Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4309

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-05-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
16/234344-17 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming, 3 oogsten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/234344-17 (ontneming)

Vonnis van de meervoudige kamer van 14 mei 2018

in de strafzaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,

wonende te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres] .

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

  • -

    de schriftelijke vordering van de officier van justitie ten bedrage van € 155.261,45, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

  • -

    het strafdossier onder parketnummer 16/234344-17 waaruit blijkt dat de veroordeelde op 14 mei 2018 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank is veroordeeld ter zake van –kort gezegd– het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, tot de in de uitspraak vermelde straf;

  • -

    het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art 36e 2e lid Sr’ van 24 augustus 2015 nummer PL0900-2015223581-1 (pagina 115 tot en met 120 van het proces-verbaal met nummer PL0900-2015223581);

en de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 april 2018. Veroordeelde is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door zijn raadsman mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer. De ontnemingsvordering is gelijktijdig ter terechtzitting behandeld met de strafzaak tegen de veroordeelde, bekend onder hetzelfde parketnummer.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de veroordeelde en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 De beoordeling van de vordering

2.1

Het standpunt van de officier van justitie.

De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 155.261,45. De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de berekening zoals neergelegd in voornoemd ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’.

Primair heeft de officier van justitie ter terechtzitting haar vordering gehandhaafd, zodat voornoemd bedrag van de veroordeelde dient te worden ontnomen.

Subsidiair, in het geval de rechtbank uitgaat van de verklaring van de veroordeelde dat er 340 planten hebben gestaan en dat hij € 4,00 per hennepstek heeft betaald, heeft de officier van justitie verzocht de vordering bij te stellen tot een bedrag van € 143.532,20.

2.2.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, omdat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte is uitgegaan van eerdere oogsten. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden bijgesteld op grond van de door de raadsman aangevoerde (en in de pleitnota nader omschreven) omstandigheden dat ten onrechte de aangetroffen oogst is meegenomen in de berekening, het aantal planten minder is (niet 390 maar 340) en de huur (geïndexeerd

€ 950,00 per maand) als aftrekpost moet worden opgevoerd.

2.3

Het oordeel van de rechtbank.

2.3.1.

Grondslag

Bij de beoordeling van de onderhavige vordering is uitgegaan van het op 14 mei 2018 tegen de veroordeelde gewezen vonnis, waarbij veroordeelde - voor zover thans relevant - is veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 24,28 kilogram hennep op 21 juli 2015 en diefstal van elektriciteit in de periode gelegen tussen 15 juli 2014 en 21 juli 2015.

De rechtbank stelt op grond van de navolgende feiten en omstandigheden, die aan de inhoud van de wettige bewijsmiddelen zijn ontleend, vast dat veroordeelde in de periode vóór 21 juli 2015 opzettelijk hennepplanten heeft gekweekt en daaruit voordeel heeft gehad als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering1:

- de verklaring van veroordeelde bij de politie inhoudende dat hij tot een jaar geleden (de rechtbank begrijpt: tot een jaar voorafgaand aan zijn verhoor), woonachtig was in de woning waarin de hennep werd aangetroffen2;

- het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij’ van 24 augustus 2015, waarin ten aanzien van de kweekruimte omstandigheden zijn beschreven die duiden op eerdere oogsten, waaronder met name verdroogde resten van hennepplanten, aangetroffen hennepafval in vuilniszakken, de verkleuring van het filterdoek van de koolstoffilters, verkleuringen van de houten latten en stof op de voorwerpen.3

Verweer raadsman met betrekking tot eerdere oogsten

De raadsman heeft aangevoerd dat de geconstateerde verkleuringen en vervuilingen te verklaren zijn door het tropische klimaat in de woning en dat verdachte de spullen tweedehands op markplaats heeft gekocht.

De rechtbank verwerpt dit verweer en is van oordeel dat de geconstateerde verkleuringen en vervuilingen wel indicatief zijn voor eerdere oogsten. Het hout van de latten waaraan de assimilatielampen waren opgehangen was immers verkleurd op de plaatsen waar de lampen bevestigd waren. Hetzelfde geldt voor de vervuilde koolstoffilters. Op de plaatsen waar de kettingen waren bevestigd, was het filterdoek aanzienlijk lichter van kleur. Daarnaast zijn zowel op het hout als op de koolstoffilters geen andere verkleuringen aangetroffen. Deze omstandigheden stroken niet met de verklaring van veroordeelde dat hij de spullen tweedehands heeft gekocht, omdat de rechtbank het niet aannemelijk acht dat bij het gebruik van tweedehandsmaterialen de betreffende materialen steeds op dezelfde wijze en plek worden bevestigd.

2.3.2.

De berekening

Het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij’ van

24 augustus 2015 met de daarin opgenomen uitgangspunten dient als grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals hieronder omschreven. Indien van het rapport wordt afgeweken, is dit aangegeven.

Aantal oogsten en periode

De veroordeelde heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij tot een jaar voorafgaand aan zijn verhoor, woonachtig was in de woning waarin de hennep werd aangetroffen. De rechtbank bezigt deze verklaring voor het bewijs, nu veroordeelde van meet af aan

gedetailleerd heeft verklaard over zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij. Bovendien heeft hij die verklaring gelezen en ondertekend. De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde is aangevangen met (het opzetten van) de hennepkwekerij vanaf het moment dat hij niet langer woonachtig was in de woning. Het is een feit van algemene bekendheid dat men met een hennepkwekerij zo snel mogelijk geld wil verdienen. Deze omstandigheid tezamen met het gegeven dat het, gelet op de financiële positie van veroordeelde, niet aannemelijk is dat hij een pand met hoge huurkosten aanhoudt en leeg zou laten staan, maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat veroordeelde vanaf 21 juli 2014 is begonnen met het telen van hennep. De rechtbank gaat, op grond van voornoemd rapport, uit van een kweekcyclus van 10 weken. Indachtig de omstandigheid dat veroordeelde enige tijd nodig zal hebben gehad voor het opbouwen van de kwekerij en de aangetroffen oogst niet wordt meegenomen in de berekening, gaat de rechtbank in het voordeel van veroordeelde uit van 3 eerdere oogsten in de periode vanaf 21 juli 2014 tot en met 21 juli 2015.

Aantal planten

Nu de verklaring van veroordeelde dat er in de kwekerij 340 planten zouden hebben gestaan op geen enkele wijze is onderbouwd, volgt de rechtbank op dit punt het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’. De rechtbank gaat derhalve uit van een hoeveelheid van 390 hennepplanten.4

Opbrengst hennep per oogst

De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt: 390 planten x 28,2 gram = 10,998 kilogram. Volgens het BOOM-rapport bedraagt de verkoopprijs van hennep minimaal

€ 3.280,00 per kilogram. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt dan minimaal 10,998 kilogram x € 3.280,00 = € 36.073,44.5

Kosten

Op de opbrengst zal de rechtbank een aantal kosten in mindering brengen. De rechtbank volgt hierin het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’6, behalve voor wat betreft de kosten per hennepstek/plant en de huurkosten.

De rechtbank volgt voor wat betreft de kosten per hennepstek/plant –in het voordeel van veroordeelde– de verklaring van veroordeelde dat hij € 4,00 per hennepstek/plant heeft betaald.

De rechtbank zal met betrekking tot de huurkosten –in het voordeel van veroordeelde– het door veroordeelde genoemde huurbedrag van € 1.026,00 per maand aan houden. De rechtbank zal daarbij een maand op 30 dagen stellen en uitgaan van een kweekperiode van 10 weken. De rechtbank stelt de huurkosten per kweekperiode derhalve op € 2.394,00 (70:30 x € 1.026)

De kosten zijn derhalve:

  • -

    afschrijvingskosten € 250,00 (Tabel pagina 3 BOOM-rapport 2010)

  • -

    hennepstekken € 1.560,00 ( 390 stuks, € 4,00 per stek/plant)

  • -

    variabele kosten € 1.298,70 (€ 3,33 per stek/plant)

  • -

    huisvestingskosten € 2.394,00 (bedrag per oogst/ruimte)

Totaal aan kosten: € 5.502,70

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Bruto opbrengst 3 oogsten x € 36.073,44 = € 108.220,32
Totale kosten 3 oogsten x € 5.502,70 = € 16.508,10

Het netto wederrechtelijk verkregen voordeel wordt op grond hiervan gesteld op:

€ 108.220,32 minus € 16.508,10 = € 91.712,22.

Niet is aannemelijk geworden dat de veroordeelde naar redelijke verwachting (ook in de toekomst) niet in staat zal zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen.

3 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

4 De beslissing.

De rechtbank:

- stelt het bedrag van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 91.712,22 (zegge: éénennegentigduizend zevenhonderdtwaalf euro en tweeëntwintig eurocent);

- legt aan veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van € 91.712,22 (zegge: éénennegentigduizend zevenhonderdtwaalf euro en tweeëntwintig eurocent) ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.A.T. van der Geest, voorzitter, mrs. A.C. van den Boogaard en M.W.V. van Duursen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J. van der Waaij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 mei 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 31 juli 2015, genummerd PL0900-2015223581, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 120. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van verhoor veroordeelde, pagina 107.

3 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, pagina 117.

4 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, pagina 116 en 117.

5 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, pagina 117.

6 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, pagina 119.