurtbewoners hebben gezien dat verdachte zijn vader voor de woning in zijn buik heeft geschopt.

Persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 23 juli 2018 waaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met een adviesrapport van 27 augustus 2018, uitgebracht door de Reclassering Nederland. In de daarin opgenomen referenteninformatie ziet de rechtbank bevestigd dat verdachte kampt met psychische problemen. De reclassering concludeert dat het verdachte momenteel ontbreekt aan voldoende beschermende factoren en dat het risico op recidive daarom wordt ingeschat als gemiddeld. Verdachte staat open voor ambulante psychologische behandeling en hoewel de motivatie niet direct intrinsiek is, biedt het wel een mogelijkheid om verdachte te begeleiden in het opbouwen van een delictvrij bestaan. Verdachte wordt in staat geacht met behulp van reclasseringstoezicht zijn leven op orde te krijgen en toe te werken naar een zinvolle dagbesteding. De reclassering adviseert om een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod, een locatieverbod en dat verdachte verplicht is mee te werken aan middelencontrole.

Op te leggen straf

Gelet op de hiervoor beschreven aard en ernst van het feit is naar het oordeel van de rechtbank een vrijheidsbenemende straf op zijn plaats.

Gelet op de kwalificatie van het bewezen verklaarde strafbare feit zal de rechtbank een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het locatie- en contactverbod.

De bijzondere voorwaarden acht de rechtbank noodzakelijk. Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen zal de rechtbank die dadelijk uitvoerbaar verklaren.

De vrijheidsbeperkende maatregel

Artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat een locatie- en contactverbod opgelegd kan worden bij een veroordeling voor een strafbaar feit ter voorkoming van strafbare feiten.

De rechtbank is, gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat een locatie- en contactverbod, op de wijze zoals hierna omschreven, noodzakelijk is ter voorkoming van strafbare feiten.

De maatregel zal worden opgelegd voor de duur van 3 jaren, waarbij de vervangende hechtenis wordt bepaald op 14 dagen voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt met een maximum van 6 maanden.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt, beveelt de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 38v, 38w, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich na vrijlating binnen drie werkdagen zal melden bij [instelling 1] ( [adres] te [vestigingsplaats] ) en zich zal blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht;

* zich onder behandeling zal stellen door [instelling 2] of een soortgelijke zorgverlener, waarbij verdachte zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft houdt, ook als dat inhoudt het innemen van medicijnen als onderdeel van de behandeling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van het verblijf aan verdachte zullen worden gegeven en aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zal meewerken aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen, waarbij de reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

Oplegging maatregel

  • -

    legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat verdachte

  • -

    zich niet ophoudt in of in de nabijheid van de [adres] , [postcode] te [woonplaats] ;

  • -

    zich onthoudt van het leggen van contact met zijn vader [D] , zijn moeder [B] en zijn zus [A] ;

- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel wordt vervangen door 14 dagen hechtenis en dat de totale duur van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt;

- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Bos, voorzitter, mrs. W.S. Ludwig en G.D. Kleijne rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 september 2018.

Mr. Kleijne is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 8 juni 2018 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, zijn moeder, [A] en/of zijn vader, [D] en/of zijn zus [A] , heeft mishandeld door

- zijn moeder, aan haar haren te trekken en/of te schoppen en/of te slaan tegen haar rug en/of haar benen en/of haar lichaam,

- zijn vader in zijn buik te trappen en/of te schoppen en/of te slaan tegen het lichaam en/of benen en/of te spugen en te slaan en/of te stompen tegen het gezicht en/of

- zijn zus op haar rug te slaan en/of te schoppen en/of haar op andere lichaamsdelen te schoppen en/of te slaan en/of te duwen en/of hard beet te pakken.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 10 juni 2018, genummerd 2018162446/2018162501/2018161804, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 56. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 9.

3 Pagina 9.

4 Pagina 9 en 10.

5 Pagina 13.

6 Pagina 12.

7 Pagina 10.

8 Pagina 14 en 15.

9 Pagina 10.

10 Pagina 15.

11 Pagina 26.