Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4479

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
UTR 16/1084
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 november 2015 heeft verweerder een korting van 3% toegepast op toegekende subsidies voor natuur- en landschapsbeheer voor subsidiejaar 2013. In beroep heeft verweerder dit besluit gewijzigd in die zin dat de opgelegde korting betrekking heeft op het subsidiejaar 2015. De rechtbank is van oordeel dat dit een 6:19-besluit is. De korting is opgelegd, omdat de Meststoffenwet is overtreden. Hoewel het controlerapport geen evaluatiegedeelte bevat, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de korting heeft mogen baseren op de evaluatie door de NVWA van de niet-naleving. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder in afwijking van de reguliere korting van 3% had moeten volstaan met een korting van 1%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/248 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/1084

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 september 2018 in de zaak tussen

vennootschap onder firma [eiseres], waarvan de vennoten zijn [vennoot 1] , [vennoot 2] en [vennoot 3] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres over het subsidiejaar 2013 toegekende subsidies voor natuur- en landbouwbeheer met 3% verlaagd.

Bij besluit van 20 januari 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2018. Namens eiseres is [vennoot 1] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het onderzoek op de zitting is geschorst, om verweerder in de gelegenheid te stellen een standpunt in te nemen over de door eiseres opgeworpen vraag over het subsidiejaar waarop de opgelegde korting betrekking heeft.

Bij besluit van 1 februari 2018 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I gewijzigd, in die zin dat de bij het primaire besluit opgelegde korting betrekking heeft op de over het subsidiejaar 2015 toegekende subsidies.

Eiseres heeft schriftelijk gereageerd op het bestreden besluit II.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten over de aard van het bestreden besluit II in relatie tot het voorliggende beroep. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 13 juni 2018.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Van een besluit als bedoeld in deze bepaling is in de regel pas sprake, als hetzelfde bestuursorgaan bij nader besluit door intrekking, wijziging of vervanging, met herhaalde aanwending van dezelfde bevoegdheid en op dezelfde feitelijke grondslag, van het eerder door hem genomen besluit terugkomt. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:667). Verweerder heeft het bestreden besluit II genomen met aanwending van dezelfde bevoegdheid als bij het bestreden besluit I, terwijl aan beide besluiten hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt. De rechtbank is – in afwijking van haar eerdere brief aan partijen – dan ook van oordeel dat het beroep van rechtswege ook betrekking heeft op het bestreden besluit II. Dit besluit heeft het bestreden besluit I gewijzigd, zodat de rechtbank de beide bestreden besluiten in samenhang beoordeelt.

2.1

Eiseres exploiteert een landbouw- en veeteeltbedrijf in [vestigingsplaats] .

2.2

Aan eiseres zijn zowel voor het jaar 2013 als voor het jaar 2015 agrarische subsidies toegekend. Door verweerder zijn in het kader van natuur- en landschapsbeheer een subsidie agrarisch natuurbeheer en een probleemgebiedensubsidie toegekend. Door (de rechtsvoorganger van) de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister) zijn subsidies toegekend in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de Europese Unie (GLB). De administratie rondom de aanvraag en toekenning van deze agrarische subsidies wordt verricht door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

2.3

Eiseres is voor het jaar 2013 aangemeld voor deelname aan derogatie, op grond waarvan een hogere gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen wordt toegestaan dan de reguliere norm. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft naar aanleiding van een controle door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) vastgesteld dat eiseres in 2013 niet heeft voldaan aan één van de voorwaarden voor derogatie, omdat zij twee percelen niet op voorgeschreven wijze heeft laten bemonsteren en analyseren door een geaccrediteerd of daaraan gelijkwaardig laboratorium. Hierdoor wordt teruggevallen op de reguliere gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen. Omdat eiseres deze reguliere gebruiksnorm heeft overschreden, heeft de minister aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd op grond van de Meststoffenwet. Nadat eiseres daartegen bezwaar heeft gemaakt is de boete gematigd tot € 5.024,25. Bij uitspraak van 17 april 2018 (ECLI:NL:RBMNE:2018:1578) heeft deze rechtbank het daartegen door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.4

Na de oplegging van de bestuurlijke boete heeft verweerder de besluiten genomen die vermeld staan onder ‘Procesverloop’, waarbij eiseres dienovereenkomstig is gekort op de aan haar door verweerder toegekende subsidies. Bij dezelfde besluiten heeft de minister eiseres gekort op de aan haar toegekende Europese GLB-subsidies. Tegen dat (tweede) deel van de besluiten heeft eiseres beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).

3. In deze zaak liggen de bestreden besluiten voor die betrekking hebben op de korting op de subsidie agrarisch natuurbeheer en de probleemgebiedensubsidie. Daaraan ligt ten grondslag dat eiseres de stikstofgebruiksnorm heeft overschreden, zoals die voor haar gold na de terugval uit de derogatienorm. De korting op de GLB-subsidies valt dus buiten de omvang van het bij de rechtbank voorliggende geding.

4. De subsidie agrarisch natuurbeheer en de probleemgebiedensubsidie zijn geregeld in de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer provincie Utrecht 2009 (de subsidieverordening). Daaruit volgt dat eiseres als ontvanger van deze subsidies moest voldoen aan de beheerseisen voor de GLB-inkomenssteun. Eén van die beheerseisen is het verbod om in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen, tenzij de stikstofgebruiksnormen in acht zijn genomen. De subsidieverordening voorziet erin dat verweerder de toegekende subsidies verlaagt als hieraan niet wordt voldaan. De subsidieverordening sluit rechtstreeks aan bij de nationale en Europese regelgeving die van toepassing is op het verlagen van GLB-subsidies door de minister. Die regelgeving is daarom op deze zaak ook van toepassing. Dat geldt ook voor het beleid dat nationaal bij de toepassing van de betreffende bevoegdheden is vastgesteld en dat door verweerder eveneens van toepassing is verklaard. Gelet hierop kan bij de beoordeling van deze zaak worden aangesloten bij de rechtspraak van het CBb over GLB-subsidies.

5. De rechtbank overweegt allereerst dat zij in deze uitspraak tot uitgangspunt neemt dat eiseres de stikstofgebruiksnormen in 2013 inderdaad heeft overschreden en dat daarmee sprake was van een overtreding van het hiervoor genoemde verbod, dat uit de Meststoffenwet voortvloeit. De daartegen door eiseres aangevoerde gronden zijn reeds behandeld in de genoemde uitspraak van 17 april 2018 en de rechtbank ziet geen aanleiding om daar in deze zaak op terug te komen.

6. Ter zitting heeft eiseres haar beroepsgrond dat sprake is van dubbele bestraffing, omdat zij voor hetzelfde feit al een bestuurlijke boete opgelegd heeft gekregen, ingetrokken.

7. Tegen het bestreden besluit I heeft eiseres aangevoerd dat de overtreding van de Meststoffenwet pas in 2015 is geconstateerd en dat de korting gelet op de artikelen 73 en 64 van de Verordening (EU) 809/2014 niet over het subsidiejaar 2013 kon worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat verweerder de korting met het bestreden besluit II alsnog over het subsidiejaar 2015 heeft opgelegd in plaats van over het subsidiejaar 2013, zodat deze beroepsgrond nu feitelijke grondslag ontbeert. Dat geldt ook voor wat eiseres aanvoert over het tijdsverloop tussen de controle en het meedelen van de resultaten daarvan. Eiseres voert aan dat het haar bevreemdt dat verweerder een dergelijke omissie zomaar kan herstellen, maar de rechtbank is van oordeel dat geen rechtsregel hieraan in de weg staat.

8. Eiseres voert verder aan dat de opgelegde korting niet kan worden gebaseerd op het controlerapport van de NVWA, omdat zij de daarin opgenomen datum van controle (1 juli 2014) niet kan plaatsen en bovendien het evaluatiegedeelte in strijd met artikel 54, eerste lid, onder c, van de Verordening (EG) nr. 1122/2009 niet is ingevuld.

9. De rechtbank overweegt dat de korting aan eiseres is opgelegd, omdat zij de reguliere gebruiksnorm heeft overschreden waardoor zij niet aan de betreffende beheerseis heeft voldaan. In het controlerapport is getoetst of eiseres aan de diverse beheerseisen heeft voldaan.

Als datum van controle staat 1 juli 2014 vermeld. Hoewel de rechtbank net als eiseres niet weet waar deze datum vandaan komt, ziet zij hierin geen aanleiding om te oordelen dat verweerder zich bij het opleggen van de korting niet heeft mogen baseren op het controlerapport. Met eiseres stelt de rechtbank vast dat het controleverslag inderdaad een evaluatiegedeelte moet bevatten en dat dit hier niet is ingevuld. Uit vaste rechtspraak van het CBb volgt echter dat dit evaluatiegedeelte er blijkens artikel 71, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 (uitsluitend) toe dient om het betaalorgaan in de gelegenheid te stellen te beoordelen of er aanleiding is om het reguliere kortingspercentage van 3% te verlagen (tot minimaal 1 %) of te verhogen (tot maximaal 5 %). De rechtbank verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van het CBb van 27 maart 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:102). Uit de stukken blijkt dat de controleur in de toelichting op de voorlopige beoordeling heeft aangegeven akkoord te gaan met de beoordeling van de overtreding door de NVWA als standaard niet-naleving. De rechtbank stelt op basis van de stukken in dit dossier vast dat verweerder de korting op 3% heeft bepaald naar aanleiding van een evaluatie door de NVWA van de niet-naleving. De rechtbank ziet geen grond voor de veronderstelling dat de NVWA zou hebben nagelaten de niet-naleving van een evaluatie te voorzien en zodoende niet aan de hiervoor genoemde verordening zou zijn voldaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

10. Eiseres voert verder aan dat een korting van 3% van de subsidiebedragen in dit geval te veel is. Zij wijst er daarbij op dat enkel sprake is van het ontbreken van een grondmonster en dat afgezien hiervan werd voldaan aan de geldende derogatienorm. De rechtbank volgt dit niet. Het uitgangspunt van het in de Europese regelgeving neergelegde systeem is dat in geval van een niet-opzettelijke naleving die het gevolg is van nalatigheid van de landbouwer, een korting van 3% wordt opgelegd. In dit geval heeft de controleur deze standaardnorm van toepassing geacht. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder in afwijking van de reguliere korting van 3% had moeten volstaan met een korting van 1%. Verweerder wijst er terecht op dat in dit geval sprake is van nalatigheid van de zijde van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volgehouden dat de niet-naleving wat ernst en omvang betreft oplegging van de reguliere korting van 3% niet rechtvaardigt. De beroepsgrond slaagt niet.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I en heeft erop gewezen dat de korting betrekking heeft op het verkeerde subsidiejaar. Pas nadat dit op de zitting aan de orde is gesteld heeft verweerder het bestreden besluit II genomen, waarmee het subsidiejaar is gewijzigd. De rechtbank ziet in deze gang van zaken aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoedt. Om diezelfde reden veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, voor zover die zien op het instellen van het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

­ verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 20 januari 2016, zoals gewijzigd bij besluit van 1 februari 2018, ongegrond;

­ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres te vergoeden;

­ veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. drs. S. Wijna en
mr. M.C. Brans, leden, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.