Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4434

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
UTR 18/1977
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig, verzoek tot feitelijke handeling, intern karakter

Wetsartikelen: artikelen 1:3, derde lid, 6:2, aanhef en onder b, en 8:1 van de Awb

Samenvatting:

Eiser heeft verweerder op grond van artikel 3:41 van de Awb verzocht brieven (niet geanonimiseerd) bekend te maken die zien op de toewijzing van exploitatiebudget aan de afdeling waar hij werkte. Hij stelt belanghebbende te zijn bij die brieven omdat hij zonder financiering zijn werk niet had kunnen doen.

Er is geen sprake van een verandering in eisers rechtspositie als gevolg van deze brieven. Deze brieven hebben enkel een intern karakter en geen externe rechtsgevolgen. Het verzoek om de brieven te verstrekken moet worden opgevat als een verzoek aan verweerder om een feitelijk handeling te verrichten. Dit verzoek kan niet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, zodat ook geen sprake kan zijn van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/1977

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van bestuur van de Universiteit Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.J. van de Pas).

Procesverloop

Bij brief van 12 maart 2018 heeft eiser verweerder op grond van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om bekendmaking van een tweetal besluiten over toewijzing van financiële middelen voor de werkzaamheden van medewerkers.

Op 24 april 2018 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek.

Op 15 mei 2018 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op

zijn aanvraag.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2018. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag of bezwaar kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).

2. Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder een aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is sprake - voor zover hier van belang - indien er een verandering optreedt in de bestaande rechten, verplichtingen of bevoegdheden of wanneer het bestaan van rechten, verplichtingen, bevoegdheden bindend wordt vastgesteld. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt het niet-tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit bij de bestuursrechter.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser verweerder verzoekt om twee brieven uit 2005 en 2006 (met de kenmerken [kenmerk] en [kenmerk] ) alsnog niet geanonimiseerd aan hem bekend te maken als belanghebbende. In die brieven informeert de [faculteit] de geadresseerde hoogleraar over “de toewijzing aan uw programma van het exploitatiebudget 2005 (resp. 2006), ondersteuning vanuit de IGF, de toekenning van nieuwe aio- en postdoc-posities en eventuele andere specifieke toekenningen.” Verweerder heeft deze brieven, deels geanonimiseerd, in 2015 openbaar gemaakt naar aanleiding van een verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Tegen dit Wob-besluit heeft eiser geen rechtsmiddel ingesteld.

Verder heeft eiser verweerder op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens verzocht om de naam van de ondertekenaar(s) en die van de geadresseerde(n) van beide brieven kenbaar te maken. Dit verzoek is door verweerder afgewezen. Tegen de beslissing op bezwaar, waarbij verweerder de aanwijzing van het verzoek heeft gehandhaafd, is geen beroep ingesteld.

4. De rechtbank overweegt dat het verzoek van 12 maart 2018 niet aangemerkt kan worden als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het betreft namelijk geen verzoek aan verweerder tot het nemen van een besluit. Eiser verzoekt verweerder in zijn brief om bekendmaking van de brieven op grond van artikel 3:41 van de Awb, waarbij hij stelt belanghebbende te zijn en waarvan hij vindt dat verweerder ze onverwijld na totstandkoming aan hem bekend had moeten maken. Op zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij belanghebbende is bij de brieven omdat hij zonder financiering zijn werk niet had kunnen doen. De omstandigheid dat de geadresseerde hoogleraar geïnformeerd wordt over het exploitatiebudget voor zijn programma en eiser, als één van de medewerkers van dat programma, zijn werk kon doen door de toedeling van dat budget, betekent niet dat er op grond van de toedeling van het budget een verandering kwam in zijn rechtspositie. Deze brieven hebben dan ook uitsluitend een intern karakter en geen externe rechtsgevolgen. Eisers verzoek om bekendmaking van de brieven kan dan ook niet leiden tot een bindende vaststelling van of verandering in de bestaande rechten, verplichtingen of bevoegdheden van eiser. Het verzoek om de brieven te verstrekken moet om die reden opgevat worden als een verzoek aan verweerder om een feitelijke handeling te verrichten.

5. Omdat er geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb kan er gelet op artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb ook geen sprake zijn van een beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit. Dit heeft tot gevolg dat artikel 8:1 van de Awb niet van toepassing is en de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van het beroepschrift van eiser.

6. Het rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.L. Verbruggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.