Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4348

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
7000888 UV EXPL 18-175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Loonvordering en vordering tot wedertewerkstelling. Stoelendansmethode. Uitwisselbaarheid van functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2018/248
AR-Updates.nl 2018-1036
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7000888 UV EXPL 18-175 MS/1270

Kort geding vonnis van 12 september 2018

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. D. Sijbesma (ARAG Rechtsbijstand),

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A.L.W.G. Houtakkers.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de producties van de zijde van [eiser]

- de producties van de zijde van [gedaagde]

- de mondelinge behandeling op 29 augustus 2018

- de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 1 november 2006 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van [gedaagde] . Per 1 januari 2012 is hij op basis van een contract voor onbepaalde tijd voor 32 uur per week werkzaam bij [gedaagde] in de functie van [functie van eiser] tegen een salaris van laatstelijk € 2.699,20 bruto per maand (exclusief overige emolumenten). [eiser] werkte samen met twee andere collega’s op de helpdesk van [gedaagde] in [plaatsnaam 1] .

2.2.

[gedaagde] heeft het UWV op 30 augustus 2017 om toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met [eiser] om bedrijfseconomische redenen op grond van artikel 7:671a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te mogen opzeggen.

2.3.

Op 1 september 2017 heeft de directeur van [gedaagde] een gesprek met [eiser] gehad, waarbij hij [eiser] een brief van de advocaat van [gedaagde] van 1 september 2017 heeft overhandigd. In deze brief staat - kort samengevat - dat er door de transitie van 2D tekenen in [.] naar 3D moduleren in [..] steeds minder werk voor [eiser] voorhanden is en dat [gedaagde] daarom voor [eiser] een ontslagvergunning wil aanvragen. Zij heeft [eiser] een voorstel voor het sluiten van een vaststellingsovereenkomst gedaan.

2.4.

[eiser] en [gedaagde] hebben overleg gevoerd over het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, maar hebben niet tot overeenstemming kunnen komen. [eiser] heeft zich op 25 oktober 2017 ziekgemeld.

2.5.

Het UWV heeft bij beschikking van 17 november 2017 de gevraagde ontslagvergunning geweigerd, omdat [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het vanwege bedrijfseconomische omstandigheden noodzakelijk is dat er bij de helpdesk arbeidsplaatsen structureel vervallen. Het UWV heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de aanvraag en de toelichting van [gedaagde] blijkt dat de helpdesk bemand blijft worden door drie werknemers.

2.6.

[gedaagde] heeft [eiser] in een gesprek op 1 december 2017 te kennen gegeven dat [eiser] niet kan terugkeren naar zijn eigen werk en dat zij [eiser] graag wil detacheren met als uiteindelijk doel overgang naar een nieuwe werkomgeving.

2.7.

Partijen hebben op advies van de bedrijfsarts gesprekken gevoerd onder begeleiding van een mediator. De bedrijfsarts heeft in zijn advies van 10 april 2018 geschreven dat er bij [eiser] geen sprake meer is van een ziekte of gebrek. De mediation is op 16 april 2018 op initiatief van [gedaagde] beëindigd omdat zij niet meer verwachtte dat dit tot een oplossing zou leiden.

2.8.

[gedaagde] heeft [eiser] op 16 april 2018 telefonisch en bij e-mail meegedeeld dat hij de volgende dag naar [vestigingsplaats] moest komen en dat hij daarna zijn werkzaamheden op het kantoor in [plaatsnaam 2] moest gaan opstarten. Verder is hem meegedeeld dat er contact met hem zou worden opgenomen voor het opstellen van een cv en dat er zou worden gestart met activiteiten om hem elders te detacheren. [gedaagde] heeft [eiser] ervoor gewaarschuwd dat zij de loonbetaling zou opschorten als hij de werkzaamheden niet zou hervatten.

2.9.

[eiser] heeft [gedaagde] bij e-mail van 18 april 2018 onder meer meegedeeld dat hij aanspraak maakte op zijn functie bij de helpdesk in [plaatsnaam 1] en bereid en beschikbaar was om daar zijn eigen werk uit te voeren. Hij is vervolgens op 19 april 2018 op de vestiging van [gedaagde] in [plaatsnaam 1] verschenen om daar zijn eigen werk te hervatten, maar is daar niet tot het werk toegelaten. Hij heeft zich bij e-mail van 19 april 2018 wederom bereid en beschikbaar verklaard om deze werkzaamheden te verrichten.

2.10.

[gedaagde] heeft [eiser] bij e-mail van dezelfde dag meegedeeld dat zijn loon zal worden opgeschort zolang hij geen gehoor geeft aan de oproep om zijn werkzaamheden in [plaatsnaam 2] te hervatten na een opstart in [vestigingsplaats] . [gedaagde] heeft het loon van [eiser] ook daadwerkelijk opgeschort.

2.11.

[eiser] heeft bij e-mail van 20 april 2018 onder meer bezwaar gemaakt tegen toepassing van een loonopschorting en heeft een voorstel gedaan voor beëindiging van de arbeidsrelatie door middel van een bijgevoegde concept vaststellingsovereenkomst.

2.12.

[gedaagde] is niet op dit aanbod ingegaan en heeft zich bij e-mail van 23 april 2018 op het standpunt gesteld dat de oude functie van [eiser] niet meer bestaat en dat zij daarom de vrijheid heeft om binnen de grenzen van de redelijkheid te besluiten om [eiser] op een andere plek in de organisatie in te zetten. [eiser] heeft op 25 april 2018 uitgebreid op deze mail gereageerd.

2.13.

[eiser] heeft [gedaagde] bij e-mail van 1 mei 2018 gesommeerd om hem binnen 5 dagen tot zijn eigen werk in [plaatsnaam 1] toe te laten, het achterstallige salaris over de maand april te voldoen en een deugdelijke salarisspecificatie over de maanden maart en april te verstrekken. [gedaagde] heeft niet aan deze sommatie voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om:

I. aan hem te betalen:

a. het bruto-equivalent van € 534,75 netto, althans € 534,75 netto, zijnde het achterstallige salaris over de maand april 2018;

b. € 2.699,20 bruto, zijnde het achterstallige salaris over de maand mei 2018;

c. € 2.699,20 bruto per maand, zijnde het salaris te blijven voldoen, althans bij wijze van voorschot vanaf 1 juni 2018 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd;

d. de wettelijke verhoging wegens vertraging over (de som van) het gevorderde in sub a, b en c vanaf de datum van opeisbaarheid van die bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

e. de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over (de som van) het gevorderde in sub a, b en c vanaf de datum van opeisbaarheid van die bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

f. € 448,40 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw;

g. de proceskosten;

h. de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente;

II. om hem binnen 48 uur na betekening van dit vonnis toegang te verlenen, te doen of laten verlenen tot de werkplek op de locatie te [plaatsnaam 1] en hem in staat te stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden als [functie van eiser] te verrichten, op verbeurte van een door [gedaagde] aan [eiser] te betalen dwangsom van € 250,00 voor elke dag dat [gedaagde] nalatig is aan deze veroordeling te voldoen;

III. om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis aan hem de deugdelijke bruto/netto salarisspecificaties over de maanden januari 2018 tot en met mei 2018 te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagde] ter zake van de verstrekking van die specificaties in gebreke zal blijven.

3.2.

[eiser] stelt zich ter onderbouwing van zijn vorderingen op het standpunt dat [gedaagde] in strijd met haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst handelt door hem niet toe te laten tot zijn werkplek bij de helpdesk in [plaatsnaam 1] . Hij betwist dat zijn functie inmiddels is vervallen. Volgens [eiser] is de oproep van [gedaagde] om ander werk elders te verrichten onrechtmatig en onredelijk, zodat hij daaraan geen gehoor dient te geven. Er is daarom ook geen grond om het salaris op te schorten.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, verder ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu het hier gaat om een vordering tot toelating tot het werk en een loonvordering, is de spoedeisendheid van de zaak hiermee voldoende aannemelijk.

4.2.

Het geschil tussen partijen ziet op de weigering van [gedaagde] om [eiser] zijn werkzaamheden bij de helpdesk in [plaatsnaam 1] te laten verrichten, omdat zijn functie volgens [gedaagde] zou zijn vervallen. [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat voor dit probleem een oplossing kan worden gevonden door [eiser] te detacheren bij één van haar opdrachtgevers, waarbij de mogelijkheid bestaat dat [eiser] hier uiteindelijk in dienst treedt. Ter overbrugging van de periode tot aan de detachering wil [gedaagde] [eiser] vanuit zijn woning in [woonplaats] of vanuit [plaatsnaam 2] werkzaamheden laten verrichten als medewerker van het zogenaamde content team. Dit team is gevestigd in [vestigingsplaats] en bestaat uit vier personen, die 3D elementen tekenen die de klanten van [gedaagde] aan hun bouwkundige bibliotheek kunnen toevoegen. Om het vak te leren is het noodzakelijk dat [eiser] een viertal dagen naar [vestigingsplaats] komt. Voor zowel de training in [vestigingsplaats] als de werkzaamheden in [plaatsnaam 2] geldt dat reistijd als werktijd zou worden aangemerkt.

4.3.

Partijen verschillen van mening over de vraag of sprake is van gewijzigde omstandigheden waarin [gedaagde] als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomst van [eiser] , of het voorstel dat [gedaagde] heeft gedaan redelijk was ( [eiser] betwist overigens dat sprake is geweest van een voorstel) en of van [eiser] uit het oogpunt van goed werknemerschap als bedoeld in artikel 7:611 BW in redelijkheid kon worden gevergd dit voorstel te aanvaarden.

4.4.

De kantonrechter zal eerst beoordelen of sprake is van gewijzigde omstandigheden waarin [gedaagde] als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomst van [eiser] .

4.5.

[gedaagde] stelt in dit verband dat de helpdesk in het verleden met name ondersteuning verrichtte op het gebied van 2D tekensystemen en licentieproblemen voor deze tekensystemen, waarbij het ging om vraagstukken die kortstondig zijn en van een lage complexiteit. Voor deze functie gold een MBO+ opleidingsniveau. In de loop van 2017 is gebleken dat de helpdesk moest worden gereorganiseerd, omdat er een andere situatie was ontstaan door de introductie van 3D ontwerpsystemen en daarmee samenhangende gewijzigde licentiesystemen. Hierdoor is de ondersteuningsbehoefte van 3D ontwerpsystemen enorm toegenomen ten koste van het 2D ontwerpsystemen en zijn de werkzaamheden van de helpdesk zó veranderd, dat moet worden geconstateerd dat de oude functie van [eiser] (ook genoemd: [...] (2D)) is vervallen en er een nieuwe functie is ontstaan ( [...] (3D BIM)). Voor een adequate beantwoording van vragen over 3D ontwerpsystemen, dienen medewerkers in de nieuwe functie te beschikken over een HBO/TU opleidingsniveau met zowel kennis van de 3D ontwerpsystemen als kennis van de diverse bouwprocessen in de meest brede zin. Bovendien moeten medewerkers naast technische kennis ook enige commerciële affiniteit hebben, zodat vragen van klanten kunnen worden omgezet in betaalde opdrachten. [gedaagde] erkent dat [eiser] een 3D [....] systeem kan bedienen, maar stelt dat een compleet ander denkniveau is vereist om met klanten te overleggen hoe een dergelijk systeem het beste werkt in een bouwkundige ontwerpomgeving waarbij verbindingen dienen te worden gelegd met andere 3D ontwerpapplicaties. Volgens [gedaagde] is [eiser] niet geschikt voor deze nieuwe functie, omdat hij hiervoor de kwalificaties mist.

4.6.

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] zich naar aanleiding van de weigering van het UWV om een ontslagvergunning af te geven, niet tot de kantonrechter heeft gewend om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen en zich nu niet meer op het standpunt stelt dat er op de helpdesk arbeidsplaatsen zijn vervallen. Feitelijk heeft [gedaagde] - ondanks de geweigerde ontslagvergunning - toch een soort ‘stoelendansmethode’ toegepast, zij het dat zij daarbij artikel 7:611 BW, goed werknemerschap, als grondslag heeft genomen. [gedaagde] heeft zich tegenover [eiser] immers op het standpunt gesteld dat zijn oude functie om bedrijfseconomische redenen is vervallen en dat er een nieuwe functie is gecreëerd. Uit het besluit van [gedaagde] om [eiser] niet meer toe te laten tot zijn werkplek op de helpdesk en hem ander werk vanuit huis en in [plaatsnaam 2] op te dragen, kan worden afgeleid dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat de oude en de nieuwe functie niet uitwisselbaar zijn en dat zij de nieuwe functie daarom kan bemensen met de werknemers die zij daarvoor het geschiktst vindt. Volgens [gedaagde] is [eiser] niet geschikt en hoeft zij hem daarom ook niet tot de nieuwe functie toe te laten.

4.7.

De kantonrechter zal, aansluitend bij deze redenering, beoordelen of [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat inmiddels op de helpdesk sprake is van een nieuwe functie die niet uitwisselbaar is met de oude functie. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Ontslagregeling is een functie uitwisselbaar met een andere functie, indien:

a. de functies vergelijkbaar zijn voor zover het betreft de inhoud van de functie, de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties, en de tijdelijke of structurele aard van de functie; en

b. het niveau van de functie en de bij de functie behorende beloning gelijkwaardig zijn.

Ingevolge het tweede lid worden de factoren, bedoeld in het eerste lid, in onderlinge samenhang beoordeeld.

4.8.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat de oude en de nieuwe functie niet uitwisselbaar zijn. [gedaagde] stelt weliswaar dat sprake is geweest van een reorganisatie, maar heeft geen procedure gevolgd die heeft geleid tot het vaststellen van functiewaarderingen en functiebeschrijvingen van de oude en de nieuwe functie. Hierdoor kan niet worden getoetst of de nieuwe functie zodanig verschilt van de oude functie dat deze niet uitwisselbaar zijn. De functieprofielen uit de database van vacatures die [gedaagde] in het geding heeft gebracht lenen zich hier ook niet voor, omdat onvoldoende inzichtelijk is hoe deze tot stand zijn gekomen en onvoldoende objectieve aanknopingspunten bieden voor een deugdelijke functievergelijking. De enkele stelling dat de nieuwe functie een ander niveau heeft dan de oude functie (HBO/TU tegenover MBO+) is onvoldoende om aan te nemen dat het hier om functies gaat die niet uitwisselbaar zijn. Opleiding is immers slechts een van de criteria waaraan wordt getoetst.

4.9.

De kantonrechter merkt verder nog op dat het inherent is aan functies dat deze gaandeweg van inhoud veranderen door ontwikkelingen in de technologie, de maatschappij en de markt. Voor de transitie van 2D tekenen naar 3D modelleren geldt dat deze verandering al een aantal jaren aan de gang was en dat van [gedaagde] als goed werkgever mag worden verwacht dat zij haar werknemers in deze transitie begeleidt, zodat zij aan de gewijzigde functie-eisen kunnen blijven voldoen. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat [eiser] niet geschikt is voor de nieuwe functie. De enkele omstandigheid dat hij geen HBO/TU opleiding heeft, is hiervoor onvoldoende, omdat [eiser] mogelijk door ervaring en scholing toch aan het gewenste niveau zou kunnen voldoen. [gedaagde] heeft niet onderbouwd dat [eiser] , ondanks geboden scholing, onvoldoende met de gewijzigde omstandigheden en de gewijzigde functie is meegegroeid. [gedaagde] heeft evenmin onderbouwd waarom [eiser] de commerciële vaardigheden niet zou hebben die volgens haar voor de nieuwe functie zijn vereist. Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken blijkt ten slotte ook niet dat [eiser] inhoudelijk niet goed functioneerde. Blijkens een brief van [gedaagde] aan [eiser] naar aanleiding van een overleg op 20 december 2016 was er weliswaar sprake van een verbetertraject, maar de klachten over zijn functioneren zagen op zijn houding richting de klant en niet op vakinhoudelijke aspecten. Blijkens een brief van [gedaagde] aan [eiser] van 18 april 2017 was er op dat moment bovendien sprake van een lichte verbetering.

4.10.

Nu [gedaagde] haar stellingen dat de oude en de nieuwe functie niet uitwisselbaar zijn en dat [eiser] niet geschikt is om de nieuwe functie te vervullen onvoldoende heeft onderbouwd, is niet aannemelijk geworden dat hiervan sprake is. Dit betekent dat er onvoldoende aanleiding was voor [gedaagde] om een wijziging in de arbeidsvoorwaarden van [eiser] door te voeren en van [eiser] te verlangen dat hij andere werkzaamheden vanuit huis en in [plaatsnaam 2] zou gaan verrichten. [eiser] kon dit in redelijkheid weigeren en dit had [gedaagde] geen aanleiding mogen geven om de betaling van zijn loon op te schorten.

4.11.

Nu [eiser] zich steeds beschikbaar heeft gehouden zijn werkzaamheden op de helpdesk in [plaatsnaam 1] te verrichten, heeft hij jegens [gedaagde] aanspraak op betaling van het ingehouden loon. De vordering van [eiser] tot betaling van het achterstallige loon vanaf april 2018 zal daarom worden toegewezen. [gedaagde] heeft de hoogte van deze vordering niet inhoudelijk betwist. Nu er inmiddels sprake is van gedeeltelijk achterstallig salaris over de maand april 2018 en achterstallig salaris over de maanden mei tot en met augustus 2018, zullen bedragen van respectievelijk het bruto-equivalent van € 534,75 netto en € 10.796,80 bruto worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over deze bedragen zal eveneens worden toegewezen.

4.12.

De vordering om het salaris te blijven voldoen tot de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd, zal worden afgewezen. Er kunnen zich immers in de toekomst nog nieuwe omstandigheden voordoen die aan (volledige) verschuldigdheid van het loon in de weg staan.

4.13.

[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering tot het verstrekken van deugdelijke bruto/netto specificaties over de maanden januari tot en met mei 2018. Deze vorderingen zullen daarom worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen tot een maximum van € 3.000,00.

4.14.

De voorzieningenrechter zal ook de vordering tot toelating tot het werk toewijzen, nu [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een gegronde reden heeft om dit niet toe te staan. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat [eiser] zijn positie in [plaatsnaam 1] heel moeilijk, zo niet onmogelijk, heeft gemaakt door op 16 april 2018 een telefonisch overleg met zijn leidinggevende [A] af te breken door de hoorn op de haak te gooien, maar naar het oordeel van de kantonrechter mag van [A] uit hoofde van zijn functie enig incasseringvermogen en begrip voor de moeilijke situatie waarin [eiser] zich op dat moment bevond worden verwacht. Er zijn ook geen andere concrete aanwijzingen dat terugkeer van [eiser] op de helpdesk in [plaatsnaam 1] niet meer mogelijk zou zijn. De omstandigheid dat [gedaagde] [eiser] inmiddels heeft vervangen door een andere werknemer, komt volledig voor risico van [gedaagde] . De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, tot een maximum van € 30.000,-- is bereikt.

4.15.

De gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW zal worden toegewezen tot een percentage van maximaal 50%. De kantonrechter ziet in de door [gedaagde] gestelde omstandigheid dat [eiser] drie maanden heeft gewacht met het uitbrengen van de dagvaarding, geen aanleiding om tot afwijzing of matiging van de wettelijke verhoging over te gaan. [eiser] heeft zich ook reeds voor de dagvaarding verzet tegen de opschorting van zijn loon en aanspraak gemaakt op doorbetaling daarvan. Het valt [gedaagde] bovendien te verwijten dat zij, hoewel het UWV geen toestemming voor ontslag had verleend, de door haar gewenste situatie vervolgens heeft bewerkstelligd door [eiser] de toegang tot zijn werkplek te ontzeggen en hem door middel van opschorting van zijn loon onder druk te zetten om elders andere werkzaamheden te gaan verrichten. Toekenning van de maximale wettelijke verhoging is daarom gerechtvaardigd.

4.16.

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 448,40 inclusief btw. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief exclusief btw. Nu [eiser] het bedrag van € 448,40 inclusief btw heeft gevorderd, zal dit bedrag worden toegewezen.

4.17.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 105,71

- griffierecht € 226,00

- salaris gemachtigde € 600,00

Totaal € 931,71

4.18.

De nakosten, waarvan [eiser] betaling vordert, zullen op de in de beslissing weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen het bruto-equivalent van € 534,75 netto, zijnde het achterstallige salaris over de maand april 2018;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 10.796,80 bruto te betalen, zijnde het achterstallige salaris over de maanden mei tot en met augustus 2018;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] over (de som van) het gevorderde sub a, b en c de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te betalen tot een maximum van 50% vanaf de datum van opeisbaarheid van die bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] over (de som van) het gevorderde sub a, b en c de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW te betalen vanaf de datum van opeisbaarheid van die bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 448,40 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] om [eiser] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis toegang te verlenen of laten verlenen tot de werkplek op de locatie te [plaatsnaam 1] en hem in staat te stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden als [functie van eiser] te verrichten, op verbeurte van een door [gedaagde] aan [eiser] te betalen dwangsom van € 250,00 voor elke dag dat [gedaagde] nalatig is aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 30.000,00 is bereikt;

5.7.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis de deugdelijke bruto/netto salarisspecificaties over de maanden januari 2018 tot en met mei 2018 te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagde] ter zake van de verstrekking van die specificaties in gebreke zal blijven, tot een maximum van € 3.000,00 is bereikt;

5.8.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 931,71 waarin begrepen € 600,00 aan salaris gemachtigde;

5.9.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

5.10.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 september 2018.