Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3965

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
C/16/444860 / HA ZA 17-671
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2017:6957
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Klachtplicht naar Belgisch recht. Te laat geklaagd. Verval van recht om producent van lekkende frietketels aan te spreken op een fabricagefout.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/529
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/444860 / HA ZA 17-671

Vonnis van 1 augustus 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Belgisch recht

[Partij X] ,

en

naamloze vennootschap naar Belgisch recht

[Partij Y] ,

beide gevestigd te [vestigingsplaats] , België,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. R.C.W. van der Zande te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QBTEC B.V.,

gevestigd te Woerden,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.P. de Bruin te Gouda.

Eiseressen in conventie, tevens verweersters in reconventie worden hierna samen [Partij X] c.s. genoemd en afzonderlijk [Partij X] en [Partij Y] . De andere partij wordt hierna QBTEC genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 december 2017

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie

  • -

    de brief van 16 maart 2018 namens [Partij X] c.s.

  • -

    de brief van 30 maart 2018 namens QBTEC

  • -

    de brief van 30 maart 2018 namens [Partij X] c.s.

  • -

    de akte uitlating en overlegging producties, tevens conclusie van antwoord in reconventie en akte houdende wijziging van eis, van [Partij X] c.s.

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 april 2018, met daarbij de wederzijdse pleitaantekeningen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling in conventie

Waarover gaat het?

2.1.

QBTEC is producent van professionele kook- en frituurinstallaties. Op 30 maart 2006 heeft de rechtsvoorganger van QBTEC met [Partij X] c.s. een overeenkomst gesloten, waarbij aan [Partij X] c.s. een exclusieve concessie werd verleend voor de verkoop van producten van QBTEC, met name friteuses en toebehoren, in België, Frankrijk en Luxemburg. [Partij X] heeft haar dochtervennootschap [Partij Y] deze overeenkomst laten uitvoeren.

2.2.

Tussen partijen is debat over de vraag of de door QBTEC geproduceerde frietketels behept zijn met een fabricagefout waardoor zij zijn gaan lekken. Voorafgaand aan deze vraag gaat het debat over een andere vraag: heeft [Partij X] c.s. tijdig over dit probleem geklaagd?

Eiswijziging en procesafspraak

2.3.

[Partij X] c.s. heeft haar eis in conventie gewijzigd. Dat was kort voor de comparitie. Op de zitting is geen bezwaar gemaakt tegen die wijziging. Dat betekent dat de rechtbank zal rechtspreken op de gewijzigde eis.

Heel kort weergegeven eist [Partij X] c.s.:

  • -

    te verklaren dat de overeenkomst tussen partijen ontbonden is (of die overeenkomst te ontbinden) en een veroordeling van QBTEC tot betaling van schadevergoeding,

  • -

    benoeming van een deskundige die de schade bindend voor partijen vaststelt, met de verplichting van QBTEC loyaal aan de uitvoering van het werk van deskundige mee te werken (op straffe van een dwangsom)

  • -

    proceskosten.

Afgesproken is dat, als de rechtbank vindt dat op tijd geklaagd is door [Partij X] c.s., QBTEC na dit vonnis nog inhoudelijk op de gewijzigde eis mag reageren.

De juridische norm om te bepalen of tijdig is geklaagd

2.4.

In het tussenvonnis is geoordeeld dat deze rechtbank bevoegd is en dat het geschil tussen partijen moet worden beoordeeld naar Belgisch recht. Dat geldt ook voor de vraag of er op tijd is geklaagd.

2.5.

Naar Belgisch recht wordt bij de koopovereenkomst de norm voor vorderingen over zichtbare en onzichtbare (verborgen) gebreken bepaald door artikel 1648 Belgisch Burgerlijk Wetboek (BBW):

De rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken moet door de koper worden ingesteld binnen een korte tijd, al naar de aard van de koopvernietigende gebreken en de gebruiken van de plaats waar de koop gesloten is.

2.6.

[Partij X] c.s. heeft betoogd dat deze regel niet ziet op haar gewijzigde eis. Het is de rechtbank niet helemaal duidelijk of [Partij X] c.s. betoogt dat het wetsartikel alleen eisen tot vernietiging bestrijkt. Dat klopt in geen geval met de Belgische rechtspraak. Daarin wordt het artikel ook toegepast op eisen tot ontbinding en eisen tot vermindering van de koopprijs. De eisen tot vernietiging, ontbinding of vermindering van de koopprijs wegens een verborgen gebrek moeten binnen “korte tijd” worden ingesteld om de belangen van de verkoper te beschermen. De verkoper moet erop kunnen rekenen dat de koper met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en dat hij, indien dit niet het geval blijkt te zijn, dat eveneens met spoed aan de schuldenaar meedeelt. Die bescherming zou worden uitgehold als geen vaart zou hoeven worden gemaakt met een eis tot schadevergoeding. De rechtbank oordeelt daarom dat de regel van artikel 1648 BBW ook geldt voor eisen tot schadevergoeding wegens verborgen gebreken.

[Partij X] c.s. heeft als eerste eisen tot ontbinding en schadevergoeding ingesteld. De andere eisen ondersteunen die, want zijn gericht op het door een deskundige doen vaststellen van de schade. De conclusie is daarom dat artikel 1648 BBW ziet op de hele eis van [Partij X] c.s.

Is op tijd geklaagd?

Wanneer is de rechtsvordering van artikel 1648 BBW door [Partij X] c.s. ingesteld?

2.7.

Artikel 1648 BBW is verder uitgelegd in de Belgische rechtspraak. Onder meer moet de “rechtsvordering” die binnen korte tijd moet worden ingesteld, de vorm hebben van een eis in een bodemzaak. Een kort geding is niet voldoende.

De datum van de dagvaarding die dit proces inleidt, is daarom bepalend. Die datum was 15 augustus 2017. Het gaat er dus om of dat binnen de “korte tijd” was die in het wetsartikel is voorgeschreven.

Wanneer is de “korte tijd” gaan lopen?

2.8.

Volgens Belgische jurisprudentie begint de “korte termijn” te lopen wanneer de koper het verborgen gebrek ontdekt of behoort te ontdekken en vaststaat dat een minnelijke regeling uitgesloten is. Deze criteria zal de rechtbank toepassen op wat in deze zaak is gebeurd.

2.9.

Door [Partij X] c.s. is gesteld dat zij al gedurende een reeks van jaren is geconfronteerd met het gaan lekken van door QBTEC geproduceerde frietketels. [Partij X] c.s. stelt (akte van 13 april 2018 randnummer 13) dat de lekkages zich steeds op dezelfde plaats voordoen. [Partij X] c.s. spreekt in haar brief aan QBTEC van 14 juni 2016 (productie 12 bij de dagvaarding) over een ‘enorm probleem met massaal lekkende RVS-ketels’ en stelt in randnummer 12 van de dagvaarding dat deze klachten zich steeds frequenter en sneller na ingebruikname voordoen, wat erger is geworden in 2016.

In de door haar opgestelde productie 17 bij de dagvaarding heeft [Partij X] c.s. een overzicht gegeven van de aantallen ketels waarbij zich dit ‘catastrofaal probleem’ voordeed. In dat overzicht vermeldt [Partij X] c.s. de aantallen ketels die binnen of buiten de garantieperiode zouden zijn vervangen of die niet zijn vervangen, maar waarvan is vastgesteld dat ze zouden lekken. Het overzicht telt de aantallen per jaar op vanaf 2012 tot en met 2016. De aantallen lopen uiteen van 97 tot 159 ketels. Preciezer: in 2012 ging het om 137 ketels, in 2013 om 97 ketels, in 2014 ook, in 2015 ging het om 131 ketels en in 2016 om 159 ketels. Samen zijn dat 621 ketels.

Een nog groter aantal noemt [Partij X] c.s. in randnummer 15 van de dagvaarding, waar zij schrijft over 1300 ketels die dienden te worden vervangen, in het vizier gekomen na het onderzoek van de door haar aangezochte deskundige [A] . Ook stelt [Partij X] c.s. meer dan 1000 teruggenomen ketels te hebben opgeslagen voor nader onderzoek. Zij wijst verder op gespreksverslagen van 14 oktober 2014, 26 januari 2015, 29 januari 2015 en 18 maart 2015 die gaan over een terugval in omzet uit verkoop van deze ketels in België. [Partij X] c.s. wijt dit aan de ondeugdelijkheid van het product.

2.10.

De rechtbank oordeelt dat het duidelijk is dat [Partij X] c.s. vanaf 2012 op de hoogte was van een volgens haar heel vaak voorkomende lekkage, steeds op dezelfde plaats, bij de ketels van QBTEC. Maar wat betekent dit voor de start van de “korte tijd”?

2.11.

[Partij X] c.s. meent dat wat zij stelt over de problemen met de ketels niet van belang is voor de vraag wanneer de “korte tijd” van artikel 1648 BBW is gaan lopen. Zij wist namelijk niet dat het ging om een verborgen gebrek, waarop dit artikel ziet. Dat wist zij pas door het tweede rapport van de door haar ingeschakelde deskundige [A] . Dat rapport is van 14 april 2017. De dagvaarding is binnen korte tijd daarna, namelijk op 15 augustus 2017, ingediend volgens [Partij X] c.s.

2.12.

Of een tijdsverloop van vier maanden voldoet aan het wettelijke vereiste van de “korte termijn” laat de rechtbank in het midden. Want de rechtbank neemt het standpunt van [Partij X] c.s. niet over. De “korte tijd” die [Partij X] c.s. had om tot dagvaarding over te gaan is veel eerder begonnen dat met het rapport van [A] . Wat [Partij X] c.s. in het verleden heeft gedaan naar aanleiding van de lekkende ketels was veel te weinig. Toen zij wél de goede stap nam was dat véél te laat.

2.13.

Wat [Partij X] c.s. stelt te hebben gedaan, is klagen bij QBTEC. Zo noemt zij in haar akte van 4 oktober 2017 in de randnummers 1 en 2 verslagen van gesprekken van partijen hierover op 4 maart 2013, 21 februari 2014 en 28 februari 2014.

Op concreet individueel niveau overlegt [Partij X] c.s. een drietal ‘cases’ waarin dit soort problemen zich voordeden (dagvaarding randnummer 15 en productie 18) op respectievelijk 31 januari 2014, 19 mei 2015 en 26 juni 2015. Bij dit alles past de conclusie die [Partij X] c.s. zelf trekt, namelijk dat zij gedurende jaren is blijven aandringen op een oplossing.

Maar volgens [Partij X] c.s. reageerde QBTEC niet of niet adequaat: QBTEC werkte niet mee aan een onderzoek door een deskundige (zoals had gemoeten volgens artikel 9 lid 5 van de overeenkomst tussen partijen), deed geen voorstellen en wees haar aansprakelijkheid van de hand. [Partij X] c.s. illustreert dit onder meer met een afwijzing van 28 februari 2013 door QBTEC van een claim wegens ketellekkage bij een concrete afnemer van [Partij X] c.s. (dagvaarding productie 19).

Dit is door [Partij X] c.s. jarenlang op zijn beloop gelaten, terwijl zij intussen wel honderden apparaten binnen en buiten de garantietermijn verving ten behoeve van haar afnemers. Pas op 24 september 2016 geeft zij opdracht aan [A] (die daardoor partijdeskundige werd) om de oorzaak van de lekkages te onderzoeken.

2.14.

Wat volgt hieruit? De “korte tijd” kan pas beginnen als duidelijk is dat een minnelijke regeling onhaalbaar is. Hier waren de onderhandelingen tussen partijen al afgelopen voor ze goed en wel waren begonnen. De openingszet van [Partij X] c.s. (het wijzen op de problemen en het vragen om een oplossing) is volgens [Partij X] c.s. meteen gevolgd door een afwijzing van aansprakelijkheid door QBTEC. Wanneer dat precies was, is niet duidelijk, maar het moet geweest zijn in 2013 of 2014. Dus een minnelijke regeling hing toen al niet meer in de lucht en schortte toen al niet langer de “korte tijd” om tot dagvaarding over te gaan op.

2.15.

Maar wanneer wist [Partij X] c.s. dan dat het ging om een verborgen gebrek? [Partij X] c.s. kan worden toegegeven, dat pas na het onderzoek door [A] door een (partij)deskundige was vastgesteld dat het ging om een fabricagefout, waarbij de rechtbank nu even voorbijgaat aan de stellingname van QBTEC dat dit niet zo is. Zo bezien is de “korte tijd” pas begonnen na de rapportage van [A] .

2.16.

Maar de regel houdt ook in dat de “korte tijd” kan gaan lopen als [Partij X] c.s. behoorde te weten dat van een verborgen gebrek sprake was. Wanneer was dat dan het geval?

Ondanks de grote aantallen ketels die volgens [Partij X] c.s. lekten, heeft zij naar haar eigen stellingen niet meer gedaan dan aan QBTEC om een oplossing vragen. Die kwam er blijkbaar niet, jaar na jaar. [Partij X] c.s. wijt dat aan de onwil van QBTEC, die alles ontkende en nergens aan meewerkte. Terwijl [Partij X] c.s. vond en vindt dat hier verwijten te maken waren aan QBTEC. Dan vindt ze dus blijkbaar dat sprake is van een verborgen gebrek. Maar dan had [Partij X] c.s. – als QBTEC niks deed – de daad bij het woord moeten voegen en laten onderzoeken of haar aanname klopte. Dat heeft [Partij X] c.s. pas gedaan door het geven van een opdracht aan [A] op 24 september 2016. Toen had zij volgens eigen zeggen al honderden lekkende ketels verzameld en QBTEC om ‘een oplossing’ gevraagd. [Partij X] c.s. heeft zich dus jarenlang in de positie gehouden dat zij niet wist (want zij liet het niet onderzoeken) of de zeer frequente problemen verband hielden met een verborgen gebrek in de zin van artikel 1648 BBW. Dat komt juridisch voor haar risico. Zij had het – door onderzoek te laten plaatsvinden zoals van haar verwacht mocht worden – veel eerder behoren te weten. Zo bezien is de “korte termijn” van artikel 1648 BBW dus al in 2012 of 2013 gaan lopen.

2.17.

[Partij X] c.s. kan zich niet verschuilen achter artikel 9 lid 5 van de overeenkomst, dat bepaalt dat partijen samen een deskundige benoemen als er onenigheid is over de vraag of wat QBTEC produceert, behept is met een verborgen gebrek. Uit de stellingen van [Partij X] c.s. volgt dat QBTEC alle aansprakelijkheid afwees en nergens aan mee wilde werken. En dat blijkbaar gedurende een reeks van jaren. Dan móét [Partij X] c.s. actie ondernemen, op straffe van het verzaken van haar plicht tijdig over een verborgen gebrek te klagen. Dit geldt onverkort, omdat [Partij X] c.s. niet heeft gesteld dat zij QBTEC heeft gesommeerd om tot een gezamenlijk onderzoek te komen naar de oorzaak van de problemen met de ketels, waardoor QBTEC niet in verzuim is geraakt ten aanzien van deze verplichting.

2.18.

[Partij X] c.s. heeft zich op nog een andere regel beroepen die in verband met artikel 1648 BBW in de Belgische jurisprudentie is ontwikkeld. Die houdt in dat de “korte tijd” niet gaat lopen voordat de klager zelf in rechte is aangesproken door zijn afnemers.

Maar die regel helpt [Partij X] c.s. niet. De regel ziet op de situatie dat [Partij X] c.s. QBTEC in vrijwaring zou aanspreken, nadat [Partij X] c.s. zelf is gedagvaard. Maar dat is hier niet zo. [Partij X] c.s. zelf is niet verwikkeld in een procedure die tegen haar is aangespannen door een afnemer van een lekkende frietketel. Waar geen hoofdprocedure loopt, kan er geen vrijwaringsprocedure lopen.

Eindconclusie en proceskosten

2.19.

De “korte tijd” van artikel 1648 BBW was allang verstreken op de datum van dagvaarden (15 augustus 2017). Omdat:

[Partij X] c.s. al in 2012 of 2013 onderzoek had moeten laten doen naar de oorzaak van de lekkage en zij dus toen al had behoren te weten of de lekkage het gevolg was van een verborgen gebrek
en

 QBTEC, naar [Partij X] c.s. stelt, nergens aan wilde meewerken en alle aansprakelijkheid ontkende, waardoor al in 2013 en 2014 duidelijk was dat een minnelijke regeling er niet inzat

en

 [Partij X] c.s. zelf niet gedagvaard is door een koper wegens verborgen gebreken.

2.20.

De eindconclusie is dat de rechten van [Partij X] c.s. om QBTEC aan te spreken zijn vervallen. Dat leidt tot algehele afwijzing van alle vorderingen van [Partij X] c.s.

2.21.

[Partij X] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van QBTEC worden begroot op

- griffierecht € 3.894,00

- salaris advocaat 9.633,00 (3,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 13.527,00

3 De beoordeling in reconventie

3.1.

QBTEC vordert veroordeling van [Partij Y] tot betaling van € 72.247,70 wegens onbetaald gebleven facturen. Verder wil zij een verklaring voor recht dat [Partij Y] een machine had moeten teruggeven en – nu zij dat niet deed – veroordeling van [Partij Y] tot betaling van € 21.499,39 op grond van toerekenbaar tekort schieten of onrechtmatige daad.

3.2.

[Partij Y] heeft tegen deze vorderingen ingebracht dat de overeenkomst tussen QBTEC en [Partij X] c.s. door [Partij X] c.s. rechtsgeldig is ontbonden en dat [Partij X] c.s. (dus ook [Partij Y] ) haar schadeclaim op QBTEC kan verrekenen met de vorderingen in reconventie. In ieder geval kan [Partij Y] de nakoming van haar verplichtingen tegenover QBTEC opschorten.

3.3.

De beslissing in conventie slaat deze verweren uit handen van [Partij Y] . Tegen de vordering tot betaling van de facturen met een som van € 72.247,70 is geen ander verweer gevoerd. Die vordering wordt dus toegewezen.

3.4.

Over de verklaring voor recht en de vordering tot betaling van € 21.499,39 is nog wel een ander debat gevoerd.

De rechtbank leidt uit de stukken af dat een bakwand, type [type] , serienummer […] , (zonder betaling) in consignatie is gegeven door QBTEC aan [Partij Y] met het oog op verkoop ervan. Daarover is een afzonderlijke overeenkomst gesloten in 2015 (productie 21 van QBTEC). Daarin is de waarde van de machine bepaald op € 21.499,39.

De rechtbank begrijpt de stellingen van QBTEC aldus dat zij het weliswaar niet eens is met de ontbinding van de overeenkomst uit 2006, maar dat zij het eind daarvan wel aanvaardt. Een gevolg daarvan is dat de door QBTEC aan [Partij X] c.s. ter beschikking gestelde zaken teruggenomen kunnen worden tegen betaling. Dat is zo geregeld in artikel 17. QBTEC betrekt die regel ook op de consignatieovereenkomst uit 2015 en wil de machine terug. Betaling is dan niet aan de orde, want de machine werd kosteloos in consignatie gegeven. QBTEC stelt onweersproken dat [Partij X] c.s. heeft laten weten helemaal geen zaken meer onder zich te hebben van QBTEC, waardoor er niets valt terug te nemen. QBTEC heeft daaraan haar vermoeden verbonden dat [Partij Y] de in consignatie gegeven machine heeft verkocht zonder met haar af te rekenen, dus de verkoopopbrengst in eigen zak stekend.

[Partij Y] heeft daartegen aangevoerd dat artikel 17 niet ziet op de in consignatie gegeven machine, omdat deze destijds niet nieuw was en artikel 17 “duidelijk” gaat over alleen nieuwe machines.

3.5.

Bij deze stand van het debat kan de rechtbank kort zijn. Blijkbaar vinden beide partijen dat ook de consignatieovereenkomst is geëindigd. Uit de aard van die overeenkomst uit 2015 volgt dan dat [Partij Y] de machine aan QBTEC moet teruggeven. Daarvoor is een beroep op artikel 17 van de overeenkomst uit 2006 helemaal niet nodig.

Als [Partij Y] de machine heeft verkocht, had zij met QBTEC moeten afrekenen. [Partij Y] betwist de veronderstelling van QBTEC dat zij de machine verkocht heeft en de opbrengst in eigen zak heeft gestoken helemaal niet. Dat betekent dat [Partij Y] in ieder geval tekort schiet tegen QBTEC: zij geeft de machine ten onrechte niet terug of zij heeft deze zonder opening van zaken en alleen voor eigen gewin verkocht. Het (enige) verweer van [Partij Y] dat de machine niet zou vallen onder artikel 17 van de overeenkomst van 2006 doet niet ter zake.

3.6.

Dat betekent dat [Partij Y] de schade moet betalen die door haar handelen is ontstaan. De schade begroot QBTEC op de waarde van de machine, zoals die in de overeenkomst is vastgelegd. Deze verdedigbare schadebegroting is niet bestreden door [Partij Y] . De vorderingen (verklaring voor recht en schadevergoeding) van QBTEC betreffende de machine wordt toegewezen.

3.7.

[Partij X] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van QBTEC worden begroot op € 3.211,00 (salaris advocaat (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 3.211,00).

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [Partij X] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van QBTEC tot op heden begroot op € 13.527,00,

4.3.

verklaart de veroordeling in dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

4.4.

veroordeelt [Partij X] c.s. om aan QBTEC € 72.247,70 te betalen, vermeerderd met de zakelijke wettelijke rente naar Belgisch recht telkens vanaf de dag na de uiterste betaaldag volgens de facturen (die samen de toegewezen som vormen), tot de dag van volledige betaling,

4.5.

verklaart voor recht dat [Partij Y] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de consignatieovereenkomst met QBTEC, door na beëindiging van die overeenkomst de ‘ [naam Partij Y] [type] ’ met serienummer […] niet te retourneren en veroordeelt [Partij Y] in dat kader aan QBTEC te voldoen € 21.499,39,

4.6.

veroordeelt [Partij X] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van QBTEC tot op heden begroot op € 3.211,00,

4.7.

verklaart de veroordelingen in dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2018.1

1 type: RV (4237) coll: IP (4217)