Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4108

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
UTR - 17 _ 4938
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft op grond van artikel 2:46 van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 het bedrijfspand van eiser voor de duur van twaalf maanden gesloten. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser zich heeft opgeworpen als facilitator van criminele activiteiten met als gevolg een ernstig gevaar voor de openbare orde en de woon- en leefomgeving.

De rechtbank is van oordeel dat de sluiting van het pand voor één jaar in strijd is met het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel. Verweerder is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de sluiting gerechtvaardigd is en bijdraagt aan de doelen die met sluiting worden beoogd. Hoewel met de sluiting strikt genomen de loop naar het pand om criminele activiteiten te laten faciliteren eruit gehaald wordt en de naamsbekendheid van het pand op dat punt doorbroken wordt, valt redelijkerwijs niet in te zien dat de sluiting van het pand tot herstel van de openbare orde leidt omdat eiser zijn bedrijf in het naastgelegen pand mocht voortzetten en daadwerkelijk in de directe nabijheid van het pand heeft voortgezet. De sluiting van het pand is geen geschikt handhavingsmiddel is als de ondernemer zijn bedrijf in het naastgelegen pand of in de directe omgeving mag voortzetten. Het herstel van de openbare orde en het woon- en leefklimaat rond het bedrijf wordt in dat geval niet gerealiseerd. Verweerder had in de bezwaarprocedure nader moeten onderzoeken of de sluiting van het pand nog steeds het aangewezen middel was in het belang van het herstel van de openbare orde rond het bedrijf. Daarbij had verweerder moeten onderzoeken of een lichter handhavingsmiddel had kunnen worden toegepast. Omdat verweerder dit heeft nagelaten, kan de sluiting geen stand houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/4938

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiser] h.o.d.n. [bedrijfsnaam] , te [vestigingsplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.N.G.M. Starmans),

en

de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Gangabisoensingh).

Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder gelast het bedrijfspand aan de [adres] in [vestigingsplaats] per 1 februari 2017 gedurende twaalf maanden in zijn geheel te (laten) sluiten.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 10 februari 2017 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen (ECLI:NL:RBMNE:2017:599).

Eiser heeft tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar beroep ingesteld.

Bij besluit van 4 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Ter zitting heeft eiser te kennen gegeven geen oordeel te hoeven van de rechtbank over het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar. De rechtbank vat dit op als een intrekking van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. De beroepsprocedure heeft dan ook enkel betrekking op het bestreden besluit.

2. De rechtbank stelt vast dat eiser ter zitting zijn verzoek om schadevergoeding heeft ingetrokken.

3. Verweerder heeft op grond van artikel 2:46, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 (APV) het bedrijfspand van eiser voor de duur van twaalf maanden gesloten. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser zich heeft opgeworpen als facilitator van criminele activiteiten met als gevolg een ernstig gevaar voor de openbare orde en de woon- en leefomgeving. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op twee bestuurlijke rapportages van de Landelijke Eenheid van de Politie Midden-Nederland.

4. Verweerder heeft de op deze zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, waaronder de twee bestuurlijke rapportages. Ten aanzien van de bestuurlijke rapportages heeft verweerder verzocht om geheimhouding toe te passen op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. Eiser is in de gelegenheid gesteld om op het geheimhoudingsverzoek te reageren en heeft hier gebruik van gemaakt. Bij tussenbeslissing van 17 april 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat de beperking van de kennisneming van de bestuurlijke rapportages gerechtvaardigd is. Voor dit oordeel heeft de rechtbank onder andere van belang geacht dat in het primaire en bestreden besluit de relevante feiten en bevindingen van de politie zijn opgenomen, zodat het voor eiser niet geheel onmogelijk is om zich in deze procedure te kunnen verweren zonder kennis te nemen van de inhoud van de bestuurlijke rapportages. Van strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is dan ook geen sprake. De rechtbank heeft, nadat eiser toestemming heeft verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, kennis genomen van de bestuurlijke rapportages.

5. Eiser heeft de vraag opgeworpen of verweerder nog een voldoende actueel belang heeft bij het beroep op geheimhouding. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat er nog steeds een actueel belang is omdat sprake is van politiegegevens waarvoor het openbaar ministerie geen toestemming heeft verleend om deze openbaar te maken. Hij handhaaft om die reden het geheimhoudingsverzoek. Op grond van deze toelichting ziet de rechtbank geen aanleiding om terug te komen op de tussenbeslissing van 17 april 2018.

6. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de betrokkenheid van de gemachtigde van verweerder bij deze zaak een bepaalde vorm van vooringenomenheid met zich brengt. De rechtbank onderschrijft eisers stelling niet. Voor dat oordeel bevat het dossier namelijk geen aanknopingspunten. Van een vooringenomen besluitvorming is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

7. Vervolgens voert eiser aan dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat sprake is van een ernstig gevaar voor de openbare orde en de woon- en leefomgeving. Volgens eiser kan uit de stukken niet worden geconcludeerd dat hij zich heeft opgeworpen als facilitator van criminele activiteiten. Ter zitting heeft eiser zijn stellingen herhaald die in het bezwaarschrift van 11 januari 2017 staan vermeld. Hij heeft toegelicht dat deze stellingen logische verklaringen geven voor de omstandigheden waar verweerder zijn conclusies op heeft gebaseerd. Ter nadere onderbouwing verwijst eiser naar de verklaring van [A] ( [A] ). Volgens eiser heeft verweerder deze verklaring ten onrechte niet betrokken bij de besluitvorming.

8. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat wat eiser heeft aangevoerd geen nieuwe of veranderde omstandigheden zijn. Volgens verweerder heeft hij in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat er aanwijzingen zijn dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het faciliteren van criminele activiteiten. Verweerder verwijst daarbij nog naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 februari 2017. Dat de verklaring van [A] niet uitdrukkelijk in het bestreden besluit wordt vermeld, betekent volgens verweerder niet dat de verklaring niet is betrokken bij de besluitvorming.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van de bestuurlijke rapportages in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat eisers bedrijf criminele activiteiten faciliteerde en dat eiser daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Dat oordeel berust op het volgende.

10. Uit de bestuurlijke rapportages blijkt onder meer dat de politie informatie heeft ontvangen waarbij het bedrijf van eiser is genoemd als locatie waar criminelen voertuigen kunnen laten ombouwen of ‘sweepen’. Ook blijkt uit de rapportages dat via Google Street View te zien is dat een bus met op de zijkant de tekst ‘ [tekst] ’ voor het bedrijf van eiser geparkeerd staat. Deze bus is elders in Nederland aangetroffen bij een doorzoeking en was voorzien van ingebouwde videocamera’s, computerapparatuur en een ‘Target Blue Eye’ systeem. Bij deze doorzoeking is ook een geprinte e-mail aangetroffen gericht aan [e-mailadres] waarin wordt gesproken over het aansluiten van kabels van een cameralens. Verder blijkt uit de rapportages dat eiser aanpassingen aan de bus heeft verricht en dat het factuurbedrag van € 1.500,- contant is betaald. Op de factuur, gericht aan ‘ [tekst] ’ staat vermeld: “Inrichting rijdend kantoor, bekleden, diverse stroompunten”. De politie heeft het vermoeden dat de bus in bezit was van een organisatie die erop gericht is ernstige misdrijven te plegen, waaronder mogelijk liquidaties. Daarnaast blijkt uit de rapportages dat bij een doorzoeking van het bedrijfspand van eiser door de politie op 15 september 2016 een Volkswagen Golf en een Volkswagen Polo zijn aangetroffen. In de Volkswagen Golf werd gewerkt aan een houten constructie onder het paneel waar het reservewiel ligt. Van de Volkswagen Polo was het kenteken en het voertuigidentificatie-nummer (vin) afgeplakt met ducttape. Verder was in deze auto een ruimte aangebracht onder het reservewiel en was een deel van het dashboard en de zich daarin bevindende airbag verwijderd. Van dit dashboardonderdeel is vastgesteld dat dit was bewerkt. Volgens de politie werden de voertuigen hiermee kennelijk voorzien van verborgen ruimtes. Ook zijn bij de doorzoeking twee airbags aangetroffen waarvan onduidelijk is hoe deze in het bedrijf van eiser terecht zijn gekomen, aldus de rapportages. Verder blijkt uit de rapportages dat uit de agenda van eisers werkplaats bleek dat daarin veel afspraken stonden voor werkzaamheden aan voertuigen, maar dat de hiervoor genoemde werkzaamheden aan de Volkswagens niet herkenbaar in de agenda stonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat eiser, gelet op alle voormelde omstandigheden, had kunnen en moeten weten dat zijn klanten (van de bus en beide Volkswagens) met de door hem geleverde diensten geen zuivere, legale, bedoelingen hadden.

11. Eiser heeft op bepaalde punten alternatieve verklaringen gegeven voor de omstandigheden die verweerder als belastend ziet. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de enkele betwisting van de feiten en omstandigheden die in de bestuurlijke rapportages zijn genoemd, onvoldoende is om niet van de rapportages uit te gaan. Het had verweerder echter wel gesierd om in het bestreden besluit de overgelegde verklaring van [A] kenbaar te betrekken. Deze verklaring is echter ook van onvoldoende gewicht om niet langer van de juistheid van de bestuurlijke rapportages uit te gaan. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht is [A] een werknemer van eiser die de verklaring op verzoek heeft opgesteld. Aan de verklaring kan dan ook niet de waarde worden gehecht die eiser wenst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat eiser wist of had moeten weten dat hij met zijn werkzaamheden criminele activiteiten faciliteerde en dat eiser als ondernemer een verwijt kan worden gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

12. Verder voert eiser aan dat verweerder niet heeft kunnen overgaan tot sluiting van zijn pand voor de duur van twaalf maanden. Eiser meent dat het door verweerder gewenste effect, namelijk de gang van bezoekers naar het pand te doorbreken, niet met de sluiting wordt bereikt. Van de gemeente Utrecht kreeg hij namelijk vlak voor de daadwerkelijke sluiting van zijn pand te horen dat hij toestemming had om in het naastgelegen pand op de [adres] zijn onderneming voort te zetten. Volgens eiser kan niet worden volgehouden dat de sluiting van zijn pand noodzakelijk is om de gang van bezoekers te doorbreken. Daarbij merkt eiser op dat het hem niet verstandig leek om in het naastgelegen pand zijn onderneming voort te zetten. Hij heeft er dan ook voor gekozen om een straat verderop, aan de [adres] , zijn onderneming voort te zetten.

13. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat hij genoeg reden had om de sluiting van het pand te gelasten. Het doel van de sluiting is om de naamsbekendheid van het pand en de gang van bezoekers naar het pand voor criminele activiteiten te doorbreken. De opgelegde sluiting kleeft niet aan de persoon van ondernemer, maar aan het pand. Op de zitting heeft verweerder nader toegelicht dat hij de verplaatsing van eisers bedrijf naar het naastgelegen pand niet had voorzien en dat hij juridisch gezien geen grond had om de verplaatsing te weigeren.

14. Het besluit om gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 2:46 van de APV moet voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Dat is ook beschreven in de toelichting op die bepaling. Verweerder heeft in de Beleidsregel sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen (besluit van 18 februari 2015, gemeenteblad 2015 nr. 57065) invulling gegeven aan deze eisen. In deze beleidsregel is vermeld:

“De bevoegdheid om een gebouw of meerdere gebouwen te sluiten is ingrijpend en daarom een uiterst middel. Waar mogelijk moeten eerst andere mogelijkheden overwogen worden en (eventueel) toegepast worden om de criminele activiteiten en/of de zware overlast te beëindigen. Pas als dat niet mogelijk is of onvoldoende effect sorteert, kan tot sluiting worden overgegaan.”

In het beleid zijn ook de doelen van de sluitingsbevoegdheid beschreven:

“Het doel van deze sluitingsbevoegdheid is het herstel van de openbare orde, de veiligheid of zedelijkheid door het weren en terugdringen van criminaliteit in en vanuit voor publiek openstaande gebouwen, alsmede het beëindigen van aanhoudende en ontoelaatbare overlast die niet met andere middelen afdoende kan worden bestreden.”

en:

“Doel van de sluiting is, naast het wegnemen van het gevaar voor de openbare orde, om de loop naar een pand voor criminele activiteiten (en het faciliteren daarvan) eruit te halen. De naamsbekendheid van een pand voor dergelijke activiteiten moet worden doorbroken. De activiteiten kunnen dan ook niet door een rechtsopvolger worden voortgezet. Door middel van een sluiting kan dit worden bereikt.”

15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit en op de zitting er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de sluiting gerechtvaardigd is en voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de sluiting van het pand, die in het bestreden besluit is gehandhaafd, bijdraagt aan de doelen die met sluiting worden beoogd. Na de uitspraak in de voorlopige voorzieningenprocedure én voor de daadwerkelijke sluiting van eisers pand, heeft eiser bij de gemeente Utrecht geïnformeerd naar de mogelijkheden om zijn onderneming voort te zeten. Van de gemeente Utrecht kreeg hij toestemming om in het naastgelegen pand zijn onderneming voort te zetten. Om hem moverende redenen heeft eiser ervoor gekozen om zijn onderneming op de [adres] , in de directe nabijheid van het gesloten pand, voort te zetten. Door verweerder wordt dit niet betwist. Het feit dat eiser van de gemeente Utrecht toestemming heeft gekregen om in het naastgelegen pand en in het pand op de [adres] zijn onderneming voort te zetten, betekent dat het doel dat met de sluiting wordt beoogd niet wordt gerealiseerd. Hoewel met de sluiting strikt genomen de loop naar het pand om criminele activiteiten te laten faciliteren eruit gehaald wordt en de naamsbekendheid van het pand op dat punt doorbroken wordt, valt redelijkerwijs niet in te zien dat de sluiting van het pand tot herstel van de openbare orde leidt omdat eiser zijn bedrijf in het naastgelegen pand mocht voortzetten en daadwerkelijk in de directe nabijheid van het pand heeft voortgezet. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat verweerder in het primaire besluit heeft geconcludeerd dat eiser een inrichting exploiteert die niet alleen een gevaar oplevert voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat rond het bedrijf, maar in feite voor de hele gemeente Utrecht. Verweerder heeft er op de zitting op gewezen dat de sluiting verbonden is met het pand en niet met de ondernemer. Dat uitgangspunt brengt echter niet met zich mee dat een sluiting van het pand een geschikt handhavingsmiddel is als de ondernemer zijn bedrijf in het naastgelegen pand of in de directe omgeving mag voortzetten. Het herstel van de openbare orde en het woon- en leefklimaat rond het bedrijf wordt in dat geval niet gerealiseerd. In dit licht had verweerder in de bezwaarprocedure nader moeten onderzoeken of de sluiting van het pand nog steeds het aangewezen middel was in het belang van het herstel van de openbare orde rond het bedrijf. Daarbij had verweerder moeten onderzoeken of een lichter handhavingsmiddel had kunnen worden toegepast. Omdat verweerder dit heeft nagelaten, kan de sluiting geen stand houden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de last, inhoudende dat het pand één jaar moet worden gesloten, in strijd is met het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel. Verweerder heeft in redelijkheid de sluiting van het pand in het bestreden besluit dan ook niet kunnen handhaven. De beroepsgrond slaagt.

16. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de overige beroepsgronden te bespreken.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen op grond van artikel 2:46 van de APV een bevoegdheid van verweerder is. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De door eiser gevraagde verschotten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat eiser deze kosten niet heeft gespecificeerd of met bewijsstukken heeft onderbouwd.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.004,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.