Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:447

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
043021-12 (tul bijzonder)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling. Gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Parketnummer: 16/043021-12

Datum: 6 februari 2018

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling

op de op 10 oktober 2017 ter griffie ingekomen vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 18 april 2014 aan

[veroordeelde] ,

geboren op [1984] te [geboorteplaats] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,

opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarbij de proeftijd is bepaald op twee jaren en als bijzondere voorwaarden zijn gesteld dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  1. zich zal melden bij de reclassering;

  2. zich zal onthouden van het gebruik van verdovende middelen en zich verplicht ten behoeve de naleving van dit verbod mee te werken aan bloed- of urineonderzoek;

  3. zich onder behandeling zal stellen van [naam instelling 1] of een soortgelijke instelling.

Reclassering Nederland is opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is op 2 juni 2014 over de post aan de veroordeelde toegezonden.

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2018. De officier van justitie mr. V. Lantain, de veroordeelde en diens raadsman mr. B.R. Koenders, advocaat te Amsterdam, en de deskundige [A] , reclasseringswerker bij [naam instelling 2] , zijn op de vordering gehoord.

OVERWEGINGEN

Uit het ‘Advies aan opdrachtgever toezicht’, opgemaakt door [A] van [naam instelling 2] verslavingszorg van 2 oktober 2017, en hetgeen bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht, is gebleken dat de veroordeelde sinds 3 mei 2014 onder toezicht staat van [naam instelling 2] Reclassering. De looptijd van het toezicht is voor een periode van twee jaren opgeschort omdat aan de veroordeelde in de tussentijd in een andere zaak een ISD-maatregel voor twee jaren was opgelegd. Nadat de ISD-maatregel op 4 mei 2017 was afgerond, is de resterende termijn van het toezicht weer gaan lopen. Het is de veroordeelde gedurende twee maanden gelukt om zich aan de bijzondere voorwaarden te houden. Daarna is hij een periode van bijna twee maanden, namelijk van 21 juni tot en met 16 augustus 2017, uit beeld geweest bij de reclassering, waar hij volgens de reclassering geen goede verklaring voor had. Hij nam pas weer contact op met de reclassering nadat hij een berisping en een e-mail had ontvangen met daarin de mededeling dat een retourmelding zou plaatsvinden als hij geen contact zou opnemen en zich niet zou conformeren aan de bijzondere voorwaarden. Op 28 juni 2017 heeft de veroordeelde het drugs- en alcoholverbod overtreden toen hij werd aangehouden door de politie en onder invloed bleek te zijn. Op 5 augustus 2017 is de veroordeelde opnieuw door de politie aangehouden omdat hij zwaar onder invloed van middelen – vermoedelijk GHB en alcohol – op straat lag en over auto’s hing die niet van hem waren. De veroordeelde ontkent dat hij middelen heeft gebruikt en inhoudelijk is er met hem geen gesprek te voeren over zijn verslavingsproblematiek. Omdat de veroordeelde zich niet aan de meldplicht en het middelenverbod houdt, is het voor de reclassering niet mogelijk om op een verantwoorde manier toezicht op hem te houden. Ondanks de eerder afgeronde verslavingsbehandeling en de recent doorlopen ISD-maatregel is er nog steeds geen sprake van een gedragsverandering bij de veroordeelde. De reclassering adviseert over te gaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf toe te wijzen.

De raadsman heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat de bijzondere voorwaarden die aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zijn gekoppeld een bepaald doel hebben gehad, hetgeen nu is ingehaald door de ten uitvoer gelegde ISD-maatregel. De veroordeelde heeft in de ISD wel degelijk stappen gemaakt, werkt nu volop en is bezig om zijn schulden af te betalen. Het zal contraproductief zijn en voor de persoonlijke situatie van de veroordeelde problematisch als de voorwaardelijke gevangenisstraf alsnog ten uitvoer wordt gelegd.

De rechtbank overweegt dat uit vorenstaande volgt dat de veroordeelde zich niet aan de bijzondere voorwaarden, namelijk de meldplicht en het middelenverbod, heeft gehouden. De veroordeelde trekt kennelijk zijn eigen plan en de reclassering ziet geen mogelijkheden meer om toezicht op hem te houden. De rechtbank acht daarom termen aanwezig om de vordering toe te wijzen. De rechtbank zal de vordering echter niet in zijn geheel, maar voor een deel toewijzen, nu zij het, gelet op het lange tijdsverloop – bij vonnis van 18 april 2014 zijn deze voorwaarden opgelegd – en het ISD-traject dat nadien heeft plaatsgevonden, niet opportuun acht de vordering voor de duur van vier maanden toe te wijzen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat de veroordeelde na afloop van het ISD-traject nieuwe vermogensdelicten heeft gepleegd en dat het abstinent blijven van middelen met vallen en opstaan verloopt. De rechtbank weegt hierbij verder mee dat bij beslissing van heden een bezwaar van veroordeelde tegen een bevel tot tenuitvoerlegging van 68 dagen vervangende hechtenis (in het kader van een taakstraf opgelegd bij voornoemd vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 18 april 2014, waarvan nog 136 uren resteerden) ongegrond is verklaard.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen in die zin dat de tenuitvoerlegging voor de duur van één maand wordt bevolen en dat de vordering voor het overige moet worden afgewezen.

De rechtbank heeft bij de beslissing gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i en 14j van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank wijst de vordering gedeeltelijk toe.

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van 18 april 2014, voor een gedeelte van één maand.

De rechtbank wijst de vordering voor het overige af.

Aldus gedaan door mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes, voorzitter, mrs. J.F. Haeck en H. den Haan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.M. van Zwet als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2018.

De officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland brengt vorenstaande beslissing ter kennis van de aan ommezijde vermelde persoon, alsmede ter kennis van mr. B.R. Koenders, belast met het verlenen van bijstand.

De officier van justitie,