Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:446

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
043021-12
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing op bezwaarschrift ex art. 22g Sr. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Parketnummer: 16/043021-12

Datum: 6 februari 2018

beslissing op het bezwaarschrift ex artikel 22g, derde lid, Wetboek van Strafrecht

op 28 november 2017 ter griffie ingekomen van:

[veroordeelde] ,

geboren op [1984] te [geboorteplaats] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,

gericht tegen de vanwege de officier van justitie op 11 oktober 2017 aan de griffie van de rechtbank betekende kennisgeving van het bevel tot tenuitvoerlegging van de bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 18 april 2014 in het kader van een taakstraf van nog 136 resterende uren, bevolen vervangende hechtenis van 68 dagen.

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2018. De officier van justitie, mr. V. Lantain, de veroordeelde en diens raadsman mr. B.R. Koenders, advocaat te Amsterdam, zijn op het bezwaarschrift gehoord.

OVERWEGINGEN

De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift niet binnen de termijn van veertien dagen na de betekening van bovengenoemde kennisgeving is ingediend, maar anderhalve maand daarna.

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de veroordeelde daarom in zijn bezwaarschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat de kennisgeving aan de griffie is betekend en de termijn van veertien dagen pas aanvangt op het moment dat de veroordeelde met de kennisgeving bekend is geworden. Nu dat pas het geval was toen de veroordeelde op 25 november 2017 door de politie werd aangehouden in verband met de bevolen vervangende hechtenis, is het bezwaarschrift tijdig ingediend en is de veroordeelde dus ontvankelijk in zijn bezwaarschrift.

De rechtbank overweegt dat voornoemde kennisgeving aan de griffie van de rechtbank is betekend omdat destijds van de veroordeelde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Zodoende wist de veroordeelde niet eerder dan op het moment van zijn aanhouding op 25 november 2017 van deze kennisgeving en kon hij ook niet binnen veertien na betekening een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 22g van het Wetboek van Strafrecht indienen. Daags nadat de veroordeelde bekend was geworden met de omzetting van de taakstraf in een vervangende hechtenis, is door zijn raadsman een bezwaarschrift ingediend. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaarschrift onder deze omstandigheden tijdig is ingediend en dat de veroordeelde daarom ontvankelijk is in zijn bezwaar.

De officier van justitie heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard nu uit het rapport van de reclassering volgt dat de veroordeelde de taakstraf niet (geheel) heeft uitgevoerd, terwijl hij meerdere kansen heeft gehad en hij, ondanks afspraken daartoe, steeds geen onderbouwing heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk vanwege ziekte niet in staat was de taakstraf uit te voeren.

De raadsman heeft aangevoerd dat er een misverstand is geweest over de ziektemelding en dat de veroordeelde wel degelijk het afgesproken aantal uren gewerkt heeft. De raadsman heeft verzocht het bezwaarschrift gegrond te verklaren en de veroordeelde de kans te geven de taakstraf alsnog uit te voeren.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit een rapportage van de reclassering van 11 augustus 2017 is gebleken dat de veroordeelde op 30 mei 2017 een officiële waarschuwing heeft gekregen omdat hij zich niet altijd ziek meldde bij zowel het project als bij de medewerker werkstraffen. Ook werkte hij niet altijd acht uren per dag. De veroordeelde was hier al vaker mondeling op aangesproken. Tijdens een telefoongesprek van 6 juni 2017 gaf de veroordeelde aan dat hij op 8 juni 2017 weer aanwezig zou zijn op het werkstrafproject. Op die dag meldde de veroordeelde zich echter opnieuw ziek bij de medewerker werkstraffen. De veroordeelde zegde toe dat hij op 12 juni 2017 een afspraakbevestiging van zijn afspraak met de huisarts aan de medewerker werkstraffen zou toesturen. Dit heeft hij die dag, en de dagen erna, echter niet gedaan. Op 19 juni 2017 is besloten om de werkstraf stop te zetten. De veroordeelde is daarna ook zijn meldplichtafspraken bij de reclassering niet meer nagekomen. De veroordeelde heeft 82 van de 218 uren gewerkt.

De rechtbank maakt uit dit rapport op dat de veroordeelde de hem opgelegde taakstraf niet naar behoren heeft verricht. Het verweer van de verdediging dat sprake is geweest van miscommunicatie en de veroordeelde wel degelijk het aantal afgesproken uren heeft gewerkt, passeert de rechtbank. Uit voornoemd rapport blijkt immers dat met de veroordeelde duidelijke afspraken zijn gemaakt over bij welke instanties/personen hij zich ziek moest melden en de veroordeelde ook, ondanks afspraken, heeft nagelaten de afspraakbevestiging met de huisarts aan de reclassering toe te sturen.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de officier van justitie op juiste gronden de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis heeft bevolen.

Het bezwaarschrift zal derhalve ongegrond worden verklaard.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22g, 22h en 22i van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het bezwaarschrift is ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes, voorzitter, mrs. J.F. Haeck en H. den Haan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.M. van Zwet als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 februari 2018.