Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4307

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
16/050213-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Maatwerk: zaak eerst aangehouden voor 1 week ivm onderzoek naar plaatsing in kliniek. Vervolgens tul toegewezen voor de periode die de termijn van zitting tot het moment van opname in een kliniek overbrugt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16-050213-16

Datum: 26 april 2018

BESLISSING NA VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 4 april 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, welke is opgelegd bij het onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank van 25 januari 2017, in de zaak tegen de veroordeelde:

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] (Oostenrijk),

thans gedetineerd in het [verblijfplaats] , locatie [locatie X] te [plaatsnaam] .

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier van de veroordeelde bevindende stukken, waaronder:

voormeld vonnis, waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf voor de duur van 158 dagen met aftrek, waarvan 150 dagen voorwaardelijk, waarbij de proeftijd is bepaald op 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

* zich binnen drie dagen meldt bij het [instelling 1] , op het adres [adres] te

[plaatsnaam] . Vervolgens moet zij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van het [instelling 1] blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zo vaak en zo lang als deze instelling dat, gedurende de proeftijd, nodig vindt;

* zich zal laten opnemen in [instelling 2] , althans een soortgelijke intramurale zorginstelling, waarbij zij zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van de behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling aan haar zullen worden gegeven, voor de maximale duur van 1 jaar;

* aansluitend op een klinische opname zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, waarbij zij zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van het verblijf aan haar zullen worden gegeven en aan het

(dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* haar medewerking zal verlenen aan urinecontroles, wanneer de reclassering hiertoe opdracht geeft;

* zich gedurende het gehele reclasseringstraject verplicht zal laten begeleiden door het

FACT-team en zich te houden aan de aanwijzingen en afspraken die in de begeleiding met haar gemaakt worden.

Parketnummer: 16-050213-16

Beslissing d.d. 26 april 2018 blad 2

een advies van reclassering [instelling 1] van 30 maart 2018, opgesteld door [A] , reclasseringswerker, waarin de reclassering de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel adviseert omdat veroordeelde onvoldoende heeft meegewerkt aan de voorwaarden;

de vordering van de officier van justitie van 30 maart 2018 tot voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 150 dagen;

het bevel van de rechter-commissaris van 3 april 2018 tot voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf;

de vordering van de officier van justitie van 4 april 2018 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf;

het proces-verbaal van de terechtzitting in deze rechtbank op 13 april 2018;

een aanvullend advies van reclassering [instelling 1] van 17 april 2018, opgesteld door

[B] , reclasseringswerker, waarin de reclassering gedeeltelijke tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel adviseert en een wijziging van de bijzondere voorwaarden.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 en 20 april 2018, waarbij zijn gehoord de officier van justitie, de veroordeelde, de raadsman mr. S. de Korte, advocaat te Utrecht en [B] , reclasseringswerker bij [instelling 1] .

De rechtbank heeft kennis genomen van de rapportage van reclassering [instelling 1] van

30 maart 2018 waarin staat vermeld dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de afspraken en regels die gelden in de Forensische Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) [instelling 2] te [plaatsnaam] . Veroordeelde is meermalen teruggevallen in middelengebruik (zowel alcohol als drugs) en verscheen regelmatig niet op behandelafspraken.

Reclasseringswerker [B] heeft ter terechtzitting het aanvullend advies van het [instelling 1] van 17 april 2018 nader toegelicht en bijgesteld. Veroordeelde kan mogelijk terecht bij [instelling 4] , locatie: [locatie Y] te [plaatsnaam] . Bij deze instelling kunnen mensen met psychiatrische problematiek terecht. In deze beschermd wonen voorziening mogen geen drugs gebruikt worden. De afwijzende argumenten van andere instellingen, waaraan eerder verzocht is om veroordeelde te plaatsen, zijn aan laatstgenoemde instelling voorgelegd en vormen geen belemmering voor een plaatsing aldaar. Alleen de intake dient nog plaats te vinden. Indien veroordeelde wordt geaccepteerd, kan zij op korte termijn (binnen twee weken) terecht. De bijzondere voorwaarde uit het aanvullend advies inhoudende dat veroordeelde wordt opgenomen in [instelling 5] kan komen te vervallen. De insteek is dat veroordeelde bij [instelling 4] kan verblijven totdat er een plek beschikbaar is bij [instelling 6] in [plaatsnaam] . Met het oog op behandeling van de middelenproblematiek, wordt veroordeelde aangemeld bij het FACT-team van [instelling 3] . Daar zal ook EMDR-therapie worden aangeboden. Op grond van het voorgaande adviseert de reclassering een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel tot aan het moment dat veroordeelde bij de [instelling 4] geplaatst kan worden en de bijzondere voorwaarden te wijzigen door toe te voegen dat veroordeelde meewerkt aan plaatsing bij de [instelling 4] en meewerkt aan ambulante behandeling en begeleiding door het FACT-team van [instelling 3] .

De officier van justitie heeft ter terechtzitting verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging gedeeltelijk toe te wijzen vanaf 3 april 2018 tot aan het moment dat veroordeelde bij de [instelling 4] geplaatst kan worden. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht met betrekking tot het resterende strafdeel de bijzondere voorwaarden te wijzigen. De officier van justitie heeft daarbij het volgende aangevoerd. Er is voldoende aanleiding om een gedeelte van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer te leggen nu uit het rapport van de

Parketnummer: 16-050213-16

Beslissing d.d. 26 april 2018 blad 3

reclassering van 30 maart 2018 blijkt dat het verblijf van veroordeelde in de [instelling 2] niet vlekkeloos is verlopen. Anderzijds zijn er ook goede stappen gezet. In dit verband is er ruimte om de bijzondere voorwaarden te wijzigen overeenkomstig het voorstel van de reclassering zoals dat thans ter terechtzitting is gedaan. Indien de rechtbank niet beslist tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel, heeft de officier van justitie verzocht alleen de bijzondere voorwaarden te wijzigen zoals voorgesteld door de reclassering.

De raadsman heeft ter terechtzitting het formele verweer gevoerd dat veroordeelde zich aan de gestelde voorwaarden heeft gehouden omdat volgens berekening van de raadsman de veroordeelde langer dan één jaar klinisch opgenomen is geweest. De raadsman heeft aangevoerd dat als de rechtbank dit verweer volgt, dit niet impliceert dat de bijzondere voorwaarden niet kunnen worden gewijzigd zoals deze door de reclassering ter terechtzitting zijn aangedragen. De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen verenigen met het advies van de reclassering.

De veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat zij in de FPK niet de beloofde EMDR therapie heeft gekregen, terwijl trauma's uit haar verleden juist de reden zijn dat zij terugvalt in middelengebruik. Veroordeelde heeft verklaard dat zij in de kliniek een joint heeft gerookt en dat zij soms niet op afspraken is verschenen omdat zij op dat moment niet lekker in haar vel zat. Veroordeelde heeft aangegeven dat zij wil meewerken aan een plaatsing in de [instelling 4] en EMDR-therapie wil volgen.

OVERWEGING

Op grond van het onderzoek ter zitting, alsmede gelet op de inhoud van voormelde brief van de reclassering [instelling 1] van 30 maart 2018, stelt de rechtbank vast dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden, nu uit dit advies blijkt dat zij zich niet heeft gehouden aan de aanwijzingen van de reclassering [instelling 1] dan wel de in het kader van haar behandeling gegeven aanwijzingen. Het antwoord op de vraag of zij al dan niet langer dan een jaar klinisch opgenomen is geweest, doet hieraan niet af en deze vraag kan daarom onbeantwoord blijven.

Gelet op de psychische- en middelenproblematiek van veroordeelde is het in haar belang dat zij behandeling ontvangt en niet zonder begeleiding op straat komt te staan.

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank termen aanwezig om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van 150 dagen gedeeltelijk te gelasten, in die zin dat de gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd tot aan het moment dat veroordeelde bij de [instelling 4] geplaatst kan worden. Op 23 april 2018 heeft [B] de rechtbank bericht dat veroordeelde per 26 april 2018 terecht kan bij [instelling 4] .

De rechtbank overweegt dat het, gelet op de bij veroordeelde aanwezige problematiek, wenselijk en noodzakelijk is dat zij geplaatst wordt in een instelling voor beschermd wonen. De rechtbank zal derhalve de bijzondere voorwaarden, vastgesteld in voormeld vonnis, wijzigen overeenkomstig het voorstel van de reclassering zoals aangedragen ter terechtzitting.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14f en 14g van het Wetboek van Strafrecht.

Parketnummer: 16-050213-16

Beslissing d.d. 26 april 2018 blad 4

BESLISSING:

De rechtbank:

wijst de vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling gedeeltelijk toe;

gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voormeld vonnis tot een gedeelte van 24 dagen;

bepaalt dat de tenuitvoerlegging beëindigd wordt op de dag van plaatsing van veroordeelde bij de [instelling 4] , te weten op donderdag 26 april 2018, op het moment dat veroordeelde is aangekomen bij [instelling 4] , locatie [locatie Y] , in [plaatsnaam] ;

wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af; wijzigt de bijzondere voorwaarden in die zin dat deze komen te luiden:

* veroordeelde dient zich te melden bij het [instelling 1] , op het adres [adres]

te [plaatsnaam] , en onder toezicht en leiding van het [instelling 1] te blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen te gedragen, zo vaak en zo lang als deze instelling dat, gedurende de proeftijd, nodig acht;

* veroordeelde dient mee te werken aan plaatsing bij [instelling 4] , locatie [locatie Y] in [plaatsnaam] , althans een soortgelijke instelling voor beschermd dan wel begeleid wonen of maatschappelijke opvang, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van het verblijf aan haar zullen worden gegeven en aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* veroordeelde dient haar medewerking te verlenen aan urinecontroles, wanneer de reclassering hiertoe opdracht geeft;

* veroordeelde dient mee te werken aan ambulante behandeling (waaronder begrepen EMDR-therapie) door het FACT-team van [instelling 3] of soortgelijke instelling en zal zich houden aan de aanwijzingen die in het kader van de behandeling door of namens die instelling/behandelaar aan veroordeelde zullen worden gegeven.

Aldus gedaan door mr. WF. Koenis, voorzitter, mr. C.E.M. Nootenboom-Lock en

mr. J.W. Veenendaal, rechters, in tegenwoordigheid van T.J. van der Waaij, griffier, en is

uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 april 2018.