Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4438

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
NL17.12971
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verklaringsprocedure (derdenbeslag) ex artikel 477a lid 2 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS ____________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

zaaknummer: NL17.12971

Vonnis van 13 september 2018

in de zaak van

de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres, hierna te noemen: ING Bank,
advocaat mr. D.J. Posthuma te Amsterdam,

tegen

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder, hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat mr. R. Zwiers te Almere.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding met 7 producties

  • -

    het verweerschrift met 4 producties

  • -

    akte uitlaten producties van ING Bank met 6 aanvullende producties

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 24 april 2018

  • -

    pleitaantekeningen ING Bank.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 19 juli 2017 zijn [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) en [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ) veroordeeld tot betaling aan ING Bank van respectievelijk € 231.916,68 en € 67.471,12, vermeerderd met rente en kosten. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] zijn hun betalingsverplichtingen uit dit vonnis niet nagekomen.

2.2.

[verweerder] is enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] en (via [bedrijfsnaam 1] ) van [bedrijfsnaam 2] . Tot circa 2017 was hij tevens (middellijk) bestuurder van beide vennootschappen.

2.3.

ING Bank heeft ter uitvoering van het vonnis (zie 2.1.) op 4 augustus 2017 executoriaal derdenbeslag gelegd onder [verweerder] . Op 18 september 2017 heeft [verweerder] een tweetal verklaringen gedaan als bedoeld in artikel 476a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) (‘verklaring derdenbeslag’). Hierin heeft hij verklaard dat er tussen hem en [bedrijfsnaam 1] respectievelijk [bedrijfsnaam 2] geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan [bedrijfsnaam 1] respectievelijk [bedrijfsnaam 2] op het tijdstip van het beslag nog iets van [verweerder] had of heeft te vorderen of nog te vorderen kan krijgen.

2.4.

Bij brief van 31 oktober 2017 heeft ING Bank de verklaringen derdenbeslag van [verweerder] betwist. ING Bank heeft [verweerder] daarin tevens gesommeerd om binnen drie dagen na die brief juiste verklaringen af te leggen en opgave te doen van de vorderingen die [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] op hem hebben en deze te betalen, bij gebreke waarvan ING Bank een verklaringsprocedure (in de zin van artikel 477a Rv) zou beginnen. Aan deze sommatie heeft [verweerder] geen gehoor gegeven.

2.5.

ING Bank heeft de onderhavige verklaringsprocedure tijdig, binnen twee maanden na de verklaringen derdenbeslag, aanhangig gemaakt.

3 Het geschil

3.1.

ING Bank vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat de door [verweerder] gedane verklaringen derdenbeslagenen die zien op de rechtsverhouding tussen hem en [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. niet juist is / zijn;

II. [verweerder] te bevelen tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen aan ING Bank toekomt, zijnde een bedrag van
€ 250.664,91 (zegge: tweehonderdvijftigduizend zeshonderdvierenzestig euro en eenennegentig eurocent) dat ziet op de rechtsverhouding tussen [verweerder] en [bedrijfsnaam 1] B.V., althans de onder het beslag verschuldigde vorderingen, te vermeerderen met rente vanaf 18 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. [verweerder] te bevelen tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen aan ING Bank toekomt, zijnde een bedrag van
€ 79.292,58 (zegge: negenenzeventigduizend tweehonderdtweeënnegentig en achtenvijftig eurocent) dat ziet op de rechtsverhouding tussen [verweerder] en [bedrijfsnaam 2] B.V., althans de onder het beslag verschuldigde vorderingen, te vermeerderen met rente vanaf 18 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. een bedrag ad € 3.380,- aan buitengerechtelijke kosten conform BIK, met bepaling dat daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis;

V. de kosten van deze procedure en de nakosten van € 131,- dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, van € 199,- met bepaling dat daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis.

3.2.

ING Bank legt – samengevat – aan haar vorderingen ten grondslag dat de door [verweerder] afgelegde verklaringen derdenbeslag onjuist zijn zodat [verweerder] op de voet van artikel 477a Rv gerechtelijke verklaring moet doen en verplicht is tot betaling van een bedrag gelijk aan de vorderingen waarvoor onder [verweerder] beslag is gelegd.

3.3.

[verweerder] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze verklaringsprocedure in de kern om de vraag of [verweerder] als derde-beslagene een juiste verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv heeft afgelegd. ING Bank betwist dat en vordert onder meer [verweerder] te veroordelen tot het doen van een gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van de bedragen die aan ING Bank toekomen.

4.2.

Ingeval van derdenbeslag ontstaat voor de derde de verplichting (buitengerechtelijk) verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen (artikel 476a lid 1 Rv). De verklaring of hij iets is verschuldigd, of niet, dient met redenen te zijn omkleed en dient verdere gegevens te bevatten die voor het vaststellen van de rechten van partijen dienstig mochten zijn en deze verklaring dient zo veel mogelijk vergezeld te gaan van tot staving dienende stukken (zie artikelen 476a lid 2 onder a en f Rv en 476b lid 2 Rv en Hoge Raad 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:BG5256).

4.3.

Bij het doen van zijn verklaringen op 18 september 2017 heeft [verweerder] gebruik gemaakt van een formulier als bedoeld in artikel 475 lid 2 juncto 476b Rv. [verweerder] heeft zich daarbij beperkt tot het aankruisen van de daarop voorgedrukte tekst bij optie A, waarin (kort samengevat) staat dat er tussen hem en [bedrijfsnaam 1] of [bedrijfsnaam 2] geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan zij ten tijde van de beslaglegging nog iets van [verweerder] te vorderen hebben. [verweerder] heeft deze verklaringen derdenbeslag niet met redenen omkleed. Evenmin heeft hij enig stuk ter onderbouwing daarvan overgelegd. Dat bleef zo nadat ING Bank zijn verklaringen derdenbeslag bij brief van 31 oktober 2017 gemotiveerd betwistte en hem sommeerde alsnog een juiste verklaring te doen. ING Bank wees [verweerder] in die brief op een van [bedrijfsnaam 1] zelf afkomstige aangifte vennootschapsbelasting 2014, waaruit een vordering op [verweerder] bleek van € 1.474.544,-- en op een van [verweerder] ontvangen balans van [bedrijfsnaam 2] per 31 december 2015, waarin een rekening-courant schuld van [verweerder] aan [bedrijfsnaam 2] van € 165.536,62 was opgenomen. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [verweerder] gelegen om naar aanleiding van deze sommatie in ieder geval uitleg te geven aan ING Bank waaruit (volgens [verweerder] ) zou blijken dat en op welke wijze deze vorderingen van [bedrijfsnaam 1] respectievelijk [bedrijfsnaam 2] op [verweerder] zijn komen te vervallen en haar ter (verdere) onderbouwing daarvan de nodige bescheiden te overhandigen, zodat ING Bank deze op juistheid daarvan kon controleren. Dat heeft [verweerder] nagelaten, zodat hij is tekort geschoten in de nakoming van zijn (verzwaarde) motiveringsplicht ex artikelen 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv. Nu [verweerder] geen deugdelijke buitengerechtelijke verklaringen heeft afgelegd, heeft ING Bank deze verklaringen op goede gronden betwist, en kan zij in haar vorderingen worden ontvangen.

4.4.

In de onderhavige procedure vordert ING Bank onder meer een verklaring voor recht dat de door [verweerder] gedane verklaringen derdenbeslag onjuist zijn. De rechtbank ziet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in welk belang ING Bank bij die vordering heeft (mede) in het licht van haar overige vorderingen in deze procedure en wijst deze daarom af. Verder vordert ING Bank dat [verweerder] wordt veroordeeld tot het doen van een gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen aan ING Bank toekomt. Hoewel ING Bank hierbij een beroep doet op het bepaalde in artikel 477a lid 1 Rv, doet zich hier een situatie voor als bedoeld in artikel 477a lid 2 Rv: [verweerder] heeft verklaringen derdenbeslag gedaan, zij het dat deze ondeugdelijk (want niet gesubstantieerd) zijn en ING Bank de juistheid van de inhoud daarvan betwist. De rechtbank wijst de vordering tot het doen van een gerechtelijke verklaring af, omdat ING Bank daar geen belang meer bij heeft. De gerechtelijke verklaring van [verweerder] ligt namelijk besloten in zijn verweerschrift in deze procedure, waarin hij zijn verklaringen derdenbeslag in rechte handhaaft; tijdens de mondeling behandeling heeft hij herhaald dat hij in die verklaringen volhardt. Nu ING Bank ook deze gerechtelijke verklaringen betwist, waarvan de inhoud gelijk is aan de buitengerechtelijke verklaringen, zal de rechtbank de juiste inhoud van de gerechtelijke verklaringen moeten vaststellen voordat zij aan de gevorderde veroordeling tot betaling of afgifte kan toekomen.

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast van de stelling dat de verklaring van de derde-beslagene onjuist is, bij de beslaglegger rust. Desondanks mag (ook) in een verklaringsprocedure als de onderhavige verlangd worden van de derde-beslagene dat hij zijn verklaring met redenen omkleedt en zo veel mogelijk vergezeld doet gaan van stukken ter onderbouwing daarvan, net zoals hiervoor in 4.2. ten aanzien van de buitengerechtelijke verklaring is overwogen. De derde-beslagene heeft dus ook bij zijn gerechtelijke verklaring een verzwaarde motiveringsplicht. De verklaringsprocedure van artikel 477a lid 2 Rv biedt de derde-beslagene immers een herkansing alsnog een (deugdelijke) verklaring af te leggen en daarbij mag hij niet in een gunstiger positie komen te verkeren.

4.6.

ING Bank heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de verklaring van [verweerder] niet juist is, een aantal producties in het geding gebracht. Daaronder bevinden zich onder meer de hiervoor in 4.3. genoemde stukken (de aangifte vennootschapsbelasting 2014 van [bedrijfsnaam 1] en een balans van [bedrijfsnaam 2] per 31 december 2015). ING Bank heeft verder gesteld dat [verweerder] steeds nieuwe balanscijfers produceert, al naar gelang hij die nodig heeft in juridische procedures die hij voert, en daarbij vorderingen “wegpoetst” om verhaal door ING Bank te frustreren. In dat licht heeft ING Bank andere balansen van [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] , die afkomstig zijn van [verweerder] , overgelegd (zie hierna in 4.9.2.). Volgens ING Bank gebruikt [verweerder] zijn vennootschappen om forse onttrekkingen te doen en werkt de door hem ingeschakelde boekhouder, de heer [A] (hierna: [A] ) daaraan mee.

4.7.

[verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de aangifte vennootschapsbelasting 2014 van [bedrijfsnaam 1] inhoudelijk juist is, maar heeft betwist dat de daarin genoemde vordering op hem van € 1.474.544 ten tijde van de beslaglegging door ING Bank nog bestond. Deze vordering zou, vooruitlopend op een reorganisatie binnen de vennootschappen waarin [verweerder] (al dan niet middellijk) aandeelhouder en bestuurder was, zijn teruggebracht tot nihil. Datzelfde geldt volgens [verweerder] voor de vordering van [bedrijfsnaam 2] op [verweerder] . Ter onderbouwing hiervan heeft [verweerder] een tweetal stukken overgelegd waaruit dit zou moeten blijken: (i) door [A] opgestelde balansen en resultatenrekeningen van [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] per 30 september 2016 en per ultimo 2015 en de daarbij horende (zo genoemde) “toelichtingen op de balans”, en (ii) (begeleidende) brieven bij voornoemde balansen van [A] gedateerd 17 oktober 2016. Hierin wordt (onder meer) door [A] verklaard (citaat): “dat conform de per 30 september 2016 opgestelde tussentijdse overzichten van [bedrijfsnaam 1] BV en [bedrijfsnaam 2] BV [dat] er geen rekening courant verhouding is tussen u en deze vennootschappen. De verplichtingen over en weer in rekening courant zijn nihil. (…)” en (citaat): “Vooruitlopend op de voorgenomen reorganisatie is besloten de rekening couranten over en weer glad te trekken. Dat is hier in verwerkt. Uw rekening courant bij deze BV is nihil. (…)”. Bij verweerschrift heeft [verweerder] vraagtekens geplaatst bij de herkomst van de door ING Bank overgelegde balans van [bedrijfsnaam 2] per 31 december 2015. Volgens [verweerder] corresponderen de daarop vermelde cijfers niet met de werkelijke jaarcijfers van [bedrijfsnaam 2] , zoals opgenomen in de door hem op 22 maart 2017 bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde balans van 2015 (aangeduid als “Publicatiebalans per 31 december 2015”), die hij eveneens bij verweerschrift heeft overgelegd. Volgens [verweerder] is [A] een (register)accountant die vele jaren de administratieve en fiscale werkzaamheden voor de vennootschappen van [verweerder] heeft verricht, waaronder het opmaken van de jaarstukken en het verzorgen van belastingaangiften.

4.8.

Tijdens de mondelinge behandeling is aan [verweerder] een (nadere) toelichting op de door hem overgelegde stukken gevraagd. Wat de vordering van [bedrijfsnaam 1] op [verweerder] van € 1.474.544,-- betreft, heeft [verweerder] verwezen naar de “toelichtingen op de balansen” van [bedrijfsnaam 1] . Volgens [verweerder] blijkt daaruit dat de vordering van [bedrijfsnaam 1] voldaan is door verrekening met een dividenduitkering in 2016 van [bedrijfsnaam 1] aan [verweerder] van € 1.385.495,--. Wat de vordering van [bedrijfsnaam 2] op [verweerder] betreft, heeft [verweerder] gesteld dat er geen vordering meer bestaat, waarbij hij heeft gewezen op de “toelichtingen op de balansen” van [bedrijfsnaam 2] over 2015 en 2016 die hij in deze procedure heeft overgelegd en de verklaring van [A] die stelt dat de rekening courant nihil bedraagt.

4.9.

De rechtbank kan [verweerder] hierin niet volgen. De rechtbank zal daarop in het onderstaande ingaan.

4.9.1.

De vordering van [bedrijfsnaam 1] op [verweerder] , die volgens [verweerder] pas in 2016 verrekend zou zijn met een dividenduitkering, is in het geheel niet opgenomen in de post “vorderingen” in de balans van [bedrijfsnaam 1] per ultimo 2015 die [verweerder] in de onderhavige procedure heeft overgelegd. Uit de door hem overgelegde “toelichtingen op de balans” van [bedrijfsnaam 1] blijkt namelijk dat de post “vorderingen” per ultimo 2015 (van in totaal
€ 1.568.083,--) slechts bestond uit een vordering van [bedrijfsnaam 1] op [bedrijfsnaam 2] van € 152.746,-- en een rekening-courant vordering van [bedrijfsnaam 1] op [bedrijfsnaam 3] BV van € 1.415.337,--. [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling niet kunnen uitleggen waarom de vordering van [bedrijfsnaam 1] op [verweerder] in de balans van 2015 ontbreekt. Hij heeft evenmin kunnen verklaren of inzichtelijk kunnen maken hoe de door hem gestelde verrekening met of voldoening van de vordering van [bedrijfsnaam 1] op [verweerder] precies is verlopen, hoe het kan dat dit ertoe heeft geleid dat er ondanks dat het dividendbedrag lager is dan de in 2014 bestaande vordering op [verweerder] (zie 4.8.), geen enkele vordering meer van [bedrijfsnaam 1] op [verweerder] in de balans over 2016 resteert en of en hoe deze verrekening zich verhoudt tot een vermindering van de vordering van [bedrijfsnaam 1] op [bedrijfsnaam 3] B.V. in 2016 (van
€ 1.415.337,-- in 2015 naar € 149.453,-- in 2016). Omdat [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend dat [bedrijfsnaam 1] in 2014 nog een vordering op [verweerder] had van
€ 1.474.544,-- en heeft verklaard dat die in 2016 is voldaan door verrekening met een dividenduitkering door [bedrijfsnaam 1] , mocht van hem, (mede) in het licht van zijn verzwaarde motiveringsplicht, worden verlangd dat hij stukken zou overleggen ter onderbouwing van die stelling waaruit in ieder geval zou kunnen worden afgeleid hoe die verrekening of voldoening is verlopen. Dat heeft hij nagelaten. De enkele verklaring van [A] (gedateerd 17 oktober 2016) dat de rekening-courant nihil is, volstaat niet. Dit geldt te meer gelet op wat hierna in 4.9.2. is overwogen.

4.9.2.

Het is onduidelijk wat de status van de in deze procedure door [verweerder] overgelegde (en door [A] opgestelde) stukken is. Het wekt geen verbazing dat ING Bank vraagtekens plaatst bij de juistheid van de inhoud daarvan. De bedragen in de door [verweerder] in het geding gebrachte balansen van [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] per ultimo 2015 wijken bij nagenoeg alle balansposten flink af van de bedragen in andere balansen van [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] per ultimo 2015 die van [verweerder] afkomstig (en door [A] opgesteld) zijn en die [verweerder] in november 2016 in een procedure tegen ING Bank voor de rechtbank Amsterdam als zijnde vastgestelde en gedeponeerde jaarcijfers heeft gepresenteerd. Het gaat, wat deze laatstbedoelde stukken betreft (die ING Bank in de onderhavige procedure als aanvullende producties heeft overgelegd), onder meer om de balansen die door [verweerder] zijn aangeduid als “Deponering balans 2015” met daarop de vermelding (citaat): “Deze jaarrekening 2015 is door de AvA vastgesteld op 29 augustus 2016”. Op deze Deponering balans 2015 staat bij [bedrijfsnaam 1] een post “vorderingen” per ultimo 2015 van € 1.718.854, terwijl in dezelfde balanspost zoals die is opgenomen in de door [verweerder] in deze procedure overgelegde balans 2015 € 1.568.000,-- staat vermeld. Bij [bedrijfsnaam 2] is dat verschil nog groter: € 1.884,-- (in de Deponering balans 2015) tegenover € 428.105,-- in de balans over 2015 die [verweerder] in deze procedure heeft overgelegd. Hoewel [verweerder] destijds voor de rechtbank Amsterdam heeft verklaard dat de Deponering balans 2015 de gedeponeerde jaarcijfers van [bedrijfsnaam 1] respectievelijk [bedrijfsnaam 2] over 2015 bevatte, heeft hij in de onderhavige procedure ter zitting evenwel het standpunt ingenomen dat de Deponering balans 2015 slechts voorlopige cijfers zou bevatten. Volgens [verweerder] zouden de balansen (gedateerd 17 oktober 2016) die in de onderhavige procedure zijn overgelegd, de juiste cijfers weergeven. [verweerder] heeft deze rechtbank niet kunnen uitleggen waarom hij in november 2016 dan niet die (definitieve) balansen van 17 oktober 2016 aan de rechtbank Amsterdam heeft gepresenteerd in plaats van ‘voorlopige’ cijfers als door de AvA vastgestelde en gedeponeerde jaarcijfers te presenteren.

4.9.3.

Wat daar verder van zij, op grond van hetgeen hiervoor in 4.9.1. is overwogen, gaat de rechtbank er in het navolgende van uit dat de vordering van [bedrijfsnaam 1] op [verweerder] van
€ 1.474.544,-- ten tijde van de beslaglegging nog bestond.

4.9.4.

Wat de door ING Bank gestelde rekening-courant vordering van [bedrijfsnaam 2] op [verweerder] van € 165.536,62 betreft, overweegt de rechtbank het volgende op. [verweerder] heeft in zijn verweerschrift de betrouwbaarheid in twijfel getrokken van de balans die ING Bank ter onderbouwing van dit bedrag als bewijsstuk heeft overgelegd. Uit andere door ING Bank overgelegde stukken blijkt echter dat [verweerder] deze balans zelf op 12 mei 2016 aan ING Bank (althans haar gemachtigde Vesting Finance) heeft gestuurd. Het zijn door [A] opgestelde conceptcijfers van [bedrijfsnaam 2] per 31 december 2015. Dat deze (concept)cijfers niet corresponderen met de jaarcijfers over 2015 van [bedrijfsnaam 2] die [verweerder] op 22 maart 2017 bij de Kamer van Koophandel heeft gedeponeerd (hierna: “Publicatiebalans [bedrijfsnaam 2] ”), is juist. Dat kan hem in het kader van de onderhavige procedure echter niet baten. De Publicatiebalans [bedrijfsnaam 2] vermeldt bij de post “vorderingen” een veel hoger bedrag
(€ 428.105,--) dan diezelfde post in de conceptbalans die ING Bank aan haar stellingen ten grondslag heeft gelegd (€ 165.536,62). Bovendien blijkt uit de “toelichtingen op de balans” over 2015 die [verweerder] in deze procedure in het geding heeft gebracht, dat de post vorderingen in 2015 vooral bestaat uit een rekening-courant vordering op [verweerder] van
€ 423.067,-- De vraag blijft echter hoe die rekening-courant vordering op [verweerder] is teruggebracht naar € 0,-- per 30 september 2016. Op dit punt heeft [verweerder] echter geen enkele toelichting gegeven, terwijl ook dit in het kader van zijn verzwaarde motiveringsplicht wel op zijn weg had gelegen.

4.9.5.

[verweerder] heeft weliswaar bewijs op de hiervoor in 4.9.1. en 4.9.4. genoemde punten aangeboden, althans van het feit dat [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] niets meer van [verweerder] te vorderen hebben, door [A] als getuige te horen, maar de rechtbank gaat aan dit aanbod (tot tegenbewijs) voorbij. Los nog van het feit dat de rechtbank op grond van het voorgaande betwijfelt of [verweerder] de voor de beslissing van belang zijnde feiten in de onderhavige procedure volledig en naar waarheid heeft aangevoerd, heeft [verweerder] met de in deze procedure door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop op geen enkele wijze zijn stelling onderbouwd dat de vorderingen die [bedrijfsnaam 1] in 2014 en [bedrijfsnaam 2] ultimo 2015 op hem hadden, in 2016 althans ten tijde van de beslaglegging door ING Bank volledig zijn voldaan. Anders gezegd: [verweerder] heeft ondanks daar herhaaldelijk toe in staat te zijn gesteld, niet voldaan aan zijn verzwaarde motiveringsplicht ten aanzien van zijn betwisting van de stellingen van ING Bank.

4.10.

Daarmee staat, als onvoldoende door [verweerder] gemotiveerd betwist, vast dat de door [verweerder] afgelegde verklaringen derdenbeslag voor [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] onjuist zijn. Aan nadere (tegen)bewijslevering komt de rechtbank daarom niet toe. Dit leidt ertoe dat de rechtbank het er voor houdt dat er tussen [verweerder] en [bedrijfsnaam 1] een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan op grond waarvan [bedrijfsnaam 1] ten tijde van de beslaglegging nog
€ 1.474.544,-- van [verweerder] te vorderen heeft. Verder houdt de rechtbank het ervoor dat er tussen [verweerder] en [bedrijfsnaam 2] een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan op grond waarvan [bedrijfsnaam 2] ten tijde van de beslaglegging nog € 423.067,-- van [verweerder] te vorderen heeft.

4.11.

Nu voornoemde bedragen het bedrag overstijgen waarvoor door ING Bank onder [verweerder] ten laste van [bedrijfsnaam 1] respectievelijk [bedrijfsnaam 2] beslag is gelegd - te weten:
€ 250.664,91 respectievelijk € 79.292,58 - zal de rechtbank [verweerder] kunnen veroordelen tot betaling of afgifte van deze bedragen waarvoor beslag is gelegd. In beide voornoemde bedragen zijn proceskosten (€ 8.008,68) en nakosten (€ 131,--) meegenomen die slechts één keer zijn verschuldigd. De rechtbank zal hiermee in de veroordeling tot betaling rekening houden, als na te melden. ING Bank vordert verder de bedragen tot betaling waartoe [verweerder] wordt veroordeeld te vermeerderen met rente vanaf 18 september 2017. De rechtbank begrijpt dat hiermee de wettelijke rente wordt bedoeld. Deze wordt, bij gebreke van een specifiek verweer daartegen, toegewezen. De ingangsdatum daarvan zal echter worden gesteld op 4 november 2017 nu [verweerder] , gelet op de sommatie (zie hiervoor in 2.4.), vanaf die datum in verzuim is met het afleggen van een (deugdelijke) verklaring en afgifte aan ING Bank van wat aan haar overeenkomstig een juiste verklaring toekomt.

4.12.

ING Bank heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking nu niet is gesteld en ook niet op een andere manier is gebleken dat een aanmaning overeenkomstig de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden.

4.13.

[verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ING Bank worden begroot op:

- betekening oproeping € 80,42

- overige explootkosten 20,63

- griffierecht 3.894,00

- salaris advocaat 4.804,00 (2,0 punten × tarief € 2.402,00)

Totaal € 8.799,05

4.14.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment al kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [verweerder] om aan ING Bank of aan de deurwaarder te betalen een bedrag van € 321.817,81, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover met ingang van 4 november 2017 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, aan de zijde van ING Bank tot op heden begroot op € 8.799,05, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW daarover met ingang van veertien dagen na de dag van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [verweerder] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [verweerder] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de dag van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2018.