Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4239

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-08-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
UTR 18/920
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MK. Waterwet. Vaststelling projectplan Vervangen duiker Blikkenburgervaart te Zeist. Terughoudende toets variantenvergelijking en effecten. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/920

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 augustus 2018 in de zaak tussen

Stichting Milieuzorg Zeist e.o., te Bilthoven, eiseres

(gemachtigde: P.B. Greeven),

en

Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Schippers).

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het projectplan “Vervangen duiker Blikkenburgervaart te Zeist” vastgesteld.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en ing. A.J. Koerhuis (projectleider).

Overwegingen

Beschrijving projectplan

1. De omgeving en stedelijke kern van Zeist worden van water voorzien door aanvoer vanuit de Kromme Rijn. Het water wordt via de Rijnwijcksewetering en de Blikkenburgervaart aangevoerd. Tussen de Rijnwijcksewetering en de Blikkenburgervaart ligt op dit moment een duiker met een lengte van 500 meter. Het projectplan houdt in dat deze duiker wordt vervangen door een open watergang op een andere plek die voldoende capaciteit heeft om de omgeving en stad Zeist van voldoende water te voorzien. Voor het nieuwe tracé wordt gebruik gemaakt van de aanwezige sloten ten noorden van landgoed Rijnwijck, ten noorden van het Perenlaantje en ten oosten van de Bunzinglaan. Langs dit tracé worden watergangen verbreed, verdiept en gegraven, worden duikers vervangen en worden nieuwe duikers aangebracht onder de Laan van Rijnwijk en onder de spoorbaan.

Wettelijk kader

2. Artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet bepaalt dat de toepassing van deze wet is gericht op:

a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met

b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en

c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet bepaalt dat de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder geschiedt overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan. Met de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk wordt gelijkgesteld de uitvoering van een werk tot beïnvloeding van een grondwaterlichaam.

Op grond van het tweede lid - voor zover hier relevant - bevat het plan ten minste een beschrijving van het betrokken werk en de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd, alsmede een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk.

Wijze van toetsing

3. Het bestuursorgaan heeft bij het vaststellen van een projectplan beleidsruimte. Daarbij is het aan het bestuursorgaan om alle verschillende bij het projectplan betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter moet zich bij de toetsing van het projectplan aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden beperken tot de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit tot vaststelling van het projectplan. De rechtbank verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4349).

Keuze voor open watergang in plaats van vervangen duiker

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat partijen het erover eens zijn dat de huidige duiker niet meer voldoet en aan het einde van zijn levensduur is. Volgens verweerder is de staat van onderhoud nu slecht. Eiseres heeft weliswaar aangevoerd dat de capaciteitsvergroting die mede ten grondslag ligt aan het besluit de huidige duiker te vervangen niet (meer) nodig is, gezien het inmiddels door de gemeente Zeist ontwikkelde beleid om overstorten zoveel mogelijk te beperken, maar ook zij heeft op de zitting erkend dat er hoe dan ook iets moet gebeuren: de duiker moet worden vervangen door een nieuwe (grotere dan wel gelijke) duiker of er moet worden gekozen voor een nieuw aanvoertraject. Verweerder heeft een duidelijke voorkeur voor een (nieuwe) open waterverbinding terwijl eiseres het liefst ziet dat de huidige duiker wordt vervangen door een nieuwe duiker.

5.1

Het aanleggen van een open watergang heeft verweerders voorkeur omdat hiermee een duurzamer en robuuster watersysteem gecreëerd kan worden. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat, ook los van het kostenaspect, een open watergang de voorkeur geniet. In een duiker staat water immers regelmatig langere tijd stil, waardoor de kwaliteit van het water sterk achteruit gaat. Het frequenter doorspoelen van de duiker is technisch mogelijk maar heeft als negatieve effecten dat meer water moet worden aangevoerd dan strikt noodzakelijk is en dat de twee aanwezige gemalen aanzienlijk meer moeten draaien/pompen om de duiker door te kunnen spoelen. Ook is een duiker van 500 meter lang erg kwetsbaar, gevoelig voor lekkages en is het onderhoud ervan lastig.

5.2

Anders dan eiseres stelt, is er volgens verweerder geen strijd met de toepasselijke beleidskaders. Weliswaar is in het Watergebiedsplan Groenraven-Oost en Maartensdijk als maatregel het vervangen van de duiker tussen de Rijnwijcksewetering en de Blikkenburgervaart door een nieuwe grotere duiker opgenomen, maar in dit plan wordt in bijlage 9 al opgemerkt dat het aanleggen van een watergang de voorkeur heeft. Omdat het stationsgebied wordt heringericht, doet zich de kans voor deze gewenste watergang toch aan te leggen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op deze wijze zijn keuze voor een open watergang voldoende heeft gemotiveerd.

Variantenvergelijking

6. Voor de wateraanvoer via een open watergang zijn verschillende alternatieven (routes) bekeken. De rechtbank overweegt dat bij de keuze voor een alternatief een afweging gemaakt moet worden van alle daarbij betrokken belangen. Verweerder heeft hierbij beleidsruimte. Verweerder heeft voorafgaand aan de vaststelling van het projectplan door ingenieursbureau Tauw (hierna: Tauw) een ecohydrologische effectbeoordeling laten uitvoeren. In de notitie van 6 januari 2015 van Tauw worden de effecten van de verschillende alternatieven op natuur en cultuurhistorie met elkaar vergeleken. In verweerders memo van 12 november 2014 (het geohydrologisch onderzoek) zijn de effecten van de verschillende alternatieven op de grondwaterstand en de kwelflux doorgerekend. Verweerder heeft zijn keuze voor variant 2 “Perenlaantje” gebaseerd op deze onderzoeken.

7. Eiseres voert aan dat verweerder zijn keuze voor variant 2 onvoldoende zorgvuldig heeft onderbouwd. Onduidelijk is of wel sprake is van kwaliteitsverbetering omdat onder meer gegevens over de kwaliteit van het aanvoerwater uit de Gooijerwetering en het Driebergse Meer ontbreken. Eiseres is verder van mening dat variant 3A “Laan van Rijnwijck” - mits het tracé niet door de houtwal wordt aangelegd - op de onderdelen aquatische natuur, grondwaterafhankelijke terrestrische natuur en beschermde natuur minder schadelijke effecten heeft dan variant 2 “Perenlaantje”. Verweerders keuze is ook op dit punt volgens haar onvoldoende onderbouwd.

Gegevens aanvoerwater

8. De rechtbank stelt met eiseres vast dat gegevens over de waterkwaliteit van het aanvoerwater uit de Gooijerwetering en het Driebergse Meer inderdaad ontbreken. De rechtbank stelt echter ook vast dat Tauw in zijn notitie uitgaat van een scenario waarin al het water vanuit de Kromme Rijn wordt aangevoerd. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat het streven is dat - in afwijking daarvan - in de nabije toekomst het aanvoerwater voor ongeveer de helft zal bestaan uit water uit de Gooijerwetering en het Driebergse Meer, maar dat dit afhankelijk is van de beschikbaarheid daarvan. Ander aanvoerwater dan dat uit de Kromme Rijn zal alléén worden ingelaten als dat water schoner is dan het Kromme Rijnwater en als het als ‘gebiedseigen’ voor het gebied van het projectplan kan worden aangemerkt. De rechtbank ziet geen aanleiding deze toelichting van verweerder niet te volgen of te twijfelen aan deze verklaring. In zijn functie van verantwoordelijk waterbeheerder moet verweerder immers ook de kwaliteit van het water in de watergangen beschermen. Eiseres heeft op de zitting bevestigd dat het water uit de Kromme Rijn inderdaad van mindere kwaliteit is, hoewel dit de laatste jaren wel is verbeterd. De rechtbank constateert dan ook dat Tauw is uitgegaan van een worstcasescenario, met al het aanvoerwater uit de Kromme Rijn. In dat scenario zijn de gegevens over de kwaliteit van het aanvoerwater uit de Gooijerwetering en het Driebergse Meer niet relevant. Het betoog van eiseres dat het projectplan onzorgvuldig is voorbereid omdat die gegevens ontbreken, slaagt daarom niet.

Effecten varianten

9. Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een waardevol gebied, dat deels onderdeel uitmaakt van de het Natuurnetwerk Nederland. Ten zuidwesten van het Perenlaantje is al sprake van bestaande natuurwaarden. De gronden ten noordoosten van het Perenlaantje worden nu nog agrarisch gebruikt, maar hebben de potentie om zich verder als natuurgebied te ontwikkelen. Ten aanzien van de effecten van zogenoemd gebiedsvreemd water op de aanwezige natuur heeft verweerder toegelicht dat het gebied ten zuidwesten van het Perenlaantje al geïsoleerd is. Er zijn vanuit de aanwezige sloot in de huidige situatie geen watersysteemverbindingen naar dit gebied en ook na het verbreden van de sloot zullen deze er niet zijn. Daarmee zijn de effecten op de kwelgebieden ten zuidwesten van het Perenlaantje beperkt. Uit het geohydrologisch onderzoek is verder gebleken dat het verbreden van de sloot geen significante invloed heeft op de bestaande grondwaterstanden en de kwelflux. Dat eiseres de uitkomsten van het onderzoek betwijfelt en stelt dat ondanks het niet wijzigen van de grondwaterstand toch beïnvloeding plaatsvindt door wegzijging, is onvoldoende om verweerders keuze niet te volgen. Weliswaar blijkt uit het geohydrologisch onderzoek dat sprake kan zijn van 10% extra inlaatwater door wegzijging, maar eenzelfde percentage geldt ook voor de variant die de voorkeur van eiseres heeft. Ten aanzien van het gebied ten noordoosten van het Perenlaantje heeft verweerder toegelicht dat uitvoering van het projectplan niet in de weg staat aan een toekomstige natuurontwikkeling, die verder vooral afhankelijk is van de medewerking van grondeigenaren en de financieringsmogelijkheden. Dat is door eiseres verder niet betwist. Als het gaat om alternatief 3A heeft verweerder ter zitting toegelicht dat hij daarvoor niet gekozen heeft, omdat voor dat alternatief een nieuwe watergang gegraven moet worden in droog gebied. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd over de uitgevoerde variantenvergelijking daarom geen aanleiding voor het oordeel dat deze vergelijking zodanige gebreken of leemtes in kennis bevat dat verweerder op grond hiervan niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor variant 2 “Perenlaantje”. De beroepsgronden slagen niet.

Inspraak

10. Dat eiseres meer participatie had gewild en een uitgebreidere reactie op bepaalde onderwerpen die aan de orde zijn geweest in de tussen haar en verweerder gevoerde overleggen, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Het projectplan is in overeenstemming met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht voorbereid. Eiseres heeft, na het eerdere overleg, in het kader van die procedure de mogelijkheid gehad en benut om haar zienswijze over het ontwerpprojectplan te geven. Er is geen rechtsregel die verweerder ertoe verplicht in aanvulling op de wettelijk voorgeschreven procedure verder met eiseres in gesprek te gaan, ook al had eiseres dat op prijs gesteld. Ter voorlichting aan eiseres merkt de rechtbank nog op dat het door haar gewenste nadere veldonderzoek (pas) aan de orde komt bij een in het kader van een omgevingsvergunning zo nodig uit te voeren natuurtoets. Verweerder heeft verder verklaard dat voor een mogelijke herziening van de peilgebiedsgrenzen bij Rijnwijck eveneens aparte besluitvorming zal plaatsvinden.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. drs. S. Lanshage en

mr. E.C. Matiasen, leden, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.