Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4360

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-08-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
UTR 17/3278
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Omgevingsvergunning voor het realiseren van lichtmasten bij een voetbalveld. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door een nadere eis aan de omgevingsvergunning te verbinden gelet op het lichthinderrapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/3278

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E. van Kampen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. H.J.M. van Gellekom).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Voetbalvereniging Zeehelden Amersfoort (V.V.Z.A.), te Amersfoort.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen ten behoeve van het plaatsen van zes lichtmasten op het perceel Hoolesteeg 6 te Amersfoort (het perceel).

Bij besluit van 6 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. X. Visscher. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] , voorzitter,

[B] , facilitair medewerker en [C] , secretaris van V.V.Z.A. (de voetbalvereniging).

Bij tussenuitspraak van 18 mei 2018 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 27 augustus 2018 gesloten.

Overwegingen

1.1.

Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

1.2.

De rechtbank ziet aanleiding om in dit uitzonderlijke geval terug te komen van het in de tussenuitspraak in r.o. 8 gegeven oordeel dat de woning van eiser de meest belaste woning is en die belasting net onder de maximale norm, opgenomen in de richtlijn van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) ligt. De rechtbank is namelijk bij de lezing van het lichthinderrapport van 13 december 2016 ervan uitgegaan dat eisers woning in het rapport wordt aangeduid met de code ‘Bb’, terwijl bij nadere bestudering blijkt dat eisers woning in het rapport van 13 december 2016 – en in de na de tussenuitspraak aangeleverde rapporten van 8 juni 2018 – is aangeduid met de code ‘Cc’. Dit betekent dat eisers woning niet de meest belaste woning is in het rapport van 13 december 2016 en dat de belasting ruimschoots onder de norm blijft.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is genomen, omdat niet gebleken is dat verweerder heeft onderzocht of er op grond van artikel 11.3 van de planregels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Park Schothorst e.o.’ één of meer nadere eisen moeten worden gesteld aan de lichtmasten ter voorkoming van lichthinder voor eiser. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat ter zitting aannemelijk is geworden dat het plaatsen van kappen om of bij de lampen van de lichtmasten een te onderzoeken mogelijkheid is om de belasting op de gevel van eiser te verminderen. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat in het lichthinderonderzoek van 13 december 2016 is geadviseerd om, na het realiseren van het bouwplan, de theoretische uitkomsten te toetsen aan de praktijkresultaten. De rechtbank heeft daarover geoordeeld dat, gelet op de belangen van eiser, ten onrechte geen nadere eis met deze strekking is gesteld.

3. Verweerder heeft in zijn aanvullende motivering van 20 juni 2018 aangegeven de leverancier van de lichtmasten te hebben gevraagd om de huidige aangelegde situatie uit te werken. In het rapport van de leverancier van 8 juni 2018 staat dat in de huidige situatie de maximale lichtintensiteit op eisers perceel varieert van 4.930 candela (cd) tot 5.784 cd, waar in de onderhavige zone E2 landelijk gebied een maximale waarde van 7.500 cd is toegestaan. Het strooilicht op de gevel van eisers woning bedraagt 1 lux, waar de grens op 5 lux is gesteld. Verweerder heeft tevens laten onderzoeken of er in het geval van lagere masten met een hoogte van 10 meter er sprake zou zijn van minder lichthinder. Uit dat onderzoek blijkt dat in die situatie sprake is van waarden die volgens de Richtlijn Lichthinder van de NSVV worden aangemerkt als zeer ernstige lichthinder. Daarnaast heeft verweerder bij de leverancier nagevraagd of het mogelijk is om kappen te monteren op de armaturen. Dit is mogelijk, maar volgens de leverancier zal dit “vlekken” geven op het veld en ten koste gaan van de lichtopbrengst, met als mogelijk gevolg dat de lichtinstallatie niet meer voldoet aan de eisen van de KNVB, aldus verweerder. Verweerder concludeert dat de overgelegde rapporten bevestigen dat de lichthinder op eisers perceel onder de norm blijft en dat uit de uitkomsten van het onderzoek blijkt dat de kappen niet nodig zijn. Er hoeft daarom volgens verweerder geen nadere eis gesteld te worden.

4. Eiser stelt in zijn zienswijze van 3 juli 2018, kort gezegd, dat verweerder met de nadere motivering van 20 juni 2018 niet heeft voldaan aan de herstelmogelijkheid. Volgens eiser is er onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om kappen te plaatsen en is er ten onrechte nagelaten de nadere eis te stellen dat de theoretische uitkomsten worden getoetst aan de praktijkresultaten.

5. Mede in aanmerking genomen dat de lichtwaarden op de woning van eiser liggen op het in rechtsoverweging 3 genoemde niveau en daarbij ruimschoots wordt gebleven onder de maximumnormen van de richtlijn van de NSVV en gegeven de door verweerder genoemde nadelige gevolgen voor het gebruik van het veld ten gevolge van het plaatsen van kappen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met de aanvullende motivering van 20 juni 2018 toereikend heeft gemotiveerd waarom het plaatsen van kappen om of bij de lampen van de lichtmasten niet als nadere eis aan de vergunning is verbonden. In zoverre is het in de tussenuitspraak constateerde gebrek hersteld.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld voor zover is nagelaten om als nadere eis aan de omgevingsvergunning te verbinden dat de theoretische uitkomsten van het lichthinderonderzoek aan de praktijkresultaten worden getoetst middels een lichtmeting, zoals is geadviseerd in het rapport van 13 december 2016 van Oostendorp Nederland.

7. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel genomen en is het beroep in zoverre gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit, voor zover daarin niet de nadere eis is gesteld dat wordt getoetst aan de praktijkresultaten, vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank beslecht de aan haar voorgelegde geschillen zo definitief mogelijk en ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien door als nadere eis aan de omgevingsvergunning te verbinden dat binnen zes maanden na deze uitspraak wordt gecontroleerd of voor eisers woning de praktijksituatie in overeenstemming is met de theoretische resultaten zoals weergegeven in het rapport van

13 december 2016 van Oostendorp Nederland, met inachtneming van de daarin genoemde uitgangspunten.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin geen nadere eis is gesteld;

  • -

    verbindt als nadere eis aan de omgevingsvergunning dat binnen zes maanden na deze uitspraak wordt gecontroleerd of voor eisers woning de praktijksituatie in overeenstemming is met de theoretische resultaten zoals weergegeven in het bij de omgevingsvergunning gevoegde rapport van 13 december 2016 van Oostendorp Nederland, met inachtneming van de daarin genoemde uitgangspunten;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.252,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Wijna, voorzitter, en mr. K. de Meulder en mr. E.C. Matiasen, leden, in aanwezigheid van mr. S.M. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.