Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4349

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
C/16/461108 / KG ZA 18-320
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opheffing beslag op uitkering vanwege beslagvrije voet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/461108 / KG ZA 18-320

Vonnis in kort geding van 22 augustus 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] (Turkije),

eiseres,

advocaat mr. A.P. van Stralen te Utrecht,

tegen

rechtspersoon

DE GEMEENTE NIEUWEGEIN,

kantoorhoudende te Nieuwegein,

gedaagde,

niet verschenen,

en

rechtspersoon

HET DAGELIJKS BESTUUR WERK EN INKOMEN LEKSTROOM,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

vertegenwoordigd door [A] en [B] .

Partijen zullen hierna [eiseres] , gemeente Nieuwegein en WIL genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de nagekomen productie van [eiseres]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van WIL.

1.2.

Daarna is de datum voor deze uitspraak bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1.

[eiseres] woont in Turkije. Zij ontving van de SVB een remigratie-uitkering van netto € 416,06 per maand. Begin 2018 heeft WIL beslag laten leggen op de uitkering van [eiseres] omdat zij een schuld bij WIL heeft. WIL heeft geen rekening gehouden met een beslagvrije voet. [eiseres] ontvangt daardoor sinds februari 2018 geen uitkering meer.

2.2.

[eiseres] is van mening dat WIL een beslagvrije voet moet hanteren. Zij vindt het onrechtmatig dat WIL dat niet doet (en niet heeft gedaan). [eiseres] stelt dat de van toepassing zijnde beslagvrije voet méér zou bedragen dan het maandelijkse bedrag aan remigratie-uitkering waar zij recht op heeft, zodat het hanteren van een beslagvrije voet zou betekenen dat zij haar volledige uitkering weer zou ontvangen.

2.3.

[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter het beslag opheft en dat WIL de inmiddels via het beslag geïncasseerde bedragen terugbetaalt op straffe van een dwangsom.

2.4.

De gemeente Nieuwegein is niet op de mondelinge behandeling verschenen. [eiseres] heeft haar eis tegen de gemeente Nieuwegein ingetrokken.

2.5.

Er is dus alleen (nog) een geschil tussen [eiseres] en WIL. Het is wat dat geschil betreft allereerst de vraag of de voorzieningenrechter bevoegd is de vordering van [eiseres] te beoordelen. WIL vindt van niet. Zij voert aan dat de vordering van [eiseres] neerkomt op een verzoek tot het vaststellen van een beslagvrije voet op grond van artikel 475e Rv. Dat artikel bepaalt dat de bevoegdheid om een beslagvrije voet vast te stellen toekomt aan de kantonrechter. Volgens WIL betekent dat, dat de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiseres] niet kan beoordelen. De voorzieningenrechter is dat niet met WIL eens. Dat het aan de kantonrechter, als bodemrechter, is om een beslagvrije voet vast te stellen, betekent niet dat de voorzieningenrechter geen mogelijkheid heeft om een voorlopig oordeel uit te spreken in zaken met een spoedeisend belang. Vooruitlopend op het oordeel van de bodemrechter (in dit geval dus de kantonrechter), kan een ordemaatregel worden getroffen als de zaak daar om vraagt. [eiseres] heeft een spoedeisend belang. Dat volgt uit het feit dat er beslag ligt op haar uitkering. De voorzieningenrechter kan haar vordering dus beoordelen.

2.6.

Hoewel een ordemaatregel kan worden getroffen als de zaak daar om vraagt, dient wel met terughoudendheid van deze mogelijkheid gebruik te worden gemaakt. Er kan alleen op het oordeel van de bodemrechter worden vooruitgelopen als in hoge mate aannemelijk is dat de kantonrechter in een artikel 475e Rv-procedure tot de conclusie zal komen dat een beslagvrije voet moet worden vastgesteld voor de hoogte van € 416,06 (of een deel daarvan).

2.7.

Artikel 475e Rv bepaalt dat er geen beslagvrije voet geldt voor vorderingen van een schuldenaar die buiten Nederland woont. Dat geldt tenzij de schuldenaar aantoont dat hij buiten deze vorderingen onvoldoende middelen van bestaan heeft. [eiseres] heeft aangevoerd dat zij behalve de remigratie-uitkering geen middelen van bestaan heeft. Om dit te onderbouwen heeft zij een (vanuit het Turks vertaald) bankafschrift overgelegd betreffende de periode oktober 2017 tot en met januari 2018. Ook heeft [eiseres] een verklaring overgelegd van de gemeente [woonplaats] (waar zij woont), waaruit volgens haar blijkt dat zij geen inkomen in Turkije geniet.

2.8.

Volgens WIL heeft [eiseres] daarmee niet aangetoond dat zij geen andere middelen van bestaan heeft dan haar uitkering. WIL voert aan dat de bankafschriften niet zijn gewaarmerkt door de AKBANK, dat de verklaring van de gemeente niet is goedgekeurd door de belastingdienst in Turkije, dat [eiseres] geen belastingverklaring heeft overgelegd en dat [eiseres] geen (tapu)verklaring van het hypotheekkantoor heeft overgelegd waaruit blijkt dat [eiseres] geen grond of vermogen bezit. Daar komt volgens WIL nog bij dat [eiseres] geen enkel inzicht heeft gegeven in haar uitgavepatroon in Turkije en dat zij niet heeft aangetoond wat haar vaste lasten zijn.

2.9.

Uit het verweer van WIL volgt dat er nog veel onduidelijkheden (kunnen) bestaan over de financiële situatie van [eiseres] . Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet met een hoge mate van aannemelijkheid kan aannemen dat de kantonrechter een beslagvrije voet zal vaststellen en wat de hoogte van die (eventuele) beslagvrije voet zal zijn. De voorzieningenrechter kan dus ook niet vooruitlopen op het oordeel van de kantonrechter. Dat betekent dat de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.

2.10.

In dit oordeel is ook meegewogen dat [eiseres] vanaf februari 2018 geen remigratie-uitkering meer ontvangt. Zij heeft dus al sinds februari 2018 de mogelijkheid om een verzoekschriftprocedure te starten bij de kantonrechter en, door voldoende inzage te geven in haar persoonlijke financiële situatie, een definitieve beslagvrije voet te laten vaststellen. Dat zij dit niet heeft gedaan weegt in deze kortgedingprocedure mee in haar nadeel.

2.11.

[eiseres] zal worden veroordeeld in de proceskosten van zowel WIL als de gemeente Nieuwegein. Wat gemeente Nieuwegein betreft worden die kosten begroot op nihil. De proceskosten van WIL worden begroot op € 1.442,00 (€ 626,00 aan griffierecht en € 816,00 aan salaris gemachtigde).

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van WIL, tot op heden begroot op € 1.442,00;

3.3.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van Gemeente Nieuwegein, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2018.1

1 type: RV (4877)