Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:4088

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
16/705874-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 28-jarige man uit Utrecht die vorig jaar mei tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf werd veroordeeld moet daar 90 dagen van uitzitten. De rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat hij zich niet aan de bijzondere voorwaarden van zijn veroordeling heeft gehouden.

Hij werd vorig jaar veroordeeld voor het treffen van voorbereidingshandelingen om zich aan te sluiten bij IS. Hij had contact met gelijkgestemden en kocht een vliegticket naar Teheran. De man had zijn koffer gepakt en had een groot geldbedrag op zak. Hij werd aangehouden op 14 april 2016 in Utrecht, nadat zijn vader de politie had ingeschakeld. Op 24 mei 2017 werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 242 dagen voorwaardelijk. De rechtbank legde een aantal bijzondere voorwaarden op, zoals een locatieverbod voor luchthavens. Ook moest hij een behandeling ondergaan en in gesprek gaan met een islamdeskundige of theoloog.

De deskundigen hebben aangegeven dat zij positieve ontwikkelingen zien bij de veroordeelde. Hij komt altijd op zijn afspraken en is al geruime tijd actief op de arbeidsmarkt. Toch voldoet hij niet aan de voorwaarden. Hij weigert om inhoudelijk het gesprek aan te gaan met zijn behandelaars en een theoloog. De rechtbank oordeelt dat de veroordeelde op de zitting ook geen inzicht gaf in zijn motivering en gedachtegang voor het weigeren van de inhoudelijke bijdrage aan de gesprekken. Daarnaast heeft hij zijn wantrouwen naar de overheid en frustratie tegen de autoriteiten geuit. De deskundigen concluderen dat de kans op herhaling onverminderd hoog is. De rechtbank beslist dat de man 90 dagen celstraf moet uitzitten en verlengt de proeftijd van de overgebleven voorwaardelijke straf met 1 jaar. Dat is gelijk aan de vordering van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/705874-16

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.

In de zaak van de officier van justitie onder het hierboven genoemde parketnummer tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [1990 ] te [geboorteplaats] (Iran),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

hierna: veroordeelde,

heeft de officier van justitie bij vordering van 21 juni 2018, ingekomen ter griffie op 22 juni 2018, de tenuitvoerlegging gevorderd van een aan de veroordeelde onder voorwaarden opgelegde straf. Op deze vordering heeft de rechtbank de volgende beslissing gegeven.

1 De stukken

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier van de veroordeelde bevindende stukken, waaronder:

- het onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 24 mei 2017 in de zaak tegen de veroordeelde met voormeld parketnummer, waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot - kort gezegd - een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen waarvan 242 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich, zoals hij nu ook gedurende zijn schorsingstoezicht doet, zal blijven melden bij Reclassering Nederland zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

- dat veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen voor zijn door de in het NIFP-onderzoek geconstateerde stoornis bij forensische polikliniek De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

- dat veroordeelde geen contact hebben met (niet direct, niet indirect, ook niet als die persoon zelf dat contact zoekt):

 [A] ( [1989] )

 [B] ( [1984] )

 [C] ( [1991] )

 [D] ( [1969] )

 [E] ( [1978] )

 [F] ( [1994] )

 [G] ( [1992] )

 [H] ( [1990 ]

 [I] [1982] )

 [J] ( [1978] )

 [K]

 [L]

 [M]

 [O]

 [P]

 [Q]

 [R]

 [S]

 [T]

De reclassering behoudt het recht om deze lijst uit te breiden mocht gaandeweg het traject blijken dat dit nodig is.

- daarnaast mag veroordeelde geen contact leggen met personen die op de Sanctielijst Terrorisme staan;

- veroordeelde mag zich niet begeven op de volgende internationale luchthavens: Schiphol, The Hague Airport, Eelde, Eindhoven, en Maastricht, zolang de reclassering dit nodig acht. Tevens mag veroordeelde zich niet bevinden in een straal van twee kilometer rondom de landgrenzen van Nederland. Het locatieverbod wordt gedurende de proeftijd gecontroleerd door middel van een elektronisch controlemiddel met GPS;

- veroordeelde dient mee te werken aan het begeleidingstraject van de gemeente Utrecht, waarbij gericht zal worden gewerkt aan het verkrijgen van een dagbesteding/scholing en/of werk of het aanleren van vaardigheden die benodigd zijn om deze doelen te bereiken.

- veroordeelde dient mee te werken aan gesprekken met een Islamdeskundige/Theoloog.

- het advies van Reclassering Nederland van 15 maart 2018 tot tenuitvoerlegging van de bij voormeld vonnis opgelegde voorwaardelijke straf;

- de overige stukken die zich in het dossier bevinden.

2 De procesgang

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 14 augustus 2018, waarbij zijn gehoord de officier van justitie, veroordeelde en de raadsman van veroordeelde, mr. X.B. Sijmons, advocaat te Amersfoort. Als deskundigen zijn gehoord de heer M. Mikulski en de heer H. Ridderbos, toezichthouders bij Reclassering Nederland.

3 De beoordeling

Rapportage

Aan veroordeelde is bij voormeld vonnis een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 242 dagen, met een proeftijd van twee jaren en onder meer de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde moet meewerken aan de ambulante behandeling bij forensische polikliniek De Waag en gesprekken met een Islamdeskundige/Theoloog.

De proeftijd is ingegaan op 24 mei 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van voornoemd voortgangsverslag. Hieruit volgt dat veroordeelde zich wel aan het contactverbod en de voorwaarde inhoudende het verkrijgen van een dagbesteding heeft gehouden, maar niet aan de andere bijzondere voorwaarden.

In de periode na zijn veroordeling zijn de wekelijkse meldplichtgesprekken bij de reclassering, opgestart tijdens zijn schorsing, voortgezet. Veroordeelde is, zoals voorheen, op al zijn afspraken bij de Reclassering, De Waag en de Islamdeskundige verschenen.

Veroordeelde heeft in deze gesprekken uitgesproken moeite te hebben met het verplichte karakter van het toezicht en heeft zijn aanhoudende wantrouwen tegen de overheid geuit. Veroordeelde heeft hierbij uitgesproken dat hij het voldoende vond om op de afspraken te verschijnen zonder een inhoudelijke bijdrage te leveren. Op 19 december 2017 is een nieuw overleg gepland waarbij de theoloog, de jobcoach en de gemeente Utrecht alsmede veroordeelde aanwezig waren. Tijdens dit gesprek zijn nieuwe afspraken geformuleerd waaraan veroordeelde zich committeerde. In de hierop volgende gesprekken is de houding van veroordeelde echter onveranderd gebleven, en heeft hij zijn standpunt om zich te onthouden van inhoudelijke inbreng gehandhaafd. Op 7 maart 2018 heeft er een evaluatiegesprek bij instelling De Waag plaatsgevonden in aanwezigheid van veroordeelde en de reclasseringsmedewerker. De behandelaar vanuit De Waag heeft geconcludeerd dat veroordeelde geen openheid geeft en het hierdoor onmogelijk is de behandeling uit te voeren. De behandeling van veroordeelde werd derhalve vroegtijdig stopgezet. Ook de Islamkundige heeft aangegeven dat veroordeelde in de gesprekken dezelfde houding aanneemt en weigert inhoudelijk het gesprek aan te gaan.

De rapporteurs achten het zorgelijk dat veroordeelde zijn gedachten- en belevingswereld niet deelt en derhalve inhoudelijk niet meewerkt aan de ingezette interventies en opgelegde voorwaarden. De reclassering heeft dan ook geconcludeerd dat er niet gewerkt kan worden aan gedragsverandering teneinde het recidiverisico te verlagen, dit wordt onverminderd als hoog ingeschat.

Het standpunt van de deskundige

Deskundigen M. Mikulski en H. Ridderbos hebben ter zitting de conclusie en het advies opgenomen in voornoemde rapportage onderschreven. De deskundigen hebben aangegeven dat zij ook positieve ontwikkelingen zien bij veroordeelde, met name dat hij met succes een dienstverband heeft bewerkstelligd en dit heeft behouden. Echter, zij hebben bevestigd dat het, gezien de huidige houding van veroordeelde, niet mogelijk is inzicht te krijgen in zijn gedachten- en belevingswereld. Nu dit niet mogelijk is, kan er geen invulling worden gegeven aan het reclasseringstoezicht, zoals dat is geformuleerd, met name het onderdeel zijnde gedragsverandering.

4 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd, te weten 90 dagen. Voor het overige deel van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf heeft zij verlenging gevorderd van de proeftijd met één jaar onder dezelfde bijzondere voorwaarden zoals deze bij voornoemd vonnis zijn geformuleerd.

5 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat zijn cliënt in de toezichtperiode belangrijke ontwikkelingen heeft laten zien. Hij heeft een netwerk om zich heen opgebouwd, hij heeft zelfstandig werk gevonden en hij is gefocust op de toekomst. In reactie op de conclusie van de reclassering heeft de raadsman gesteld dat het gebrek aan inhoudelijke diepgang in de gesprekken met zijn cliënt kan worden verklaard door zijn persoonlijkheid. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat uit de over zijn cliënt opgemaakte triplerapportage naar voren komt dat zijn cliënt vanaf jonge leeftijd een scheefgroei in de ontwikkeling van de persoonlijkheid heeft doorgemaakt resulterend in een hechtingsangst, waardoor het hem niet lukt langdurige vertrouwensrelaties te ontwikkelen. Zulks zou de onmogelijkheid van zijn cliënt verklaren om een diepgaande inhoudelijke bijdrage te leveren in de gesprekken. De raadsman heeft betoogd dat, indien de vordering van de officier van justitie wordt toegewezen, zijn cliënt zal kwijtraken wat hij nu heeft opgebouwd en zal vereenzamen. De raadsman heeft dan ook verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen.

6 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vordering. De proeftijd van veroordeelde loopt, gezien voornoemde stukken, tot 24 mei 2019.

De rechtbank neemt de conclusie van de reclassering en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben aangevoerd over, en heeft geen aanknopingspunten om tot een andere beslissing te komen. Ook ter zitting heeft veroordeelde geen inzicht gegeven in zijn motivering en gedachtegang voor de weigering van de inhoudelijke bijdrage aan de gesprekken, en heeft hij zijn wantrouwen naar de overheid en frustratie jegens de autoriteiten geuit. Hij heeft zijn standpunt gehandhaafd voldoende en volledig te hebben meegewerkt aan alle voorwaarden van zijn toezicht.

Gelet op het voorgaande, en dan in het bijzonder op het feit dat de deskundigen concluderen dat het recidive risico onverminderd hoog is, ziet de rechtbank met de officier van justitie aanleiding om de bijzondere voorwaarden en het hieraan verbonden toezicht gedeeltelijk te continueren om zo adequaat toezicht te kunnen houden op de voortgang van veroordeelde. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie dan ook toewijzen, nu veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst de vordering van de officier van justitie toe en gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 24 mei 2017 opgelegde straf, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen;

  • -

    verlengt voor het overige voorwaardelijk opgelegde strafgedeelte, te weten 152 dagen, de proeftijd voor de tijd van één (1) jaar en handhaaft daarbij de bijzondere voorwaarden zoals deze reeds zijn geformuleerd bij voormeld vonnis;

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mrs. I.P.H.M. Severeijns en M.W.V. van Duursen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.L. Kappel, in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2018.

mr. M.W.V. van Duursen is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.