Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4292

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
C/16/463915 / KG ZA 18-444
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Toebrengen onrechtmatige hinder door studentenroeiverenigingen aan directe buurman onvoldoende aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/463915 / KG ZA 18-444

Vonnis in kort geding van 7 september 2018

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiseres sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. M.A. Johannsen te Amsterdam,

tegen

1. de vereniging

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.A.M. Reijns te Amsterdam,

2. de vereniging

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.A. Rila te Utrecht.

Eisers zullen hierna [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] worden genoemd. Gedaagden sub 1 en 2 zullen respectievelijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 juli 2018

  • -

    de producties van de zijde van [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2]

  • -

    de producties van de zijde van [gedaagde sub 1]

  • -

    de producties van de zijde van [gedaagde sub 2]

  • -

    de mondelinge behandeling van 23 augustus 2018

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 1]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 2] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

[achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] en [gedaagde sub 1] hebben over en weer bezwaar gemaakt tegen de producties die zij ieder daags voor de zitting in het geding hebben gebracht. De voorzieningenrechter heeft deze bezwaren ongegrond verklaard, omdat onvoldoende is gebleken dat [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] en [gedaagde sub 1] hierdoor in hun verdediging zijn geschaad. Deze stukken maken dus deel uit van het procesdossier.

2.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn studentenroeiverenigingen. Zij zijn sinds 1978 gevestigd in een pand aan de [adres] in [vestigingsplaats] (hierna: het pand). In het pand worden op de begane grond de roeiboten gestald. Op de eerste verdieping zijn de verenigingsruimtes gevestigd. Deze ruimtes komen uit op een balkon dat aan de waterzijde van het pand ligt.

2.3.

De familie [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] , bestaande uit de heer en mevrouw [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] en hun twee jonge kinderen (ten tijde van de dagvaarding 9 maanden en 3 jaar oud), wonen sinds 2015 in een woonark aan de [adres] Deze ark ligt op ongeveer 60 meter van het pand in het water.

2.4.

[achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] ondervindt geluidsoverlast van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en vordert in deze kortgedingprocedure:

primair: [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk en op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis en tot 6 maanden na betekening van dit vonnis, elke activiteit op het gebied van de drank- & horecawet/evenementen gehouden aan de [adres] , te staken en gestaakt te houden;

subsidiair: [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk en op straffe van een dwangsom te verbieden om in/op/bij het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] alle vormen van overlast te veroorzaken door het zich buiten het pand te bevinden (al dan niet op het balkon), muziek ten gehore te (doen) brengen, luid te praten of te schreeuwen;

primair en subsidiair: [gedaagde sub 1] c.s. te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

2.5.

[achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zoveel geluidshinder veroorzaken dat dit tegenover hem onrechtmatig is. Volgens [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] doen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dit door luide muziek te draaien en doordat zich - ook na 23.00 uur - een groot aantal personen buiten en op het balkon bevindt dat luid praat en lacht. [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] stelt dat er vanaf 2015 al sprake is van overlast, maar dat de overlast in de afgelopen periode extremer is geworden. De gezondheid van de familie - en met name de gezondheid van de kinderen - lijdt hieronder. [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] stelt dat hij zich over de overlast heeft beklaagd, dat hij heeft geprobeerd om in onderling overleg te gaan en dat de politie en de gemeente erbij zijn betrokken, maar dat dit niet heeft geholpen. De toestand is volgens [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] onhoudbaar geworden. De in de primaire vordering genoemde termijn van 6 maanden zal door de gemeente gebruikt kunnen worden om in overleg te gaan met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en om de juiste aanspreekpunten te vinden voor een verbetering.

2.6.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer. Zij stellen zich op het standpunt dat [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Zij bewisten verder - onder meer - dat zij [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] onrechtmatige hinder toebrengen en de aanwezigheid van een causaal verband tussen hun handelen en de door [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] gestelde schade.

2.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] zijn spoedeisend belang bij zijn vorderingen voldoende aannemelijk heeft gemaakt. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben weliswaar betwist dat zij de afgelopen tijd meer overlast veroorzaken, maar wat hiervan ook zij: [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] heeft duidelijk gemaakt dat zijn gezin subjectief gezien zeer lijdt onder de overlast die zij van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ervaren en dat er wat hun betreft sprake is van een onhoudbare situtatie. Dit is in dit geval voldoende om [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] ontvankelijk in zijn vorderingen te achten.

2.8.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] veel last heeft van de geluiden die uit het pand en de omgeving daarvan afkomstig zijn, nog niet betekent dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hiermee onrechtmatig jegens hem handelen. Hiervoor moet sprake zijn van onrechtmatige hinder. Of hiervan sprake is, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening dient te worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid – mede gelet op de daaraan verbonden kosten – en de bereidheid om maatregelen te treffen ter voorkoming van (verdere) schade. Voor het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is mede van belang of degeen die zich beklaagt over hinder, zich ter plaatse heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen. In het laatste geval zal hij een zekere mate van hinder eerder hebben te dulden.

2.9.

Deze laatste omstandigheid doet zich hier voor: vaststaat dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] al lange tijd in het pand waren gevestigd op het moment waarop [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] in de ark ging wonen. Nu [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] studentenroeiverenigingen zijn, moest [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] er rekening mee houden dat de activiteiten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich niet zouden beperken tot alleen roeien, maar dat er ook sprake zou zijn van de nodige borrels en feesten, waardoor hij geluidsoverlast zou kunnen ervaren. [gedaagde sub 1] heeft gesteld dat [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] hiervoor in 2015 ook is gewaarschuwd door de heer [A] , die in het pand zijn werkplaats heeft, en heeft een verklaring van [A] van 14 augustus 2018 in het geding gebracht. Hierin schrijft [A] dat hij [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] in 2015 heel duidelijk heeft gemaakt dat hij vlak naast studentenverenigingen ging wonen en dat hij zich daarvan bewust moest zijn met alle gevolgen van dien, omdat studenten wel eens een feestje met muziek geven. [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] heeft niet betwist dat dit gesprek heeft plaatsgevonden. Gelet op deze omstandigheden geldt als uitgangspunt dat [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] enige mate van geluidsoverlast door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zal moeten accepteren. Dit geldt ook nu de gezinssamenstelling van [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] is veranderd, en hij inmiddels twee jonge kinderen heeft die - naar hij stelt - vaak wakker worden van de geluiden die uit het pand en de omgeving daarvan afkomstig zijn.

2.10.

Het voorgaande betekent niet dat [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] maar alles van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zou moeten accepteren. Het zou, op grond van de onder 2.8. genoemde criteria, nog steeds mogelijk kunnen zijn dat deze verenigingen onrechtmatig jegens [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] handelen. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich niet aan de voor hen geldende geluidsnormen zouden houden.

2.11.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben gemotiveerd betwist dat zij de geluidsnormen overschrijden dan wel dat zij - los hiervan - onrechtmatige hinder veroorzaken. Zij stellen dat zij voor wat betreft de muziek steeds ruim binnen de hen opgelegde geluidsnormen blijven, en dat zij veel maatregelen hebben getroffen en nog steeds treffen om de overlast die [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] ervaart te beperken. Het gaat daarbij onder meer om de volgende maatregelen:

- het aanbrengen van een limiter/geluidsbegrenzer op de geluidsinstallatie;

- het sluiten van deuren en ramen aan de balkonzijde om uiterlijk 23.00 uur;

- beperking van het aantal leden op het balkon tot 5 personen ( [gedaagde sub 1] ) dan wel na 23.00 uur helemaal niemand meer ( [gedaagde sub 2] );

- instructies aan leden om op het balkon en op weg naar huis hun stemvolume te matigen;

- verbetering van de geluidsisolatie van de verenigingsruimten (in het geval van [gedaagde sub 1] door het aanbrengen van dubbel glas);

- regelmatige controle door middel van een geluidmeter of de geluidsnormen niet worden overschreden;

- communicatie tussen [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] en de voorzitters van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] door middel van WhatsApp voor het geval [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] overlast ervaart;

- aanbiedingen aan [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] om in geval van feesten en speciale evenementen met zijn gezin in een hotel te overnachten.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen verder dat het pand op dit moment wordt verbouwd, waarbij aandacht wordt besteed aan het verbeteren van de isolatie. Zij wijzen erop dat zij het initiatief hebben genomen om met [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] , in aanwezigheid van de politie, een buurtbemiddelingsgesprek te houden, maar dat [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] voordat dit gesprek kon plaatsvinden, dit kort geding aanhangig heeft gemaakt.

2.12.

Tussen partijen is niet in geschil dat op de activiteiten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) van toepassing is. In artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit zijn geluidsnormen opgenomen waaraan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten voldoen. Zo geldt voor het tijdvak 19.00-23.00 uur een LA,max (het maximaal geluidsniveau) van 65 dB(A) en voor het tijdvak 23.00-07.00 uur een LA,max van 60 dB(A), waarbij moet worden gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen (zoals de ark van [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] ). Daarnaast geldt voor het tijdvak 19.00-23.00 uur een LAr,LT (het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau) van 45 dB(A) op de gevel van gevoelige gebouwen en voor het tijdvak 23.00-07.00 uur een LAr,LT van 40 dB(A).

2.13.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] organiseren - naast de reguliere borrelavonden waarvoor de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit gelden - ieder een aantal keer per jaar feesten en speciale evenementen. Niet in geschil is, dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hiervoor bij de gemeente de benodigde vergunningen en ontheffingen aanvragen en daarbij een tijdelijke ontheffing van de toepasselijke geluidsnormen krijgen. In de door [gedaagde sub 1] overgelegde ontheffingen van 26 januari 2017 en 8 augustus 2018 wordt bijvoorbeeld vermeld dat [gedaagde sub 1] de toepasselijke geluidsnorm met maximaal 20 dB(A) mag overschrijden. Als sprake is van muziekgeluid, geldt een aftrek van 10 dB(A), zodat per saldo een overschrijding van 10 dB(A) is toegestaan. In de door [gedaagde sub 1] overgelegde vergunning voor het evenement ‘Donkerblauwe Deuntjes’ is bepaald dat het is toegestaan om op 14 juli 2018 van 14.00 tot 23.00 uur versterkt geluid ten gehore te brengen tot een volume van maximaal 80 dB(A) en 95 dB(C), te meten op de eerstbewoonde gevel.

2.14.

[achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat niet zijn ark, maar de inpandige beheerderswoning van de familie [X] als eerstbewoonde gevel moet worden aangemeld. Het Activiteitenbesluit maakt duidelijk onderscheid tussen de geluidsnormen, te meten vanaf de gevel van gevoelige gebouwen, en geluidsnormen die gelden voor in- en aanpandige gevoelige gebouwen. Deze laatste normen liggen 15 dB(A) lager en de voorzieningenrechter acht het daarom onaannemelijk dat de gemeente in haar besluit bij de vaststelling van de maximale geluidsnorm de norm voor in- en aanpandige gebouwen op het oog heeft gehad.

2.15.

Voor zover [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] stelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de voor hen geldende geluidsnormen overschrijden, heeft hij deze stelling onvoldoende onderbouwd. Hij heeft onder meer een overzicht in het geding gebracht van WhatsApp gesprekken die hij met de voorzitters van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft gevoerd en waaruit blijkt dat hij ’s avonds en ook ’s nachts geregeld over geluidsoverlast heeft geklaagd, maar hieruit blijkt niet dat er op die momenten sprake was van overschrijding van de geluidsnormen. [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] heeft verder een foto van een geluidmeter in het geding gebracht, waarop een meting van 86 dB(A) is te zien. Volgens [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] heeft deze meting op 14 juli 2018 op het terras van zijn ark plaatsgevonden. Zoals [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen, blijkt uit deze foto echter niet dat het geluid dat tot deze meting heeft geleid, van hen afkomstig is.

2.16.

[achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] heeft in zijn dagvaarding telefoongesprekken geciteerd die zijn advocaat mr. Johannsen met de familie [Y] , de vorige eigenaren van de ark, de heer [B] , werkzaam bij de gemeente […] , en de heer [C] , werkzaam bij de politie, heeft gevoerd. Hieruit blijkt volgens [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] veel geluidsoverlast veroorzaken en dat de politie ‘met de handen in het haar zit’. [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] heeft echter geen ondertekende verklaringen van deze personen in het geding gebracht en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben uitdrukkelijk betwist dat [B] en [C] de door mr. Johannsen geciteerde verklaringen hebben afgelegd. De door mr. Johannsen weergegeven inhoud van deze telefoongesprekken kan daarom in deze zaak niet tot bewijs dienen van de stelling van [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] dat sprake is van overschrijding van de geluidsnormen. De drie in de dagvaarding geciteerde verklaringen zijn bovendien onvoldoende concreet om dit aan te kunnen nemen. Nu [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten dat zij de geluidsnormen overschrijden, is onvoldoende aannemelijk geworden dat dit het geval is.

2.17.

Voor overlast door stemgeluid geldt bovendien op grond van artikel 2.18, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit, dat bij het bepalen van de geluidniveaus als bedoeld in artikel 2.17, het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor sport- of recreatieactiviteiten buiten beschouwing blijft. Voorts blijft ingevolge het derde lid, onder a en b, bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau (LAmax) als bedoeld in artikel 2.17, het komen en gaan van bezoekers bij inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak sport- en recreatieactiviteiten plaatsvinden en het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan buiten beschouwing. Alleen hierom al kunnen de klachten van [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] over het harde gepraat en gelach door leden van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tot de conclusie leiden dat hiermee de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit worden overschreden.

2.18.

Voor zover [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] stelt dat de geluidsoverlast die hij van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ervaart - ook als daarbij de binnen de geldende geluidsnormen wordt gebleven - toch onrechtmatig jegens hem is, geldt het volgende. [gedaagde sub 1] heeft gesteld dat zij over een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning van de gemeente […] beschikt en heeft ter onderbouwing een brief van 29 oktober 2014 in het geding gebracht waarmee deze vergunningen aan haar zijn toegezonden. [gedaagde sub 2] heeft een verklaring van de heer [D] van de gemeente […] in het geding gebracht, waarin deze verklaart dat [gedaagde sub 2] een exploitatievergunning heeft voor additionele horeca en dat er een uitzondering is gemaakt voor studentenverenigingen voor wat betreft sluitingstijden, waardoor voor [gedaagde sub 2] geen sluitingstijd geldt. Er zal dus ook voor [gedaagde sub 1] geen sluitingstijd gelden. Met betrekking tot deze vergunningen en de aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verleende ontheffingen moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden aangenomen dat de gemeente bij het verlenen daarvan de belangen van omwonenden, zoals [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] , heeft meegewogen. Er is daarom in het civiele recht maar een beperkte mogelijkheid om onrechtmatige geluidsoverlast aan te nemen als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich aan de voor hen geldende bestuursrechtelijke geluidsnormen houden.

2.19.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij oog hebben voor de belangen van [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] , dat zij verschillende maatregelen hebben getroffen om de geluidsoverlast die [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] ervaart, te beperken en dat zij openstaan voor overleg met [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] hierover. De voorzieningenrechter begrijpt de stellingen van [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] aldus, dat hij zich op het standpunt stelt dat de maatregelen die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tegen de overlast hebben getroffen, niet voldoende zijn. Hij stelt dat hij overlast van de leden van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ondervindt doordat er zich buiten en op het balkon een groot aantal personen bevinden (ook na 23.00 uur) en dat er hard wordt gepraat en gelachen. Het is volgens [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] voorgekomen dat er ’s nachts 20 mensen op het balkon stonden en dat er om 1.00 uur ’s nachts nog ramen openstonden. [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] heeft echter niet onderbouwd hoe vaak dat voorkomt, wanneer dat is geweest en of het daarbij om leden van [gedaagde sub 1] of van [gedaagde sub 2] ging.

2.20.

De voorzieningenrechter merkt hierover op dat het goed mogelijk is dat individuele leden van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de instructies die hun bestuursleden hebben gegeven om geluidsoverlast te beperken niet altijd goed naleven, dat zij zich in strijd met deze instructies op het balkon begeven en dat er buiten te hard wordt gepraat en gelachen. Dit maakt echter nog niet dat er op die momenten sprake is van onrechtmatige hinder die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] kan worden toegerekend.

2.21.

Aan de ene kant mag van de leden van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden verwacht dat zij rekening houden met het belang van het gezin van [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] om een ongestoorde nachtrust te hebben en dat zij laat in de avond en ’s nachts buiten geen lawaai maken, maar aan de andere kant zullen de bestuursleden van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het gedrag van hun verenigingsleden niet altijd in de hand kunnen hebben. Zij hebben echter wel aannemelijk gemaakt dat zij veel maatregelen hebben getroffen om overlast te voorkomen en dat zij in actie komen als er leden zijn die zich niet aan de instructies houden.

2.22.

Voor de conclusie dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] meer maatregelen zouden moeten treffen dan zij al hebben gedaan en dat zij onrechtmatig handelen door dit na te laten, heeft [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] onvoldoende aangevoerd. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als studentenroeiverenigingen er van hun kant belang bij hebben om voor hun leden in een gezellige sfeer borrels, feesten en speciale evenementen te kunnen organiseren. Voor zover er al maatregelen denkbaar zouden zijn die het bestuur van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] volledige controle over het gedrag van hun leden zouden kunnen geven waardoor zich geen enkele vorm van geluidsoverlast meer zou kunnen voordoen, zou dit een situatie opleveren die te veel inbreuk maakt op hun recht om - binnen redelijke grenzen - als roei- en gezelligheidsvereniging activiteiten te ontplooien en van het pand gebruik te maken.

2.23.

Gezien het voorgaande is onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van onrechtmatige hinder. Dit betekent dat de vorderingen van [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] zullen worden afgewezen en dat verder niet hoeft te worden ingegaan op het standpunt van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat het causaal verband tussen hun gedragingen en de door [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] gestelde schade ontbreekt. De voorzieningenrechter wenst over de vorderingen van [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] nog wel op te merken, dat deze zo ruim zijn geformuleerd en een zodanige inbreuk zouden maken op de uitoefening van het recht van vereniging van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en hun recht op gebruik van het pand, dat toewijzing ervan reeds daarom niet mogelijk zou zijn geweest.

2.24.

[achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld. Deze kosten worden voor ieder van hen begroot op:

- griffierecht € 626,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.606,00

2.25.

De nakosten, waarvan [gedaagde sub 1] betaling vordert, zullen op de in de beslissing weergegeven wijze worden toegewezen.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] in de proceskosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , voor ieder van hen tot op heden begroot op € 1.606,00;

3.3.

veroordeelt [achternaam van eiser(es) sub 1 en 2] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde sub 1] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 157,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis;

3.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2018.1

1 type: MS (4185) coll: