Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:448

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
UTR 17/5215
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo. Intrekking toestemming o.g.v. Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/5215

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M. van Viegen),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Maas).

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2017, kenmerk 20161276906, heeft verweerder de aan [bedrijf 1] te [vestigingsplaats] verleende toestemming om beveiligingswerkzaamheden door verzoeker te laten verrichten, ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter stelt - gelet op wat ter zitting is besproken - allereerst vast dat verzoeker bedoeld heeft op te komen tegen het besluit van 4 december 2017, kenmerk 20151213083, (het bestreden besluit) waarin verweerder de aan [bedrijf 2] B.V. te [vestigingsplaats] ( [bedrijf 2] ) verleende toestemming om beveiligingswerkzaamheden door verzoeker te laten verrichten heeft ingetrokken. In het besluit waartegen bezwaar is gemaakt staat zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 2] vermeld. Het bezwaarschrift van verzoeker en zijn verzoek om een voorlopige voorziening moeten dan ook geacht te zijn gericht tegen dit besluit.

3.1.

Verzoeker is werkzaam als beveiliger. Op 13 juli 2015 is aan de particuliere beveiligingsorganisatie [bedrijf 2] toestemming verleend om verzoeker tewerk te stellen als medewerker, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). Verweerder heeft op 18 oktober 2017 een voornemen tot intrekking van de toestemming aan verzoeker kenbaar gemaakt omdat uit informatie van de Justitiële Informatie Dienst (het uittreksel) is gebleken dat verzoeker op 23 mei 2017 is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol en het verlaten van de plaats bij een ongeval, beide gepleegd op 14 oktober 2016 te Almere. Verzoeker is veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,- en een tijdelijke rij-ontzegging. Daarnaast is uit het uittreksel gebleken dat verzoeker is gedagvaard voor het rijden onder invloed van alcohol, gepleegd op 9 september 2017 te Almere. Bij brief van 1 november 2017 heeft verzoeker zijn zienswijze op het voornemen naar voren gebracht. In het bestreden besluit heeft verweerder op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr de verleende toestemming ingetrokken omdat er zich ten aanzien van verzoeker omstandigheden hebben voorgedaan en feiten bekend zijn geworden, op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend als zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op de datum waarop de toestemming werd verleend. Verzoeker voldoet als gevolg van de veroordeling van 23 mei 2017 aan paragraaf 2.3, aanhef en onder a, van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014 (Beleidsregels). Daarnaast acht verweerder verzoeker onvoldoende betrouwbaar om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, als bedoeld in paragraaf 2.3, aanhef en onder c, van de Beleidsregels.

3.2.

Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat hij pas op de hoogte was van de veroordeling van 23 mei 2017 op het moment dat met de mededeling van 20 september 2017 bekend werd dat verzoeker op 9 september 2017 een voertuig had bestuurd onder invloed van alcohol. De mededeling over het feit in 2016 is ten onrechte, aldus verweerder, niet eerder door hem opgepakt en had reeds tot intrekking kunnen en moeten leiden. Hoewel met deze veroordeling van verzoeker al voldoende grond bestond voor intrekking van de toestemming, vond verweerder het gelet op het tijdsverloop niet zorgvuldig om de intrekking enkel daarop te baseren.

4. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij als gevolg van het bestreden besluit zijn werk als beveiliger niet meer kan verrichten en zijn baan in gevaar komt. Dit wordt door verweerder niet betwist. Het spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter gegeven.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verzoeker op 23 mei 2017 is veroordeeld voor het rijden onder invloed en het verlaten van de plaats bij een ongeval en hem daarvoor een geldboete is opgelegd. De voorzieningenrechter overweegt dat daarmee is voldaan aan het bepaalde in paragraaf 2.3, aanhef en onder a, van de Beleidsregels, zodat verweerder reeds daarom tot intrekking van de toestemming kon overgaan. De veroordeling was daarvoor al voldoende. Dat de aanleiding voor de intrekking is gelegen in de dagvaarding van 11 september 2017 ter zake het rijden onder invloed van alcohol, maakt dit niet anders. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de veroordeling die hem pas later bekend is geworden dus mede ten grondslag mogen leggen aan het bestreden besluit. Dat dit verweerder eerder bekend had kunnen en moeten zijn maakt niet dat verweerder dit niet meer bij de besluitvorming mag betrekken. De voorzieningenrechter constateert in zoverre dan ook geen gebrek aan of onzorgvuldigheid in het bestreden besluit.

6.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat, nu verweerder niet alleen de veroordeling ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit maar ook de dagvaarding van 11 september 2017 daarbij heeft betrokken, de beoordeling zich eveneens dient uit te strekken tot de vraag of verweerder verzoeker in redelijkheid als onvoldoende betrouwbaar heeft aangemerkt. Verzoeker voert daarover aan dat niet vaststaat of verzoeker rechtsregels heeft geschonden en daardoor de rechtsorde ernstig heeft aangetast, aangezien hij verdachte is in een lopende zaak bij de politierechter. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het onder invloed van alcohol besturen van een motorvoertuig kan worden aangemerkt als een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Indien sprake is van herhaling geldt dit des te meer. Dit doet immers afbreuk aan het imago van de beveiligingsbranche. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het een interne gedragsregel betreft om dergelijke feiten betrokkenen zeer zwaar aan te rekenen. Op grond van de onderliggende stukken is voor verweerder aannemelijk geworden dat verzoeker er bij herhaling blijk van heeft gegeven dat hij de rechtsregels naast zich neerlegt, aldus verweerder. Verweerder neemt daarbij verder nog in aanmerking dat verzoeker reed in een voertuig van [bedrijf 2] , dat hij verklaarde dat hij piket had en daarom zijn werkkleding achter in de auto had liggen en dat bij hem een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 865 µg/l. Dit maakt dat hij volgens verweerder niet langer beschikt over de vereiste betrouwbaarheid.

6.2.

Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2950), overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder beoordelingsruimte toekomt bij de beoordeling of verzoeker voldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel voldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. De invulling die in paragraaf 2.3, aanhef en onder c, van de Beleidsregels aan de term `betrouwbaarheid’ is gegeven, is terughoudend toetsend niet onredelijk of rechtens onjuist. Voorts mogen aan medewerkers in de beveiligingsbranche, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat verweerder als maatstaf mag toepassen dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dient te zijn.

6.3.

De voorzieningenrechter overweegt verder dat verweerder het strafbare feit waarvoor verzoeker is gedagvaard aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen, ook al heeft de strafrechter daarover nog geen oordeel uitgesproken. Zoals uit de toelichting bij de Beleidsregels blijkt kunnen opgemaakte processen-verbaal of rapporten ertoe leiden dat een betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen de betrokkene nog een altijd een serieuze verdenking bestaat. Dat de politierechter de zaak heeft aangehouden wegens nader onderzoek, betekent niet dat tegen verzoeker geen serieuze verdenking (meer) bestaat. Verweerder heeft zich dus mogen baseren op de onderliggende stukken. De voorzieningenrechter leidt uit het mutatierapport van 9 september 2017 af dat de verbalisanten op het moment van stoppen van het voertuig één persoon, namelijk verzoeker, hebben aangetroffen en dat zij de bijrijder niet meer hebben gezien. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2017 blijkt dat de verbalisanten na het stopzetten van het voertuig één persoon aantroffen, namelijk verzoeker. Dat volgens de melding twee personen in het voertuig zouden zitten, geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om verweerder niet te volgen of te twijfelen aan de inhoud van de processen-verbaal waar het gaat om de resultaten van het ademonderzoek bij verzoeker. De voorzieningenrechter ziet geen tegenstrijdigheid in het mutatierapport en het proces-verbaal van bevindingen, nu beide vermelden dat de melding twee personen betrof en de verbalisanten in beide verklaren enkel verzoeker te hebben aangetroffen. Gelet op voornoemde stukken heeft verweerder mogen concluderen dat het aannemelijk is dat verzoeker opnieuw met alcohol op een motorvoertuig heeft bestuurd en die gedraging als een ernstige inbreuk op de rechtsorde kan worden beschouwd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker niet over de vereiste betrouwbaarheid beschikt om beveiligingswerkzaamheden te kunnen verrichten zoals hiervoor onder 6.2 omschreven.

7.1

Verzoeker voert vervolgens aan dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat het intrekken van de toestemming niet in strijd is met de onschuldpresumptie als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat hij de dagvaarding mee laat wegen in de besluitvorming. Onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 22 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1247) stelt verzoeker zich op het standpunt dat de onschuldpresumptie in acht dient te worden genomen en om die reden niet kan worden vastgesteld dat sprake is van recidive ten aanzien van het rijden onder invloed. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat geen sprake is van strijdigheid met de onschuldpresumptie, nu de toestemming niet alleen is ingetrokken op basis van de dagvaarding, dan wel het gegeven van strafrechtelijke vervolging, maar ook op basis van de waarnemingen van de verbalisanten en het gegeven dat sprake is van recidive.

7.2.

Zoals de ABRvS in de uitspraak van 11 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:331) heeft overwogen is de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM niet beperkt tot strafrechtelijke procedures, maar kan deze zich in een voorkomend geval uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure, indien de geschilpunten in de bestuursrechtelijke procedure voortvloeien uit en samenhangen met de strafrechtelijke procedure. Deze situatie kan zich voordoen tijdens een strafrechtelijke procedure alsook na het staken van de strafrechtelijke procedure of na een vrijspraak. Het hangt af van de in de bestuursrechtelijke procedure

gebruikte bewoordingen of een zodanige band bestaat tussen die procedure en de straf-

rechtelijke procedure dat artikel 6, tweede lid, ook in de bestuursrechtelijke procedure van toepassing is, zo volgt, zo overweegt de ABRvS, onder meer uit het arrest van het EHRM van 12 april 2011 in de zaak Çelik (Bozkurt) tegen Turkije, nr. 34388/05 (www.echr.co.int). De ABRvS overweegt blijkens dezelfde uitspraak voorts dat, indien in een bestuursrechtelijke procedure wordt teruggevallen op het feit dat een strafrechtelijke procedure aanhangig is of op een nog niet onherroepelijke veroordeling, dit een zodanige band tussen de bestuursrechtelijke en de strafrechtelijke procedure meebrengt, dat artikel 6, tweede lid, in eerstgenoemde procedure van toepassing is.

7.3.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker voor het incident op 9 september 2017 strafrechtelijk wordt vervolgd. Zoals uit voornoemde uitspraak van de ABRvS volgt, is dat op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat artikel 6, tweede lid, van het EVRM van toepassing is. Volgens het beleid van verweerder wordt toestemming wegens het ontbreken van voldoende betrouwbaarheid niet alleen ingetrokken ingeval van een onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordeling wegens het plegen van een misdrijf, maar ook indien andere bekende en relevante feiten daartoe nopen. Er moet sprake zijn van een serieuze verdenking dat betrokkene rechtsregels naast zich neerlegt, waarvan de overtreding beschouwd kan worden als tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Verweerder heeft het bestreden besluit hieromtrent gebaseerd op de in de processen-verbaal beschreven gedragingen van verzoeker zoals deze zijn waargenomen door de verbalisanten en overwogen dat gelet op die informatie voldoende aannemelijk is dat verzoeker was betrokken bij de daarin omschreven strafrechtelijke gedraging. Verweerder is in de bestuursrechtelijke procedure dan ook niet teruggevallen op het feit dat een strafrechtelijke procedure tegen verzoeker aanhangig is of op een nog niet onherroepelijke veroordeling. Daarom is geen sprake van een zodanige band tussen de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedure dat artikel 6, tweede lid, van het EVRM van toepassing is. Van strijd met de in die bepaling neergelegde onschuldpresumptie kan reeds daarom geen sprake zijn. Het betoog slaagt niet. De voorzieningenrechter wijst verweerder er in dit verband nog op dat zijn stelling in het verweerschrift dat de recidive een gegeven is, gelet op het voorgaande onjuist is. Zoals ter zitting door verweerder naar voren is gebracht is herhaling ten aanzien van het onder invloed van alcohol deelnemen aan het verkeer op grond van de onderliggende stukken aannemelijk.

8.1.

Tot slot heeft verzoeker aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Hij wijst daarbij op de geringe kans op recidive, de privésfeer waarin de overtreding waarvoor verzoeker is veroordeeld, heeft plaatsgevonden, zijn persoonlijke omstandigheden en de verklaring van [bedrijf 2] . Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat indien wel direct na het eerste feit was overgegaan tot intrekking van de toestemming, verzoeker wel een beroep op de hardheidsclausule had kunnen doen. Dat verweerder een fout heeft gemaakt door toen niet te handelen, kan niet betekenen dat verzoeker daarmee geen beroep meer op de hardheidsclausule toekomt.

8.2.

De voorzieningenrechter overweegt onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de ABRvS, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2950), dat de hardheidsclausule van paragraaf 2.3.1 van de Beleidsregels alleen kan worden toegepast in de in paragraaf 2.3, onder a en b, vermelde gevallen. Nu aan de intrekking van de toestemming mede onderdeel c ten grondslag is gelegd, kan de hardheidsclausule naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden toegepast. Dit laat onverlet dat verweerder, gezien de bewoordingen van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr, niet gehouden is om de toestemming in te trekken en bij de beoordeling ruimte is voor een belangenafweging. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de door hem gemaakte belangenafweging, waarbij verweerder de door verzoeker gestelde belangen heeft meegewogen, in het nadeel van verzoeker heeft kunnen laten uitvallen. Verweerder heeft toegelicht dat zwaar (nadelig) gewicht wordt toegekend aan feiten waarbij sprake is van alcohol in het verkeer. Dat verzoeker door het bestreden besluit geen beveiligingswerkzaamheden meer kan verrichten is inherent aan de bevoegdheid van verweerder tot intrekking van de door hem verleende toestemming. Het betoog slaagt niet.

9. Gelet op het voorgaande zal het bestreden besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar in stand kunnen blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.L. Verbruggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.