Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4219

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
16/705231-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 24-jarige man uit Utrecht is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een celstraf van 2 jaar. Hij probeerde in januari van dit jaar in Utrecht een 77-jarige vrouw te verkrachten.

Het DNA van de verdachte is aangetroffen op de jas, ondergoed en buik van de vrouw. Uit de verklaring van de vrouw blijkt dat de man haar de lift in heeft gevolgd. Toen zij de sleutel in de deur stopte werd zij door de man de hal van haar woning ingeduwd en gooide hij de vrouw op de grond. Hij probeerde haar te verkrachten, maar de vrouw bleef op hem slaan en bonzen. Dat het niet tot een verkrachting is gekomen is alleen te danken aan de 77-jarige vrouw zelf. Zij heeft zich uit alle macht verzet, zo blijkt ook uit het bij haar ontstane letsel.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting. Het uitgangspunt bij een poging tot verkrachting is 16 maanden. De rechtbank vindt dat er in deze zaak sprake is van een aantal strafverzwarende omstandigheden, waaronder de hoge leeftijd en de kwetsbaarheid van het slachtoffer. Ook de laffe en berekenende wijze waarop de verdachte het misdrijf heeft gepleegd is strafverzwarend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0715
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/705231-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 september 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1994] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Nieuwegein - HvB locatie Nieuwegein.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 16 mei 2018, 25 juli 2018 en 21 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. I.M.F. Graumans en van hetgeen mr. S.F.J. Smeets, advocaat te Amsterdam, namens verdachte, naar voren heeft gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 26 januari 2018 te Utrecht heeft geprobeerd om met (bedreiging met) geweld en/of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] (geboren op [1940] ) te verkrachten

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

Dat verdachte degene is die het feit heeft gepleegd volgt uit het signalement dat aangeefster en de getuige hebben gegeven en de overeenkomsten hiervan met het signalement van verdachte. Ook komen specifieke uitlatingen van verdachte tijdens zijn aanhouding eerder op die dag en de uitlatingen van de dader ten overstaan van aangeefster en de getuige overeen. Daarnaast is er sprake van een match tussen de aangetroffen sporen op het lichaam en de kleding van aangeefster en het DNA van verdachte. Het door verdachte opgegeven alibi is ondeugdelijk. Ten eerste lijkt de verklaring van verdachte op de verklaringen van zijn broers en vader te zijn afgestemd. Daarnaast verschilt de verklaring van verdachte op essentiële punten van de verklaring van zijn broer [getuige] en komen beide verklaringen niet overeen met de camerabeelden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.

Het DNA-onderzoek is onvolledig en kan niet aan het bewijs bijdragen. In het rapport wordt geen duidelijkheid gegeven over de matchkans. Ten aanzien van het signalement van de dader moet worden uitgegaan van het signalement dat door de getuige is gegeven, nu zij hierover uitvoerig is bevraagd. Een aantal specifieke kenmerken die door de getuige zijn genoemd komen duidelijk niet overeen met het signalement van verdachte. Verdachte heeft een alibi dat wordt bevestigd door de verklaringen van zijn broers en vader. Er zijn geen aanwijzingen dat de verklaringen op elkaar zijn afgestemd. Daarnaast is er onvoldoende onderzoek gedaan naar het alibi van verdachte.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen ten aanzien van het ten laste gelegde 1

Mevrouw [slachtoffer] (hierna: aangeefster) heeft aangifte gedaan van poging tot verkrachting. Aangeefster heeft over het tijdstip en de locatie verklaard:

V: Wanneer is dit gebeurd (...)?

A: Op vrijdagochtend 26 januari 2018 (…)

V: waar is dit gebeurd?

A: Bij mij thuis (…) op de [adres] te [woonplaats] .2

Aangeefster heeft verder over de gebeurtenissen op 26 januari 2018 verklaard:

Ik was bij de brievenbus en daar was de Marokkaanse jongen (…) we stapten samen in de lift (…) toen stopte de lift op 2, ik ging eruit (…) ik had de sleutel in mijn voordeur en draaide de sleutel net om toen (…) pakte hij mijn haar vast, en sleurde mij met mijn karretje mee mijn huis. (…) Hij trekt me de gang in. (…) Hij zei dat hij seks wilde omdat hij daar behoefte aan had. (…) Ik riep: “Nee, nee, nee!” (…) Ik spartelde tegen hij duwde me in de woonkamer op de grond. Ik gaf een schreeuw om hulp maar toen deed hij zijn hand op mijn mond. Toen begon hij me te tongzoenen. (…) Hij trok mijn broek naar beneden. (…) ondertussen bleef ik hem slaan en bonzen. Hij gooide me om en wilde het van achteren gaan proberen. Ik bleef op mijn zij liggen zodat het niet ging lukken. Hij zei toen dat ik moest meewerken omdat hij me anders zou vermoorden. (…) Hij bleef maar aan de gang, hij had zijn hand op mijn mond en bleef proberen. (…) hij zat op zijn knieën en deed toen zijn broek naar beneden en haalde zijn gevaarte eruit. [de rechtbank begrijpt penis]

(…) V: Toen hij uw broek naar beneden trok, wat trok hij allemaal naar beneden?

A: Alles, het hele zaakje. (…) Hij flikkerde me weer op mijn zij en wilde het snel proberen en toen dat niet lukte gooide hij me om en wilde het toen zo proberen. (…) hij wilde het van achteren proberen. (…) dat ging ook niet. (…)

V: Wat van hem heeft uw lichaam aangeraak?

A: Hij heeft met zijn pielemuis [de rechtbank begrijpt penis] wel mijn buik aangeraakt (…)

V: was uw buik bloot of gekleed?

A: bloot.3

In een geneeskundige verklaring wordt het volgende letsel bij aangeefster benoemd:

Uitwending waargenomen letsel: kneuzingen + blauwe plekken + schaven:

borstkas, knie, hand / arm

tand door de lip4

De kleding van aangeefster is inbeslaggenomen en van de buik van aangeefster is zowel een nat als droog monster afgenomen.5 Door The Maastricht Forensic Institute (hierna: TMFI) zijn onder meer de monsters van de buik met SIN–nummers AAU4999NL en AAU4998NL, de jas met SIN-nummer AAIN1893NL en twee stuks ondergoed met SIN-nummer AALJ4997NL ontvangen.6 De jas is door het TMFI op twee plaatsen bemonsterd en de twee stuks ontvangen ondergoed zijn ieder ook op twee plaatsen bemonsterd.7 Ten aanzien van deze monsters is door het TMFI het volgende gerapporteerd8:

Bemonstering

DNA-profiel

Mogelijke donor van celmateriaal

Buik nat / droog
AAU4999NL/ AAU4998NL

DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.

Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De

frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard. (…)

Het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte] (…)

Jas, onderzijde

AAIN1893NL#02

DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.

Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.

Het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte]

Achterzijde onderbroek AALJ4997NL#04

DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.

Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.

Het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte]

Bewijsoverweging

Op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot verkrachting van aangeefster.

Aangeefster heeft verklaard dat een man haar heeft geprobeerd te verkrachten, waarbij de man haar broek naar beneden heeft getrokken en met zijn penis haar onderbuik heeft aangeraakt. De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door het DNA-onderzoek dat is verricht. Het DNA-hoofdprofiel dat is afgeleid uit DNA-mengprofielen aangetroffen op de jas, buik en onderbroek van aangeefster, matcht met het DNA-profiel van verdachte zoals dat is opgenomen in de DNA-databank.

De raadsman heeft bepleit dat aan deze uitkomsten geen dan wel beperkte bewijskracht kan toekomen. In het rapport wordt afgeweken van de gebruikelijke wijze van weergave van de resultaten. In de rechter kolom wordt weliswaar steeds gesproken over een match met het DNA profiel van verdachte en in de middelste kolom wordt gesproken over een frequentie, maar uit niets blijkt dat de match en de frequentie aan elkaar zijn gekoppeld. Het blijft dus onduidelijk wat onder de gerapporteerde matches moet worden verstaan.

De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. Zij leest het rapport zo dat in de middelste kolom steeds de frequentie wordt genoemd, behorend bij het in de derde kolom genoemde hoofdprofiel van verdachte. De conclusie dat sprake is van een match is dus mede gebaseerd op de gerapporteerde frequentie.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

Verdachte heeft over de aanwezigheid van zijn DNA op de onderbuik van aangeefster geen verklaring willen afleggen. Verdachte ontkent zelfs alle betrokkenheid en beweert een alibi te hebben. Het door verdachte aangevoerde alibi dat hij ten tijde van het delict samen met zijn broer [getuige] op verschillende locaties in Utrecht was, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Allereerst heeft verdachte wisselende en met elkaar strijdige verklaringen afgelegd over zijn doen en laten op 26 januari 2018. Bovendien komen de uiteindelijke verklaring van verdachte (welke verklaring is afgelegd nadat verdachte de beschikking had over de getuigenverklaringen van zijn broers) en de verklaring van zijn broer over waar zij zijn geweest en wat zij hebben gedaan, niet overeen met de camerabeelden die zich in het dossier bevinden. Ook laten de verklaringen van verdachte en zijn broer [getuige] juist tijd over, waarin verdachte niet in het zicht van zijn broer is geweest. Aangeefster verklaart dat zij net terugkwam van boodschappen doen bij winkelcentrum Gagelhof toen zij haar woning werd binnen geduwd/getrokken en het tenlastegelegde plaatsvond. Uit de verklaringen in het dossier blijkt dat verdachte precies rond dit tijdstip bij winkelcentrum Gagelhof is geweest en daar zonder zijn broer de auto heeft verlaten. Dit winkelcentrum ligt volgens het dossier op ongeveer 3 tot 5 minuten loopafstand van de woning van aangeefster.

Tot slot wordt het alibi van verdachte weerlegd door de bewijsmiddelen in het dossier, te weten de verklaring van aangeefster en de aanwezigheid van DNA van verdachte op de jas, het ondergoed en de buik van het slachtoffer, voor welke aanwezigheid verdachte geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven.

Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat – ongeacht de betrokkenheid van verdachte – er geen sprake is van een strafbare poging, omdat er geen sprake was van een begin van uitvoering. Doordat de dader op een gegeven moment heeft gevraagd of hij zich in het bijzijn van aangeefster mocht aftrekken, waren zijn handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet (meer) gericht op de penetratie van aangeefster.

De rechtbank is van oordeel dat wel sprake is van een strafbare poging en verwerpt ook dit verweer.

Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat de verdachte meerdere malen en op verschillende wijzen heeft geprobeerd om aangeefster te penetreren, waarbij verdachte zowel zijn eigen broek als de broek en onderbroek van aangeefster al naar beneden had gedaan en verdachte met zijn penis het ontblote lichaam van aangeefster heeft aangeraakt. Ook heeft verdachte tegen aangeefster gezegd dat hij seks wilde en daar behoefte aan had. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm wel degelijk waren gericht op de voltooiing van de verkrachting. Uit de gedragingen volgt zelfs dat verdachte er alles aan heeft gedaan dat in zijn vermogen lag om het gewenste resultaat, de penetratie van aangeefster, te bereiken. In deze zaak is dus sprake van een poging tot verkrachting. Dat de verkrachting uiteindelijk niet is voltooid, doet aan de poging van verdachte niet af.

Gelet op de verklaring van aangeefster, de aanwezigheid van het DNA van verdachte op de onderbuik en de kleding van aangeefster en het ontbreken van een geloofwaardige en een met objectieve gegevens onderbouwde verklaring van verdachte die het bewijs kan weerleggen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 26 januari 2018 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld en een andere feitelijkheid en [slachtoffer] (geboren op [1940] ) te dwingen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,

- die [slachtoffer] naar haar woning is gevolgd, en

- die [slachtoffer] bij haar haren heeft gepakt, en

- vervolgens die [slachtoffer] de hal van haar woning in heeft geduwd, en

- tegen die [slachtoffer] gezegd: "Ik wil seks", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en

- zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht, en

- die [slachtoffer] op de grond geduwd en gehouden, en

- vervolgens de broek ende onderbroek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken, en

- zijn, verdachtes, penis bij buik van die [slachtoffer] heeft gebracht,

en daarbij steeds misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht over die [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Door de raadsman is een beroep gedaan op vrijwillige terugtred van de verdachte als bedoeld in artikel 46b Sr. Er is sprake is van vrijwillige terugtred omdat verdachte vrijwillig zijn handelingen heeft gestopt. Als gevolg hier van moet verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie is van oordeel dat geen sprake van is van vrijwillige terugtred. Ten eerste omdat verdachte betrokkenheid bij het feit ontkent. Daarnaast is geen sprake van vrijwillige terugtred omdat het aangeefster is die heeft voorkomen dat verdachte haar lichaam is binnengedrongen.

De rechtbank stelt voorop dat sprake is van vrijwillige terugtred indien het misdrijf niet is voltooid als gevolg van omstandigheden die van de wil van de dader afhankelijk zijn.

Ook bij een voltooide poging kan sprake zijn van vrijwillige terugtred. Voor het aannemen van vrijwillige terugtred bij een voltooide poging is veelal een zodanig optreden van de verdachte vereist, dat dit naar aard en tijdstip geschikt is om het intreden van het gevolg te voorkomen. Of dit het geval is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

Zoals hiervoor bij de bewijsoverweging is besproken, blijkt dat verdachte meerdere malen en op verschillende wijze heeft geprobeerd om aangeefster te penetreren. Dat verdachte hier niet in is geslaagd is niet aan hem te danken. Het is namelijk door de manier waarop aangeefster zich heeft verzet, dat het verdachte niet is gelukt om haar te verkrachten. Verdachte heeft uiteindelijk na meerdere pogingen door het verzet van aangeefster de verdere uitvoering van zijn voornemen om aangeefster te verkrachten moeten staken. De verkrachting is dus onvoltooid gebleven door een omstandigheid die niet van de wil van verdachte afhankelijk was. Aan verdachte komt dan ook geen beroep op vrijwillige terugtred toe. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

poging tot verkrachting

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest.

De leeftijd en de kwetsbaarheid van het slachtoffer, het feit dat het delict heeft plaatsgevonden in de eigen woning van het slachtoffer, het gebruik van geweld en de psychische gevolgen die het slachtoffer ondervindt worden als strafverzwarende omstandigheden meegewogen.

De officier van justitie houdt er bij het bepalen van de strafeis rekening mee dat sprake is van een poging verkrachting en dat het feit niet is voltooid. Ook houdt de officier van justitie rekening met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om een eventuele op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk te stellen aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot verkrachting van de 77-jarige aangeefster. Verdachte heeft met geweld geprobeerd aangeefster te verkrachten. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster, alleen om zijn eigen lustgevoelens te bevredigen. De wil van aangeefster heeft hij hieraan volstrekt ondergeschikt gemaakt. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Voor een voltooide verkrachting geldt als oriëntatiepunt voor de straftoemeting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. In deze zaak gaat het om een poging, zodat de

straf met een derde dient te worden verminderd. In beginsel is een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden daarom passend en geboden. De rechtbank is echter van oordeel dat er in dit geval sprake is van een aantal strafverzwarende omstandigheden.

Allereerst houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de hoge leeftijd van aangeefster en haar beperkte mobiliteit en verminderde fysieke gesteldheid. Aangeefster is daardoor een bijzonder kwetsbaar persoon. Verdachte heeft zich hier echter niet door laten weerhouden en heeft juist misbruik gemaakt van zijn fysieke overwicht. Verder acht de rechtbank de berekenende en laffe wijze waarop verdachte het misdrijf heeft gepleegd zeer kwalijk. Verdachte is aangeefster de lift in gevolgd en heeft haar, terwijl zij haar voordeur opende heeft hij haar in haar eigen woning naar binnen getrokken/geduwd. De eigen woning is bij uitstek de plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Verdachte heeft aangeefster op zeer vernederende wijze behandeld door haar, terwijl ze op de grond te lag, tegen haar wil te (tong)zoenen, van haar broek en ondergoed te ontdoen en te proberen haar van voren en van achteren te penetreren. De enige reden dat het niet tot een voltooide verkrachting is gekomen, is omdat aangeefster zich uit alle macht heeft verzet. Dat blijkt uit het bij haar ontstane letsel. Naast dit fysieke letsel, heeft aangeefster ook psychische gevolgen van het bewezenverklaarde ondervonden zoals zij heeft toegelicht in haar vordering benadeelde partij. Het handelen van verdachte heeft bij aangeefster tot angstgevoelens geleid. Als gevolg van het handelen van verdachte heeft aangeefster een tijd lang niet meer naar buiten gedurfd en durft ze niet meer samen met vreemde mensen de lift in te gaan. Aangeefster is hierdoor nog verder haar bewegingsvrijheid beperkt.

Daarnaast acht de rechtbank het zorgelijk dat verdachte geen blijk heeft gegeven van enig inzicht in de gevolgen voor aangeefster en dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Daarnaast blijkt dat verdachte in de tussentijd voor andere feiten is veroordeeld, zodat artikel 63 Sr van toepassing is. De rechtbank heeft bij de strafoplegging ook gelet op de rapportages van de psycholoog en psychiater van 23 juli 2018. Door psycholoog en psychiater kon niet worden vastgesteld of verdachte het ten laste gelegde onder invloed van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens heeft begaan. Evenmin kon een inschatting worden gemaakt van het recidiverisico.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden.

9 BENADEELDE PARTIJ

Mevrouw [slachtoffer] (hierna: de benadeelde partij) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 8.500,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De gehele vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen. Het bedrag van

€ 8.500,- is passend en redelijk en in overeenstemming met de jurisprudentie. Er bestaat geen reden om van de vordering af te wijken. De vordering dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en aan de verdachte dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De vordering moet buiten beschouwing worden gelaten. De verdediging heeft de vordering pas vandaag tijdens de ter terechtzitting heeft ontvangen en heeft deze niet met verdachte kunnen bespreken. De verdediging heeft veel vragen over de vordering die niet kunnen worden beantwoord. Daarnaast wordt de vordering door de verdediging betwist.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Vast is komen te staan dat benadeelde partij als gevolg van het ten laste gelegde rechtstreeks schade heeft geleden.

Als gevolg van de poging verkrachting heeft de benadeelde partij letsel opgelopen in de vorm van kneuzingen, blauwe plekken, schaafwonden en een tand door de lip. Het feit heeft een zeer vergaande inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Gelet op de vergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op een bedrag van

€ 4.000,-. Het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2018 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het meer aan immateriële schade gevorderde niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 4.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 26 januari 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 50 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 4.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2018 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] ;

- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 4.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 50 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf, voorzitter, mr. A.J.P. Schotman en mr. drs. S.M. van Lieshout, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.D.M. Osinga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 september 2018.

Mr. C. van de Lustgraaf is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 januari 2018 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid [slachtoffer] (geboren op [1940] ) te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,

- die [slachtoffer] naar haar woning is gevolgd, en/of

- die [slachtoffer] bij haar haren heeft gepakt, en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] de hal van haar woning in heeft geduwd, en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd: "Ik wil seks", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht, en/of

- die [slachtoffer] op de grond geduwd en/of gehouden, en/of

- ( vervolgens) de broek en/of de onderbroek van die [slachtoffer] heeft losgemaakt en/of uitgetrokken, en/of

- zijn, verdachtes, penis bij de vagina en/of anus en/of buik van die [slachtoffer] heeft gebracht,

en (daarbij) (steeds) misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht over die [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 242 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 4 februari 2018, mutatienummer 2018026327, onderzoek 03VOGEL18, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, Dienst Regionale Recherche, Team Zeden, doorgenummerd 1 tot en met 67. Het aanvullende proces-verbaal van 12 februari 2018, genummerd PL0900-2018026327, onderzoek 03VOGEL18, doorgenummerd 68 tot en met 191. Het aanvullende proces-verbaal van 1 mei 2018, genummerd PL0900-2018026327, onderzoek 03VOGEL18, doorgenummerd 192 tot en met 249. Het proces-verbaal van bevindingen van 21 augustus 2018, onderzoek 03VOGEL18, opgemaakt door [verbalisant 1] . Het proces-verbaal van bevindingen van 26 januari 2018, genummerd PL0900-2018026327-9, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van verhoor aangeefster, pagina 81-82.

3 Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, pagina 20-24

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring, p. 94

5 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 71.

6 Een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapportage opgesteld door het TMFI, p. 186

7 Een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapportage opgesteld door het TMFI, p. 187.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapportage opgesteld door het TMFI, p. 187-188