Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4102

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
16/659202-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 45-jarige man uit Utrecht is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden voor ontucht met een demente vrouw. Een deel van die straf, 4 maanden, is voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Ook legt de rechtbank de man een contactverbod met het slachtoffer op en mag hij niet meer in de buurt van de zorginstelling komen.

De Utrechter werkte als vrijwilliger in het verpleeghuis waar het slachtoffer woont. Hij wist dat de 73-jarige vrouw op een gesloten afdeling verbleef waar personen met dementie verblijven. Het slachtoffer was niet in staat om zelf te beslissen om mee te werken aan seksuele handelingen of daartegen weerstand te bieden. De man heeft de vrouw onder andere betast en hij heeft zich door de bejaarde vrouw laten aftrekken. Ook heeft hij zijn handelingen gefilmd en het slachtoffer opgedragen om met niemand hierover te praten.

De man heeft misbruik gemaakt van de geestelijke tekortkomingen van het slachtoffer. Hij deed dit enkel voor de bevrediging van zijn eigen lustbehoeftes. De aanranding heeft grote onrust veroorzaakt bij de bewoners en medewerkers van het verpleeghuis. Dat de man de verantwoordelijkheid voor het misbruik deels bij het slachtoffer legt en dat hij niet inziet dat zijn handelen ontoelaatbaar en strafbaar is, vindt de rechtbank zeer zorgelijk.

Uit onderzoek blijkt dat de man licht verstandelijk beperkt is. Hierdoor kan het misbruik de man niet volledig worden toerekenend. Ook wordt een ambulante behandeling geadviseerd. De rechtbank neemt dit advies over. Daarnaast vindt de rechtbank dat, gezien de ernst van de feiten, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659202-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 augustus 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [woonplaats],
thans verblijvende in HvB Almere Binnen te Almere.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 mei 2018 en 14 augustus 2018. Op laatstgenoemde zitting heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. I.M.F. Graumans en van hetgeen verdachte en mr. J.H. van Dijk, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 14 augustus 2018 nader omschreven. De nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair op 8 maart 2018 te Utrecht met [slachtoffer] heeft geprobeerd (ontuchtige) handelingen te plegen, die mede bestonden uit proberen het seksueel binnendringen, terwijl verdachte wist dat die [slachtoffer] in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel dat zij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed, dat zij niet of onvolkomen in staat was om ten aanzien van de ontuchtige handelingen en het seksueel binnendringen haar wil te bepalen of kenbaar te maken.

subsidiair op 8 maart 2018 te Utrecht met [slachtoffer] (ontuchtige) handelingen heeft gepleegd, terwijl verdachte wist dat die [slachtoffer] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat zij niet of onvolkomen in staat was om ten aanzien van de ontuchtige handelingen haar wil te bepalen of kenbaar te maken.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat het begin van uitvoering tot het seksueel binnendringen niet volgt uit de bewijsmiddelen. Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde acht de officier van justitie meer specifiek – kort gezegd – bewezen dat verdachte wist dat [slachtoffer] lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens dat zij onvolkomen in staat was haar wil betreffende het seksuele contact met verdachte te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. De uitgevoerde seksuele handelingen, zoals subsidiair ten laste gelegd, kunnen volgens de officier van justitie bewezen worden op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte betreffende de ten laste gelegde handelingen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit verdachte integraal vrij te spreken, dan wel subsidiair hem te ontslaan van alle rechtsvervolging aangaande het primaire feit. De door de verdediging gevoerde verweren worden hierna besproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

De rechtbank overweegt ten aanzien van het primair ten laste gelegde seksueel binnendringen het volgende. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primaire feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat bij verdachte een begin van uitvoering is geweest van het seksueel binnendringen van het slachtoffer. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel.

4.3.2

De bewijsmiddelen 1

De verklaring van verdachte, afgelegd te terechtzitting van 14 augustus 2018, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Ik heb eerder bij [naam zorginstelling] gewerkt als vrijwilliger. Zij hebben mij de code gegeven om de gesloten afdeling op te gaan. Ik weet dat daar ook mensen met dementie verblijven. Ik kwam mevrouw [slachtoffer] tegen in de huiskamer, ik herkende haar van eerder. Ik ben met haar met de rolstoel gaan lopen. Het klopt niet dat ik op haar balkon stond, ik heb daar geen sleutel van. De in de tenlastelegging genoemde handelingen heb ik met mevrouw [slachtoffer] verricht, behalve het aftrekken door haar. Ik heb met mevrouw [slachtoffer] afgesproken dat wij niets tegen anderen zouden zeggen zodat niemand het zou weten. 2

Een proces-verbaal beschrijving camerabeelden verdachte [verdachte] d.d. 10 maart 2018, dossierpagina’s 124 t/m 126, inhoudende – zakelijk weergegeven – de bevindingen van [verbalisant]:

Na de aanhouding werd bij verdachte [verdachte] onder andere inbeslaggenomen een handcamera (…). Er werden twee simcards aangetroffen, één in de camera en één in een sok van verdachte [verdachte]. (…) De simcard welke in de sok van verdachte aangetroffen was (…). Filmbeelden van deze simcard werden veiliggesteld. (…) Op deze door mij, [verbalisant], uitgekeken film beelden is te zien dat er seksueel contact is tussen verdachte [verdachte] en slachtoffer [slachtoffer] (…).3 Met haar rechterhand houdt [slachtoffer] de penis van verdachte [verdachte] vast. De linkerhand van verdachte ‘rust’ op de rechterpols van [slachtoffer]. (…) Op de bewegende beelden is te zien dat [slachtoffer], met haar rechterhand om de penis van verdachte, trekkende bewegingen maakt.4

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 12 maart 2018, dossierpagina’s 90 t/m 96, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van [getuige 1]:

V: Je hebt verteld dat jouw functie eerst verantwoordelijk verzorgende is. Dat je (…) aanspreekpunt bent voor familie, psycholoog en anderen die bezig zijn met zorg van die bewoner. Klopt dat? A: Klopt. (…)

V: Ik begrijp dus dat mw. [slachtoffer] in 2008 op de gesloten afdeling [afdeling], gevestigd op de 2e verdieping van het verzorgingtehuis, is komen wonen. Klopt dat?(…) A: Ja, het is geen verzorgingstehuis, het is een verpleeghuis.5

V: Hoe is zij verbaal naar derden? A: Zij kan daarin ontremd zijn, zij is altijd vriendelijk, ze geeft heel veel complimentjes (…).Zij heeft geen besef wat zij zegt (…).6

V: Als je haar iets vraagt en/of zegt te doen, hoe reageert zij dan? A: Ze is heel meegaand, ze gaat het gelijk doen.7

V: Zegt mw. [slachtoffer] wel eens nee op iets, wat jij weet? A: Nee, ze gaat overal in mee.8

A: Nee, ze weet wel in welke gang haar kamer is, maar kan niet specifiek naar haar eigen kamer gaan.9

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 16 maart 2018, dossierpagina’s 9 t/m 16, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van [getuige 2]:

O: Jij hebt eerder verklaard dat jij als welzijnsmedewerkster werkzaam bij [naam zorginstelling] bent.

A: Ja.10

A: Mevrouw is heeft geen grip op wat zij zegt en doet. (…)

V: Welke symptomen heeft mevr. [slachtoffer]? (…)

A: (…) Je moet echt grenzen aangeven. 11

Een geschrift zijnde een medische verklaring betreffende [slachtoffer] d.d. 6 november 2012, dossierpagina 118, voor zover inhoudende:

Hierbij verklaart ondergetekende (…) dat mevrouw [slachtoffer] (…) op grond van reeds lang bestaande cognitieve functiestoornissen niet meer in staat is om zakelijke belangen

ten volle en naar behoren te behartigen. Patiënte dient in dit opzicht als handelings- en wilsonbekwaam te worden beschouwd.12

Een geschrift zijnde een beschikking tot onderbewindstelling betreffende [slachtoffer] d.d. 21 januari 2013, dossierpagina 119, voor zover inhoudende:

De kantonrechter heeft rechthebbende niet gehoord, omdat uit de stukken voldoende blijkt

dat rechthebbende niet in staat is haar mening kenbaar te maken.13

Een geschrift zijnde een samenvatting medische gegevens betreffende [slachtoffer] d.d. 6 november 2012, dossierpagina 120, voor zover inhoudende:

Reden van Inschrijving (opname in) psychogeriatrische instelling per 29-10-2003

toegenomen zorgbehoefte

Medische voorgeschiedenis

(…)

2002 CVA

2002 Vasculaire dementie

1983 CVA14

4.3.3

Bewijsoverwegingen

4.3.3.1 Achtergrond strafbaarstelling artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)

De wetgever heeft bij de invoering van de strafbaarstelling van ontucht met een wilsonbekwame, zoals opgenomen in artikel 247 Sr, een balans gezocht tussen aan de ene kant de bescherming van kwetsbare burgers zoals personen met een geestelijk stoornis, of gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens, en aan de andere kant hun vrijheid om aan eigen seksuele verlangens uitdrukking te geven. Dat blijkt uit de wetsgeschiedenis behorende bij voornoemd artikel, Kamerstukken Tweede Kamer, 1988-1989, 20 930, nr. 5. Seksuele handelingen met een geestelijk gestoorde zijn niet strafbaar, tenzij die persoon als gevolg van de gebrekkige ontwikkeling van zijn/haar geestvermogens niet of onvolkomen in staat is zijn/haar wil daaromtrent te bepalen, kenbaar te maken of weerstand daartegen te bieden. Bij de bepaling of hiervan sprake is gaat het om een relatief onvermogen, te weten een onvermogen om in een specifieke situatie zijn/haar wil te bepalen. Dit vergt een beoordeling aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij bijvoorbeeld het al dan niet bestaan van een ongelijke machtsverhouding als ook het beroep van een verdachte een rol kan spelen. Verder is voor een strafbaarstelling vereist dat degene die de seksuele handelingen verricht wist dat de geestelijk gestoorde – kort gezegd – zijn/haar wil daaromtrent niet of onvolkomen kon bepalen, kon kenbaar maken of weerstand kon bieden.

4.3.3.2 De gepleegde seksuele handelingen

De rechtbank acht, gelet op het dossier en de bekennende verklaring van verdachte daaromtrent, bewezen dat verdachte de ten laste gelegde seksuele handelingen met [slachtoffer] heeft verricht.

4.3.3.3 De geestvermogens van [slachtoffer]

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat op basis van het dossier onvoldoende vaststaat dat [slachtoffer] leed aan een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens. De bij [slachtoffer] reeds langere tijd bestaande cognitieve functiestoornissen en vastgestelde vasculaire dementie, maakt volgens de raadsman niet dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent de seksuele handelingen te bepalen. De raadsman heeft in dat kader aangevoerd dat de seksuele contacten met instemming van [slachtoffer] plaatsvonden en dat zij wel degelijk in staat was haar wil aangaande die contacten kenbaar te maken.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen bewezen dat

[slachtoffer] ten tijde van het plaatsvinden van de ontuchtige handelingen lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. Uit de verklaringen van de specialisten ouderengeneeskunde [A] en [B] en de haar verzorgende welzijnsmedewerkers blijkt het volgende. Zij heeft op de leeftijd van 38 jaar een hersenbloeding gehad en onder meer als gevolg hiervan lijdt zij sinds 2002 aan vasculaire dementie. Zij is naar derden ontremd en kan moeilijk haar grenzen aangeven. Dit kenmerkt zich onder meer in het continu geven van complimenten aan anderen, zowel mannen als vrouwen, hetgeen niet bewust wordt gedaan maar wordt beschreven als een automatisme waarbij de woorden veelvuldig worden herhaald.

De gebrekkige ontwikkeling vindt voorts steun in het beeld dat van haar naar voren komt uit de uitgebreide beschrijving van het functioneren van [slachtoffer] door haar direct verzorgenden. De rechtbank gaat ervan uit dat hetgeen hiervoor is weergegeven omtrent haar beperkingen en functioneren ook geldt op seksueel gebied. Er is immers geen aanleiding te veronderstellen dat dit juist op seksueel gebied anders zou zijn.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat [slachtoffer] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens lijdt dat zij in de onderhavige situatie – te weten in relatie tot verdachte – niet of onvolkomen in staat was om haar wil omtrent het ondergaan van of meewerken aan seksuele handelingen te bepalen, kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.

4.3.3.4 De wetenschap van verdachte

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte wist dat [slachtoffer] ten aanzien van de seksuele contacten – kort gezegd – wilsonbekwaam was.

De verdediging heeft bepleit dat op basis van het dossier onvoldoende vaststaat dat verdachte wetenschap had van het feit dat [slachtoffer] niet in staat was om haar wil te bepalen betreffende het seksuele contact. De raadsman voert hiertoe aan dat [slachtoffer] goed met verdachte kon communiceren, met hem flirtte en gedeeltelijke instemming gaf voor de verrichtte handelingen. Daarnaast benadrukt de raadsman dat uit psychologisch onderzoek naar verdachte blijkt dat hij over een zeer beperkt beoordelingsvermogen beschikt, waardoor hij niet had kunnen weten of begrijpen dat [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil te bepalen.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de medische informatie van mevrouw [slachtoffer] vloeit voort dat zij in 1983 een hersenbloeding heeft gehad. Ten gevolge hiervan, en onder andere diabetes mellitus, is bij haar vasculaire dementie vastgesteld. Uit de samenvatting medische gegevens d.d. 2012 blijkt dat zij sinds 2003 een toenemende zorgbehoefte heeft en zij is in 2013 onder bewind gesteld waarbij de kantonrechter in de beschikking overweegt dat zij niet is gehoord omdat voldoende blijkt dat zij niet in staat is haar mening kenbaar te maken. In de, ten behoeve van de onderhavige zaak, opgevraagde medische gegevens wordt het medische beeld bevestigd en gesteld dat zij sinds 1992 op een gesloten BOPZ-afdeling in verpleeghuis [naam zorginstelling] woont.

Verdachte heeft gedurende langere tijd als vrijwilliger op de gesloten afdeling gewerkt waar [slachtoffer] verblijft. Hij verklaart dat hij haar kent van deze periode op de afdeling en dat dit een gesloten afdeling betreft. Verdachte stelt dat hij wist dat dit een afdeling was waar personen met vasculaire dementie verblijven en welke beperkingen bij deze aandoening horen, maar dat hij, in tegenstelling tot de andere haar direct verzorgende welzijnsmedewerkers, niet dacht dat [slachtoffer] leed aan vasculaire dementie.

De verklaring van verdachte omtrent het gebeurde en het geestelijke vermogen van [slachtoffer] acht de rechtbank onaannemelijk, nu deze niet alleen geen steun vindt in de beschreven feitelijke gang van zaken, maar deze ook op essentiële punten wordt tegengesproken door meerdere getuigen.

Het feit dat verdachte de seksuele handelingen ook gefilmd heeft, maakt dat de rechtbank ernstig twijfelt over de door hem gestelde motieven om het verpleeghuis te bezoeken.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat er bij [slachtoffer] sprake was van een geestelijke stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van haar geestesvermogens en dat zij daardoor onvolkomen in staat was om haar wil omtrent het ondergaan van of meewerken aan seksuele handelingen te bepalen, kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.

4.3.3.5 Conclusie

De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hieronder bewezen is verklaard.

Voor het overige vinden de verweren van de raadsman hun weerlegging in de voornoemde bewijsmiddelen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

subsidiair

op 8 maart 2018, te Utrecht met [slachtoffer], van wie verdachte wist dat die [slachtoffer] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte

- de (boven)kleding en BH van die [slachtoffer] omhoog gedaan, en

- zijn tong/mond tegen de borsten/tepels van die [slachtoffer] gebracht en de borsten/tepels van die [slachtoffer] gelikt en betast en

- zijn, verdachtes, broek en onderbroek naar beneden getrokken en

- vervolgens zijn geslachtsdeel ontbloot en

- vervolgens de hand van die [slachtoffer] om zijn, verdachtes, geslachtsdeel gelegd en met die hand van [slachtoffer] aftrekkende bewegingen gemaakt en

- vervolgens zijn (stijve) geslachtsdeel, tegen de borsten van die [slachtoffer] gewreven en zich in het bijzijn van die [slachtoffer] afgetrokken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

met iemand van wie hij weet dat hij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of

ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet of onvolkomen in staat

is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te

bieden, ontuchtige handelingen plegen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van de tijd die reeds in voorlopige hechtenis is doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met – kort gezegd – de volgende bijzondere voorwaarden:

 een meldplicht bij Reclassering Nederland;

 een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling;

 een contactverbod met [slachtoffer];

 een locatieverbod voor zorginstelling [naam zorginstelling], en een straal van 500 meter om de instelling;

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hierbij heeft hij, onder meer, aangevoerd dat zijn cliënt het foutieve van zijn gedrag inziet en er geen risico is op herhaling. Daarnaast heeft de raadsman verwezen naar soortgelijke gevallen en hij heeft hierbij een kader van jurisprudentie uiteengezet waarin lager is gestraft dan de zes maanden voorlopige hechtenis die zijn cliënt reeds heeft uitgezeten. De raadsman heeft bepleit dat de lange voorarrest periode reeds recht doet aan het delict en heeft verzocht om zijn cliënt onmiddellijk in vrijheid te stellen. Bij oplegging van een voorwaardelijk strafdeel heeft de raadsman benadrukt dat zijn cliënt bereid is mee te werken aan een ondertoezichtstelling van de Reclassering en een ambulante behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksuele handelingen met en bij het slachtoffer in het verpleeghuis waar zij op een gesloten afdeling verbleef. In de context van de zorgrelatie, waarin verdachte en slachtoffer eerder contact met elkaar hadden en waarbij van verdachte mocht worden verwacht dat hij de grenzen van het betamelijke zou bewaken, heeft verdachte die grens niet alleen totaal uit het oog verloren maar heeft hij het slachtoffer op grove wijze geschaad.

Verdachte heeft bij de gevolgen voor het slachtoffer nimmer stilgestaan en, kennelijk ter bevrediging van zijn eigen lustbehoeftes, misbruik gemaakt van de geestelijke tekortkomingen en daarmee van de weerloosheid van het slachtoffer. De impact van de gedragingen zijn groot, nu verdachte de handelingen verrichtte in een verpleeghuis, waarbij er grote onrust is veroorzaakt bij zowel de medewerkers als de bewoners. Verdachte liet het slachtoffer bovendien weten dat zij hun seksuele contacten geheim moest houden. Hiermee verkleinde verdachte de kans dat de ontucht aan het licht zou komen, en vergrootte hij de druk op het kwetsbare slachtoffer. Daarnaast heeft hij de verrichtte handelingen gefilmd met een door hem meegebrachte camera, hetgeen de rechtbank meeneemt in de beoordeling van de door hem gestelde motieven om het verpleeghuis te bezoeken.

Verdachte heeft weliswaar openheid gegeven omtrent de uitgevoerde seksuele handelingen, maar heeft geenszins aangetoond het laakbare van zijn handelen in te zien. Integendeel, verdachte legt de verantwoordelijkheid voor het gepleegde misbruik (deels) bij het geestelijk gehandicapte slachtoffer. Dat verdachte ook nu nog niet inziet dat zijn handelen volstrekt ontoelaatbaar én strafbaar is en dat uitsluitend hij degene is die voor zijn handelen verantwoordelijk is - zo heeft hij bij de reclassering verklaard dat hij zich heeft laten misleiden door het slachtoffer - acht de rechtbank dan ook zeer zorgelijk.

Uit het strafblad van verdachte van 3 juli 2018 is gebleken dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het strafblad wordt niet in het voordeel of nadeel van verdachte meegewogen.

Bij rapporten van Pro Justitia van 21 juni en 23 juni 2018 hebben I.M.A.E. van Vlimmeren, klinisch psycholoog en M.M. Sprock, psychiater, over verdachte gerapporteerd.

Door de psychiatrisch rapporteur is vastgesteld dat er sprake is van een lichte verstandelijke beperking en een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis. De psychiater ziet een verband met de licht verstandelijke beperking en het ten laste gelegde en adviseert om het ten laste gelegde, om deze reden, verminderd toe te rekenen. Deze conclusie wordt onderschreven door de psychologisch rapporteur, waarbij deze toevoegt dat duidelijk uit het onderzoek naar voren komt dat verdachte geen helder beeld had van de toelaatbaarheid van zijn gedrag. Dit beperkte begripsvermogen houdt verband met zijn licht verstandelijke beperking.

Naar het oordeel van de psychiater wordt gelet op het recidiverisico - geschat op matig - en de houding van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde, psycho-educatie ten aanzien van seksualiteit en intimiteit belangrijk geacht. Dit zal kunnen inhouden een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek zoals de Waag of een soortgelijke instelling gericht op psycho-educatie, waarbij het inzicht van betrokkene zal worden vergroot ten aanzien van de gevolgen van zijn gedrag. De noodzaak tot ambulante behandeling wordt ook door de psycholoog onderschreven.

Omtrent verdachte heeft de reclassering een rapport d.d. 2 augustus 2018 opgesteld. In dit rapport, opgemaakt door [reclasseringswerker], reclasseringswerker, zijn voornoemde rapportages van Van Vlimmeren en Sprock, evenals de hierin opgenomen vaststellingen omtrent het psychosociaal functioneren van verdachte, overgenomen. De reclasseringsrapporteur heeft het recidiverisico, op basis van de door haar uitgevoerde risicoanalyse, ingeschat als hoog.

De reclassering heeft geadviseerd – indien de rechtbank tot een veroordeling komt – aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met – kort gezegd – de volgende bijzondere voorwaarden:

  • -

    een meldplicht bij Reclassering Nederland;

  • -

    een ambulante behandeling bij De Waag, inclusief de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname;

  • -

    een contactverbod met [slachtoffer];

  • -

    een locatieverbod voor de zorginstelling waar het slachtoffer verblijft.

De rechtbank neemt de conclusies en het advies ten aanzien van de toerekenbaarheid over en maakt deze tot de hare. Het hiervoor bewezen verklaarde zal verdachte derhalve in verminderde mate worden toegerekend.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de hiervoor omschreven ernst van de feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten zal op de onvoorwaardelijke gevangenisstraf in mindering worden gebracht. Ter voorkoming van de kans op herhaling zullen aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbonden worden. Daarnaast stelt de rechtbank de duur van de klinische opname zoals deze is geformuleerd door de reclassering op maximaal 7 weken.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

* zich persoonlijk binnen drie werkdagen volgend op zijn invrijheidsstelling zal melden bij Reclassering Nederland op het Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* meewerkt aan een behandeling bij ambulante forensische polikliniek De Waag, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Van deze behandeling zal een deel van maximaal 7 weken een klinische behandeling inhouden, indien de reclassering dit nodig acht. Verdachte zal zich houden aan de regels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], zolang het openbaar ministerie dit noodzakelijk acht;

* zich niet zal bevinden binnen een straal van 500 meter van de zorginstelling [naam zorginstelling] afdeling [afdeling], thans gevestigd aan de [adres] te [vestigingsplaats], indien zorginstelling [naam zorginstelling] dan wel [slachtoffer] verhuist, zich ook niet zal ophouden in de omgeving van haar toekomstige woonadres;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.P.H.M. Severeijns, voorzitter, mrs. A.J.P. Schotman en M.W.V. van Duursen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. Kappel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 augustus 2018.

mr. M.W.V. van Duursen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: de gewijzigde tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

primair

hij, op of omstreeks 8 maart 2018, te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer], van wie verdachte wist dat die [slachtoffer] in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat zij niet of onvolkomen in staat was har wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, één of meer handeling(en) te plegen, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

- ongevraagd het verzorgingstehuis waarin die [slachtoffer] verbleef is binnengegaan en/of naar de kamer van die [slachtoffer] is gegaan en/of

- de (boven)kleding en/of BH van die [slachtoffer] omhoog heeft gedaan, althans die [slachtoffer] heeft bewogen haar (boven)kleding en/of BH omhoog te doen en/of

- ( vervolgens) zijn tong/mond tegen/bij de borsten/tepels van die [slachtoffer] heeft gebracht en/of de borsten/tepels van die [slachtoffer] heeft getikt en/of betast en/of

- zijn, verdachtes, broek en/of (geprepareerde) onderbroek heeft uitgedaan,

althans naar beneden heeft gedaan en/of(vervolgens) zijn geslachtsdeel (gedeeltelijk) heeft ontbloot en/of

- ( vervolgens) de hand van die [slachtoffer] om/op zijn, verdachtes, geslachtsdeel heeft gelegd en/of met die hand van [slachtoffer] aftrekkende bewegingen heeft gemaakt en/of zich door die [slachtoffer] heeft laten aftrekken en/of (vervolgens) zijn (stijve) geslachtsdeel, althans zijn onderlichaam, één of meermalen tegen/bij de borsten van die [slachtoffer] heeft gebracht/gewreven en/of

- zich in het bijzijn van die [slachtoffer] heeft afgetrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 243 en 45 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair

hij, op of omstreeks 8 maart 2018, te Utrecht, althans in Nederland, met [slachtoffer], van wie verdachte wist dat die [slachtoffer] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte

- de (boven)kleding en/of BH van die [slachtoffer] omhoog gedaan, althans die [slachtoffer] bewogen haar (boven)kleding en/of BH omhoog te doen en/of

- zijn tong/mond tegen/bij de borsten/tepels van die [slachtoffer] gebracht en/of de borsten/tepels van die [slachtoffer] gelikt en/of betast en/of

- zijn, verdachtes, broek en/of (geprepareerde) onderbroek uitgedaan, althans naar benden getrokken en/of

- ( vervolgens) zijn geslachtsdeel (gedeeltelijk) ontbloot en/of

- ( vervolgens) de hand van die [slachtoffer] om/op zijn, verdachtes, geslachtsdeel gelegd en/of met die hand van [slachtoffer] aftrekkende bewegingen gemaakt en/of zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of

- ( vervolgens) zijn (stijve) geslachtsdeel, althans zijn onderlichaam, één of meermalen tegen/bij de borsten van die [slachtoffer] gebracht/gewreven en/of zich in het bijzijn van die [slachtoffer] afgetrokken;

(art. 247 Wetboek van Strafrecht)

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal met documentcode 2018032009483168.RLS (pagina 1 t/m 136) bevinden, volgens de in dat proces-verbaal toegepaste nummering. Wanneer paginanummers verwijzen naar andere processen-verbaal, dan wordt dit expliciet vermeld. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal die op ambtseed of ambtsbelofte en in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 14 augustus 2018.

3 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] d.d. 10 maart 2018, p. 124.

4 Idem, p. 126.

5 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 12 maart 2018, pag. 91.

6 Idem, p. 92.

7 Idem, p. 93.

8 Idem, p. 94.

9 Idem, p. 96.

10 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 16 maart 2018, pag. 10.

11 Idem, p. 12.

12 Medische verklaring opgemaakt door [A], specialist ouderengeneeskunde betreffende [slachtoffer] d.d. 6 november 2012, pag. 118.

13 Beschikking van de rechtbank Midden-Nederland op een verzoek tot onderbewindstelling d.d. 21 januari 2013, p. 119.

14 Samenvatting medische gegevens van [C], huisarts te [naam zorginstelling] Afdeling [afdeling], d.d. 19 december 2012, p. 120.