Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4361

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
13-09-2018
Zaaknummer
C/16/464611 / FT RK 18/1085
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing dwangakkoord. Proceskostenveroordeling één van de twee weigerende schuldeisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/464611 / FT RK 18/1085

uitspraakdatum: 12 september 2018

uitspraak op grond van artikel 287a van de Faillissementswet (‘dwangakkoord’)

enkelvoudige kamer

in de zaak van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

[woonplaats] ,

hierna: [verzoeker] ,

tegen

1 de besloten vennootschap

Independer.nl Services B.V.

gevestigd te Hilversum,

gemachtigde: LAVG gerechtsdeurwaarders,

hierna: Independer,

2 de besloten vennootschap

Deurwaarderskantoor Van Dam en Pruijn B.V., h.o.d.n. PB Tankcollect,
gevestigd te Delft, handelend namens:
Texaco Bunnik, gevestigd te Bunnik,

hierna: PB Tankcollect.

1 De procedure

1.1.

[verzoeker] heeft op 27 juli 2018 tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het uitspreken van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Fw, hierna: het verzoek.

1.2.

Independer liet op 3 september 2018 weten dat zij alsnog akkoord is, onder de voorwaarde dat iedere schuldeiser akkoord is.

1.3.

Op 5 september 2018 is het verzoek ter zitting behandeld. Verschenen zijn:

- de heer [verzoeker] , verzoeker;

- mevrouw [A] , begeleider;

- mevrouw [B] , schuldhulpverlener van Stichting de Tussenvoorziening.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1.

[verzoeker] is een 29-jarige, alleenstaande man. Hij woont zelfstandig, met begeleiding. Zijn inkomen bestaat uit een uitkering op grond van de Participatiewet.

2.2.

De totale schuldenlast van [verzoeker] bestaat uit 15 concurrente en 2 preferente vordering(en) met een totale schuldhoogte van € 32.414,89.

2.3.

[verzoeker] heeft op 21 maart 2018 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in dat [verzoeker] gedurende 36 maanden zijn afloscapaciteit reserveert. Doorbetaling van het gereserveerde bedrag vindt plaats op grond van een pondspondsgewijze verdeling. Dat zal kunnen resulteren in een uitkering van 11,59 % aan de concurrente schuldeisers. Aan de preferente schuldeisers wordt het dubbele geboden. Het aanbod is gebaseerd op een prognose; er zal een hoger bedrag worden gereserveerd voor de crediteuren, op het moment dat het inkomen van [verzoeker] stijgt, dan wel zal er een lager bedrag worden gereserveerd op het moment dat het inkomen daalt.

2.4.

De onder 2.3. bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve PB Tankcollect aanvaard. Independer heeft het voorstel aanvaard onder de voorwaarde dat iedere schuldeiser akkoord is, zodat ook Independer als weigeraar moet worden aangemerkt.

3 Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

3.1.

[verzoeker] heeft in het verzoek om toepassing van de schuldsanering de rechtbank verzocht Independer en PB Tankcollect te bevelen in te stemmen met de onder 2.3. bedoelde schuldregeling. [verzoeker] heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat de schuldeisers bij toepassing van de wettelijke schuldsanering geen uitkering kunnen verwachten, nu [verzoeker] in de schuldsaneringsregeling geen afloscapaciteit heeft.

4 De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

4.1.

Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als Independer en PB Tankcollect in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoeker] of van de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. Daarbij dient tevens een vergelijking te worden gemaakt met de situatie dat [verzoeker] tot de schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten.

4.2.

Allereerst zal bij de beoordeling van de vraag of Independer en PB Tankcollect in redelijkheid tot hun weigering konden komen, moeten worden gekeken naar de inhoud van het akkoord. Aanvaarding van het akkoord zal tot gevolg hebben dat de schuldeisers naar verwachting 11,59 % van hun vordering voldaan kunnen krijgen.

Aan de minnelijke regeling zijn geen kosten verbonden. Na de minnelijk regeling is er

€ 4.100,-- beschikbaar voor de schuldeisers. Dit zal (in beginsel) moeten worden vergeleken met de situatie dat op [verzoeker] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing wordt, zoals subsidiair verzocht. Door [verzoeker] is een berekening overgelegd waaruit blijkt dat hij tijdens de schuldsaneringsregeling ten behoeve van de schuldeisers niets kan sparen, nu zijn inkomen lager is dan het vrij te laten bedrag.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat uit het verzoek voldoende is gebleken dat het bod van [verzoeker] het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht. Gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder de persoonlijke problematiek van [verzoeker] en het feit dat hij thans (met een onderbouwing) door de gemeente ontheven is van zijn sollicitatieverplichting, heeft de rechtbank niet de verwachting dat verzoeker zodanige inkomsten kan generen dat in een schuldsaneringsregeling minimaal eenzelfde percentage kan worden uitgedeeld. Het is voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker op dit moment niet in staat is fulltime in een (regulier) dienstverband te werken. Een sterke toename van inkomsten is dan ook niet te verwachten.

4.4.

Nu de vooruitzichten voor Independer en PB Tankcollect als schuldeisers bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat Independer en PB Tankcollect op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling hebben kunnen komen. Immers moet er op grond van deze vooruitzichten van uit worden gegaan dat Independer en PB Tankcollect geen belang hebben bij de weigering van de instemming, terwijl [verzoeker] en de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling. Daarbij weegt mee dat de vorderingen van Independer en PB Tankcollect een relatief klein deel (0,61% resp. 0,91%) van de totale schuldenlast vertegenwoordigen.

4.5.

Aangezien het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen, komt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet meer aan de orde.

4.6.

[verzoeker] heeft verzocht de weigerachtige schuldeisers te veroordelen in de kosten van de procedure op grond van artikel 287a lid 6 Fw. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de kostenveroordeling uit artikel 287a lid 6 Fw een stimulans moet zijn om in het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen (vgl. Kamerstukken II, 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 18). Independer heeft steeds inhoudelijk verweer gevoerd en heeft na ontvangst van het volledige verzoekschrift haar standpunt bijgesteld. De rechtbank zal haar daarom niet in de proceskosten veroordelen. PB Tankcollect is echter in haar schriftelijke weigering niet ingegaan op de omstandigheden van de onderhavige casus. Zij voert een algemene

– principiële – weigeringsgrond aan en is eerst bereid te onderhandelen bij een aanbod van 50% of hoger, terwijl een dergelijk aanbod in het kader van het minnelijk traject zeldzaam is. Het staat PB Tankcollect weliswaar vrij om te weigeren, maar bij een weigering op deze gronden lijkt het reeds op voorhand niet mogelijk om met PB Tankcollect tijdens het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen. PB Tankcollect heeft daarnaast geen verweerschrift ingediend en is evenmin ter zitting verschenen. De rechtbank acht het daarom wenselijk PB Tankcollect in de kosten van de procedure te veroordelen.

Uit artikel 285 Fw vloeit voort dat het minnelijk traject moet worden begeleid door het college van burgemeester en wethouders, een gemeentelijke kredietbank of de krachtens de in artikel 48, eerste lid, onderdeel d van de Wet op het consumentenkrediet toegelaten personen. De rechtbank zal de proceskosten daarom begroten naar analogie van de artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin rechtsbijstand verplicht is.

Gezien de aard van deze procedure zal de rechtbank aansluiten bij het tarief voor een eenvoudig kort geding. De kosten aan de zijde van [verzoeker] worden tot op heden begroot op € 633,--.

5
5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt Independer en PB Tankcollect in te stemmen met de onder 2.3 bedoelde schuldregeling;

5.3.

veroordeelt PB Tankcollect in de kosten van deze procedure, tot op heden begroot op € 633,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op

12 september 2018.