Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:412

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
05-02-2018
Zaaknummer
C/16/449992 / FT RK 17/1921
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek dwangakkoord afgewezen: vanwege parttime werk en voorgenomen opleiding is aanbod niet het maximaal haalbare. Het verzoek tot toepassing van de Wsnp afgewezen: omdat niet aannemelijk is dat verzoekster zich zal houden aan de inspanningsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/449992 / FT RK 17/1921

uitspraakdatum: 31 januari 2018

uitspraak op grond van artikel 287a van de Faillissementswet (‘dwangakkoord’)

enkelvoudige kamer

in de zaak van

[verzoekster] ,

geboren op [1995] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

[woonplaats] ,

hierna: verzoekster,

tegen

de naamloze vennootschap
ING Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gemachtigde: Flanderijn en Van Eck,
hierna: ING Bank.

1 De procedure

1.1.

Verzoekster heeft op 17 november 2017 tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het uitspreken van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Fw, hierna: het verzoek.

1.2.

Op 24 januari 2018 is het verzoek ter zitting behandeld en hierbij zijn verschenen:

verzoekster, de heer [A] , schuldhulpverlener van de gemeente Utrecht en mevrouw [B] , trajectbegeleider van de gemeente Utrecht.

1.3.

Namens ING Bank is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niemand verschenen. Zij heeft bij faxbericht van 22 januari 2018 schriftelijk haar standpunt kenbaar gemaakt.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1.

Verzoekster is een 23-jarige vrouw met één kind (2017). Verzoekster woont bij haar ouders en betaalt kostgeld. Zij ontving tot voor kort een uitkering op grond van de Participatiewet en werkt nu 24 uur per week.

2.2.

De schuldenlast van verzoekster bestaat uit 8 concurrente vorderingen met een totale schuldhoogte van € 16.186,62.

2.3.

Verzoekster heeft op 5 september 2017 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in dat verzoekster gedurende 36 maanden haar afloscapaciteit reserveert. Doorbetaling van het gereserveerde bedrag vindt plaats op grond van een pondspondsgewijze verdeling. Dat zal kunnen resulteren in een uitkering van 8,77 % aan de schuldeisers. Het aanbod is gebaseerd op een prognose; er zal een hoger bedrag worden gereserveerd voor de crediteuren, op het moment dat het inkomen van verzoekster stijgt, dan wel zal er een lager bedrag worden gereserveerd op het moment dat het inkomen daalt.

2.4.

De onder 2.3. bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve ING Bank aanvaard. ING Bank heeft een vordering van € 2.843,74 zijnde 17,56 % van de totale schuldenlast van verzoekster.

3 Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

3.1.

Verzoekster heeft in het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling de rechtbank verzocht ING Bank te bevelen in te stemmen met de onder 2.3. bedoelde schuldregeling.

3.2.

ING Bank bestrijdt het verzoek. Op het gevoerde verweer wordt, waar nodig, bij de beoordeling ingegaan.

4 De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

4.1.

Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als ING Bank in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

4.2.

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van haar vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vorderingen van ING Bank, is het belang van ING Bank bij weigering van die regeling gegeven.

4.3.

Bij de beoordeling van de vraag of ING Bank in redelijkheid tot haar weigering kon komen, moet worden gekeken naar de inhoud van het akkoord. Het akkoord zal in beginsel moeten worden vergeleken met de situatie waarin op verzoekster de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing wordt, zoals subsidiair gevorderd. Indien wordt uitgegaan van de huidige situatie voor het inkomen, dan wordt in het aangeboden akkoord meer gespaard dan in de schuldsaneringsregeling. Immers, het inkomen overstijgt het vrij te laten bedrag niet en in dat geval geldt alleen in een minnelijke regeling een minimale afloscapaciteit. Zo bezien is het aangeboden akkoord voor ING Bank en de overige schuldeisers gunstiger.

4.4.

De rechtbank is echter van oordeel dat niet aannemelijk is dat het aanbod van verzoekster het uiterste is waartoe zij in staat moet worden geacht. Het aanbod is gebaseerd op de minimale afloscapaciteit van de NVVK, terwijl verzoekster meer inkomsten zou kunnen genereren. Verzoekster is in staat fulltime arbeid te verrichten; niet is gebleken dat zij (deels) arbeidsongeschikt is. Ook heeft verzoekster een afgeronde Mbo-opleiding en is zij relatief jong. Op dit moment werkt verzoekster echter parttime en zij is van plan om dat de komende jaren te blijven doen. Verzoekster heeft per 1 maart aanstaande een baan geaccepteerd van 18 uur per week en daarnaast zal zij 8 uur per week een opleiding volgen die door haar nieuwe werkgever gefinancierd wordt. Na het voltooien van haar opleiding, na ongeveer anderhalf jaar, is het mogelijk om fulltime te gaan werken en zal het salaris stijgen.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat de schuldeisers – indien de opleiding succesvol wordt afgerond – op zijn vroegst pas over anderhalf jaar kunnen profiteren van de inkomsten die verzoekster verwerft met een fulltime baan, terwijl van verzoekster verwacht wordt dat zij zich gedurende de gehele minnelijke regeling maximaal inspant zo veel mogelijk baten te verwerven voor haar schuldeisers. Verzoekster heeft ter zitting benadrukt dat zij deze opleiding nu wilt volgen, om haar toekomstperspectief te verbeteren. De rechtbank heeft begrip voor de keuze van verzoekster, maar is van oordeel dat die keuze in dit stadium niet te rechtvaardigen is ten opzichte van haar schuldeisers; die zouden dan genoegen moeten nemen met een tekortkoming in de inspanningsverplichting en kunnen slechts voor een korte duur profiteren van de – thans enkel geprognotiseerde – voordelen. Het is met name het belang van verzoekster dat gebaat is bij het verrichten van parttime werk en het volgen van een opleiding.

4.6.

De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat ING Bank in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Het belang van ING Bank en de overige schuldeisers bij een (toekomstige) schuldregeling gebaseerd op een fulltime inkomen, weegt in het onderhavige geval zwaarder dan het belang van verzoekster bij een oplossing voor haar schulden. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat verzoekster relatief weinig schuldeisers heeft, thans geen vermogen heeft, bij haar ouders inwoont en een inkomen onder de beslagvrije voet heeft, waardoor zij feitelijk weinig ‘last’ heeft van haar schulden. Nu de rechtbank uit de verklaringen van verzoekster opmaakt dat zij vindt dat thans het meest geschikte moment is om te investeren in haar persoonlijke toekomst, is de rechtbank van oordeel dat zowel verzoekster als haar schuldeisers meer gebaat zullen zijn bij een oplossing voor de schulden op een later moment, bijvoorbeeld nadat verzoekster haar opleiding heeft afgerond en fulltime kan werken. Het verzoek tot vaststellen van een dwangakkoord wordt daarom afgewezen.

4.7.

Verzoekster heeft verklaard het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te handhaven. De rechtbank overweegt ten aanzien van dat verzoek als volgt.

Een van de vereisten voor toelating tot de schuldsaneringsregeling houdt in dat verzoekster voldoende aannemelijk moet maken dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zij zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Zoals reeds vastgesteld in het kader van de beoordeling van het verzoek tot vaststellen van een dwangakkoord, spant verzoekster zich niet maximaal in voor haar schuldeisers. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat zij zich zal houden aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Immers, de schuldsaneringsregeling vereist dat verzoekster zich zal inspannen om voltijds, dat wil zeggen minimaal 36 uur per week, betaalde arbeid te verrichten. Het volgen van een opleiding, die bovendien verbonden is aan een arbeidsovereenkomst, staat een correcte nakoming van de sollicitatieplicht in de weg. Conform de Recofa Richtlijnen is het niet toegestaan dat het volgen van een opleiding in de weg staat aan het verrichten van of het solliciteren naar een voltijds dienstverband.

De rechtbank zal daarom ook het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afwijzen.


5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzoek tot vaststellen van een dwangakkoord af;

5.2.

wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Penders en in het openbaar uitgesproken op

31 januari 2018.