Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:440

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
450623 / HA RK 17-271
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 450623 / HA RK 17-271

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 30 januari 2018

op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoeker).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 24 november 2017, op welke zitting verzoeker een verzoek tot wraking van mrs. G.L.M. Urbanus, G.J.J.M. Essink en N.E.M. Kranenbroek heeft ingediend;

  • -

    de nadere schriftelijke uiteenzetting van de wrakingsgronden van verzoeker van 29 november 2017;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechters mrs. Urbanus, Essink en Kranenbroek van 7 december 2017;

  • -

    de brief van verzoeker van 12 december 2017 waarin hij vraagt om extra zittingstijd voor de behandeling van zijn wrakingsverzoek;

  • -

    de schriftelijke afwijzing van voormeld verzoek van 14 december 2017;

  • -

    de schriftelijke reactie van 3 januari 2018 van verzoeker op de reactie van de rechters mrs. Urbanus, Essink en Kranenbroek;

  • -

    de nadien gevoerde e-mailwisseling tussen verzoeker en de rechtbank betreffende het wrakingsprotocol en de vindplaatsen van een drietal daarin genoemde uitspraken.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 12 januari 2018 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

1.3.

Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek zijn verzoeker en mr. Kranenbroek verschenen. Mr. Kranenbroek is mede namens mrs. Urbanus en Essink verschenen.

1.4.

Het door verzoeker aan het begin van de openbare behandeling gedane verzoek om geluidsopnames van de zitting te mogen maken is door de wrakingskamer afgewezen.

1.5.

Nadat de uitspraak is bepaald op 26 januari 2018, heeft verzoeker bij brief van 18 januari 2018 de wrakingskamer gewraakt. Het verzoek tot wraking is op 22 januari 2018 door de rechtbank ontvangen, waarna de verdere behandeling van het wrakingsverzoek is geschorst en er op 26 januari 2018 geen uitspraak is gedaan.

1.6.

Het onder 1.5 bedoelde (nieuwe) wrakingsverzoek is bij beslissing van 29 januari 2018 door de wrakingskamer ongegrond verklaard (453691 / HA RK 18-24), waarna uitspraak over het onderhavige verzoek is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mrs. Urbanus, Essink en Kranenbroek als behandelend rechters (hierna te noemen: de rechters) in de zaak met zaaknummer 450077 / HA RK 17-262 betreffende de wraking door verzoeker van mr. E.J.W. Verhaagh.

2.2.

Verzoeker grondt het onderhavige wrakingsverzoek, zo leidt de wrakingskamer af uit het proces-verbaal van de zitting van de wrakingskamer van 24 november 2017 en de brief van verzoeker van 29 november 2017, op het volgende:

  1. de rechters hebben geen toestemming gegeven aan verzoeker om opnames van de zitting op 24 november 2017 te maken. Dit betekent dat de rechters de cognitieve en andere klachten die verzoeker heeft niet serieus hebben genomen. Deze klachten dienden de rechters wel in ogenschouw te nemen, omdat deze ook van betekenis waren voor het moment waarop verzoeker in staat was de gronden van zijn verzoek tot wraking van mr. Verhaagh te formuleren;

  2. de rechters hebben verzoeker slechts enkele vragen gesteld en hem ter zitting niet voldoende tijd gegeven om alle feiten en omstandigheden uiteen te zetten waarom hij meende dat hij kon twijfelen aan de onpartijdigheid van mr. Verhaagh. Hij mocht geen opnames laten horen die zijn stellingen daarover ondersteunen;

  3. de rechters hebben verzoeker het recht ontzegd om het laatst het woord te voeren. Daarvan wilde hij gebruik maken om zijn verzoek tot wraking van mr. Verhaagh alsnog nader toe te lichten.

2.3.

De rechters hebben niet berust in de wraking. In het vervolg van deze beslissing zal nader op de reactie van de rechters worden ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 8:15 van de Awb bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts

gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de

mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het

Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan

onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging

vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden

voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat

het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de

rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn

aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke

omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat

een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die

procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

Voor wat betreft de onder 2.2. onder a genoemde grond ziende op het niet mogen maken van geluidsopnames overweegt de wrakingskamer als volgt. De wrakingskamer stelt voorop dat het aan de behandelend rechter(s) is om het maken van opnames al of niet toe te staan. De enkele omstandigheid dat een rechter niet toelaat dat een geluidsopname van de zitting wordt gemaakt, is onvoldoende om partijdigheid te kunnen aannemen. De voorzitter, die op grond van artikel 8:61 van de Awb de leiding heeft van de zitting, heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van 24 november 2017 de beslissing om geen opnames toe te staan gemotiveerd door te verwijzen naar de standaardregel van de rechtbank dat (zonder voorafgaande toestemming) geen opnamen mogen worden gemaakt. Deze regel is kenbaar gemaakt op rechtspraak.nl. De conclusie van verzoeker dat uit vorenbedoelde weigering per definitie volgt dat de rechters zijn cognitieve en andere klachten niet serieus hebben genomen deelt de wrakingskamer niet. Uit niets blijkt dat de weigering geluidsopnames toe te staan is ingegeven door vooringenomenheid van de rechters al dan niet ingegeven door een waardering van de door verzoeker genoemde klachten. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden, zijn door verzoeker niet aangevoerd. Deze wrakingsgrond slaagt dus niet.

3.5.

Voor wat betreft de onder 2.2. onder b. genoemde wrakingsgronden geldt dat deze eveneens geen aanleiding geven te oordelen dat sprake is van enige vooringenomenheid jegens verzoeker. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.6.

Uit het proces-verbaal van de zitting van 27 november 2017 en de schriftelijke reactie van de rechters blijkt dat verzoeker een uitgebreid schriftelijk wrakingsverzoek (ruim elf pagina’s) had ingediend waarop hij ter zitting nog correcties heeft aangebracht. Gebleken is dat de rechters verzoeker enkele vragen hebben gesteld, waarna zij zich voldoende voorgelicht hebben geacht en verzoeker nog een kwartier de tijd hebben gegeven voor een nadere toelichting. De omstandigheid dat de rechters verzoeker niet uitgebreider hebben bevraagd betekent niet dat er sprake is van een vooringenomenheid betreffende verzoeker persoonlijk of diens standpunt in de zaak.

3.7.

Dat de rechters verzoeker niet de volledige door hem gewenste spreektijd hebben gegeven en hem niet de gelegenheid hebben gebodengeluidsfragmenten te laten afspelen betreft verder procedurele beslissingen. Een procedurele beslissing levert op zichzelf geen grond voor wraking op, tenzij deze beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze niet anders kan worden verklaard dan vanuit een gebrek aan onpartijdigheid.

3.7.1.

In de schriftelijke reactie hebben de rechters meegedeeld dat in beginsel, zoals ook te doen gebruikelijk in wrakingszaken, een half uur tijd voor de behandeling van het verzoek was uitgetrokken. Doordat verzoeker als enige was verschenen hoefde deze tijd ook niet met anderen gedeeld te worden. De opmerking van de rechters op enig moment dat verzoeker nog ongeveer 15 minuten de gelegenheid had om zijn standpunt nader naar voren te brengen en dat hem geen gelegenheid geboden werd om alsnog een - volgens de rechters drie kwartier durend - geluidsfragment af te spelen is gelet op alle omstandigheden van het geval geen onbegrijpelijke procesbeslissing, laat staan een beslissing die dermate onbegrijpelijk is dat deze niet anders kan worden verklaard dan vanuit een gebrek aan onpartijdigheid van de rechters.

3.8.

Voor wat betreft de onder 2.2. onder c. genoemde wrakingsrond geldt dat deze grond evenmin tot toewijzing van het verzoek leidt. Ingevolge artikel 8:65, tweede lid, van de Awb hebben partijen het recht om voor het laatst het woord te voeren, voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten. Na te zijn bevraagd door de rechters is aan verzoeker ongeveer een kwartier de gelegenheid geboden om zijn standpunt nader toe te lichten, alvorens de mondelinge behandeling van de zaak zou worden beëindigd. Daarmee was voldaan aan de inhoud en strekking van artikel 8:65, tweede lid, van de Awb, zodat de omstandigheid dat de behandeling ter zitting geschorst en niet gesloten is in dit verband niet meer van belang is. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat dit artikel is geschonden. Anders dan verzoeker heeft gesteld kan het laatste woord van artikel 8:65, tweede lid, Awb ook niet volledig op één lijn worden gesteld met het in strafzaken aan verdachte toegekende laatste woord als bedoeld in artikel 311, vierde lid, Wetboek van Strafvordering. Zo staat het de bestuursrechter vrij te bepalen welke partij hij als eerste het laatste woord geeft, terwijl dit in het strafrecht altijd de verdachte dient te zijn.

3.9.

Conclusie is dat de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht - afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang bezien - geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt of zou kunnen lijden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechters, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel recht en Bestuursrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure met zaaksnummer 450077 / HA RK 17-262 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.


Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, en mr. R.M. Berendsen en mr. N.M. Spelt als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. T. Stokvis, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.