Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3961

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
23-08-2018
Zaaknummer
659290-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

minderjarige, gemaskerde winkeloverval + bedreiging getuige, jeugddetentie deels voorwaardelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/659290-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 augustus 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (Irak),

verblijvende in [verblijfplaats] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R. Leuven en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. J.A.C. van den Brink, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.

Tevens zijn terechtzitting verschenen:

  • -

    de vader van verdachte;

  • -

    [A] , medewerker adviesteam van de Raad voor de Kinderbescherming;

  • -

    [B] , medewerker van Samen Veilig Midden Nederland te [vestigingsplaats] .

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

op 21 april 2018 te Lelystad zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan diefstal met bedreiging van geweld

of

op 21 april 2018 te Lelystad samen met een ander [slachtoffer] heeft afgeperst;

feit 2:

op 8 mei 2018 te Lelystad [C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder feit 1 ten laste gelegde afpersing en het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Volgens de officier van justitie moet het feitencomplex zoals dat ten grondslag ligt aan feit 1 worden gekwalificeerd als afpersing en niet als diefstal met bedreiging van geweld. De onder feit 1 ten laste gelegde diefstal met bedreiging van geweld acht de officier van justitie dan ook niet wettig en overtuigend te bewijzen en de officier van justitie vordert verdachte daarvan vrij te spreken. Daarnaast acht de officier van justitie niet wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte de afpersing met een ander heeft gepleegd, zodat verdachte ook van dat bestanddeel moet worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met betrekking tot het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman is, anders dan de officier van justitie, van mening dat bij het onder feit 1 ten laste gelegde wel sprake is van afpersing door twee of meer verenigde personen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

feit 1:

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder feit 1 ten laste gelegde bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen1:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 augustus 2018;

  • -

    de aangifte van [slachtoffer] .2

twee of meer verenigde personen

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [C] de overval heeft gepleegd. [C] heeft in zijn getuigenverklaring betrokkenheid bij de overval ontkend.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden uitgesloten of bevestigd dat verdachte samen met [C] of een ander het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan. Nu het bewijs ontbreekt dat verdachte samen met een ander het ten laste gelegde heeft gepleegd zal de rechtbank verdachte van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken.

feit 2:

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder feit 2 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen3:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 augustus 2018;

  • -

    de aangifte van [moeder van C] .4

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1:

hij op 21 april 2018 te [vestigingsplaats] , met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van in totaal ongeveer 575 euro, toebehorende aan het winkelbedrijf de [naam winkelbedrijf] , welke bedreiging met geweld bestond uit het

  • -

    betreden van dat pand met een capuchon en een masker op en voor het gezicht, een zodanige bedekking van het gezicht dat herkenning niet mogelijk was, en

  • -

    betreden van dat pand waarin die [slachtoffer] zich bevond, voorzien van een mes, en

  • -

    maken van één of meer zwaaiende bewegingen met een mes, naar en in de richting van die [slachtoffer] en

  • -

    toevoegen van de woorden aan die [slachtoffer] : “geef me geld, geef me geld” en “ik wil meer”;

feit 2:

hij op 8 mei 2018 te Lelystad, [C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk [moeder van C] dreigend de woorden toegevoegd: “ik steek [voornaam van C] neer, sla hem dood en hij loopt niet meer veilig over straat en moet altijd achterom kijken”.

Als gevolg van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging niet opgenomen dat

[C] is bedreigd via zijn moeder [moeder van C] . Nu dit onderdeel ter terechtzitting is besproken en de verdediging op dit punt geen verweer heeft gevoerd, herstelt de rechtbank deze vergissing door ‘voornoemde [achternaam van C en zijn moeder] ’ te vervangen door het onderstreepte gedeelte in het bewezenverklaarde. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

afpersing;

feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 50 uren en een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 73 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat zij zich kan vinden in een voorwaardelijke jeugddetentie met daarbij de door de Raad geadviseerde voorwaarden. Wat betreft de gevorderde taakstraf heeft de verdediging aangevoerd dat dit waarschijnlijk niet op korte termijn kan worden uitgevoerd in verband met de maatregelen in het civiele kader. Indien de taakstraf na lange tijd nog dient te worden uitgevoerd zal de taakstraf niet het door de officier van justitie beoogde effect hebben. De verdediging verzoekt de rechtbank daarom af te zien van een onvoorwaardelijke taakstraf.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte de [naam winkelbedrijf] in [vestigingsplaats] heeft overvallen. Terwijl verdachte een wit masker op had heeft hij met een mes de medewerkster gedwongen tot afgifte van een geldbedrag uit de kassalade. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van getuige [C] via zijn moeder.

Uit het dossier blijkt dat verdachte zich na de overval heeft gedragen als een big spender door met zijn vrienden naar […] te gaan. Hij heeft daar twee prijzige trainingspakken van het merk Lacoste aangeschaft waarvan hij er één aan zijn vriend [E] heeft gegeven. Ook heeft hij van het geld zijn vrienden getrakteerd bij de […] . Uit dit gedrag leidt de rechtbank af dat het verdachte puur om het geldelijk gewin te doen was waarmee hij stoer kon doen bij zijn vrienden. Op dat moment heeft verdachte er klaarblijkelijk niet bij stil gestaan dat de overval voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest, hetgeen ook naar voren komt in de aangifte. Daarnaast blijkt uit het dossier dat er meerdere klanten, onder wie ook kinderen, in de winkel getuige zijn geweest van de overval, hetgeen ook voor hen een heftige gebeurtenis moet zijn geweest. Bovendien dragen dergelijke feiten in het algemeen bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het spreekt voor zich dat tegen dergelijke daden streng moet worden opgetreden.

Tenslotte rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij, terwijl het onderzoek nog liep, de getuige [C] heeft bedreigd. Los van de vragen of deze getuige zou hebben ‘gesnitcht’ of dat deze getuige verdachte en zijn familie ook zou hebben bedreigd, is de rechtbank van oordeel dat de manier waarop verdachte die avond tekeer is gegaan tegen de moeder van [C] alle perken te buiten gaat.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 26 juni 2018;

- een psychologisch onderzoek Pro Justitia van 20 juli 2108, opgesteld door drs. [D] , orthopedagoog-generalist, onder supervisie van drs. M. van Engers, GZ-psycholoog/orthopedagoog;

- een psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van 26 juli 2018, opgesteld door D. Matser, kinder- en jeugdpsychiater;

- een strafadvies van de Raad van 6 augustus 2018.

Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat verdachte lijdt aan een beneden gemiddelde intelligentie, een posttraumatische-stressstoornis en een oppositionele-opstandige gedragsstoornis. Tevens zijn er ouder-kind-interactieproblemen en problemen op het gebied van onderwijs en leren. Ten tijde van het ten laste gelegde was er sprake van deze problematiek. Er zijn persoonlijkheidskenmerken die verdachte hebben beperkt in zijn gedrag ten tijde van het ten laste gelegde, maar de gedragingen kunnen niet volledig vanuit de persoonlijkheidsproblematiek verklaard worden. De onderzoeker concludeert dat het ten laste gelegde in een verminderde mate is toe te rekenen. Het risico op herhaling van agressief gedrag wordt hoog beoordeeld zonder behandeling binnen een residentiële setting. De onderzoeker adviseert een deels voorwaardelijke sanctionering met als bijzondere voorwaarden dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclasseerder en de medewerking aan interventies als een individuele behandeling, een traumabehandeling en specialistische intensieve thuishulp en systeemtherapie.

Uit het psychiatrisch onderzoek blijkt dat verdachte lijdt aan een oppositionele-opstandige gedragsstoornis, een posttraumatische-stressstoornis met uitgestelde expressie en ouder-kindrelatieproblemen. Daarnaast is sprake van het gevoel gediscrimineerd te worden en negatief te worden beoordeeld. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De onderzoeker concludeert eveneens om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte. Indien geen behandeling plaatsvindt is er voor de toekomst een verhoogd risico op gewelddadige recidive. Het is daarom belangrijk dat verdachte werkt aan traumabehandeling, herstel van vertrouwen in volwassenen, versterken van de eigen identiteit, het verhogen van moreel redeneren en het beter leren herkennen en reguleren van emoties en agressie. Daarnaast lijkt systeemtherapie noodzakelijk om de gezinsstructuren te herstellen. De onderzoeker adviseert om in het kader van een voorwaardelijke strafoplegging verdachte middels het civielrechtelijk kader binnen gesloten jeugdzorg te plaatsen. De inschatting is, dat gelet op de problematiek, de behandelduur bovengemiddeld lang zal zijn.

De rechtbank neemt de conclusies van beide gedragskundigen met betrekking tot de mate van toerekeningsvatbaar over en maakt die tot de hare. De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde feiten verdachte slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

In het advies van de Raad wordt benoemd dat de in het civiele kader ingezette interventies doorgang dienen te vinden en dienen te prevaleren. Ondanks het civiele kader is de Raad van mening dat gezien het forse delictgedrag een strafrechtelijk kader noodzakelijk is. De Raad adviseert daarom een voorwaardelijke taakstraf met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dat inhoudt een individuele behandeling bij [verblijfplaats] , een traumabehandeling en specialistische thuishulp en systeemtherapie.

[A] , medewerker adviesteam van de Raad, heeft ter zitting nader toegelicht dat is gekozen voor een voorwaardelijke taakstraf in plaats van een voorwaardelijke jeugddetentie omdat verdachte een jeugddetentie niet als straf ervaart en een jeugddetentie niet passend is in dit stadium.

De sanctie

De oriëntatiepunten voor straftoemeting voor minderjarigen van het binnen de Rechtspraak gehouden Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht gaan voor een overval van een winkel uit van een jeugddetentie voor de duur vanaf 4 maanden, indien sprake is van een first offender. Bedreiging met een wapen geldt als een strafverzwarende omstandigheid. Voor een bedreiging wordt uitgegaan van een taakstraf voor de duur van 20 uren, indien sprake is van een first offender.

Uit de bespreking van voornoemde rapporten volgt dat bij verdachte sprake is van, gelet op zijn jonge leeftijd, relatief zware persoonlijkheidsproblematiek. Dit is ook van invloed geweest op zijn handelen ten tijde van de bewezen verklaarde feiten. Uit de rapporten en de verklaringen van verdachte ontstaat het beeld van een jongen die onmachtig is om met bepaalde emoties om te gaan, waardoor hij daaraan de verkeerde consequenties verbindt. Achteraf gezien heeft verdachte spijt van dit handelen. De rechtbank acht het evenals de deskundigen van groot belang dat verdachte wordt behandeld, zodat wordt voorkomen dat hij weer in dergelijk gewelddadig gedrag vervalt. Verdachte en zijn familie zien de noodzaak van deze behandeling in en zijn bereid daaraan mee te werken. Een deel van deze behandeling is inmiddels opgezet in het civiele kader. Teneinde deze behandeling niet te doorkruisen zal de rechtbank overeenkomstig de adviezen aan verdachte een aanvullend strafrechtelijk kader opleggen. Dit wordt opgelegd in de vorm van een voorwaardelijke jeugddetentie, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Gelet op de ernst van de feiten zal de rechtbank tevens een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest.

De bijzondere voorwaarden acht de rechtbank noodzakelijk, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De rechtbank zal om die reden de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat een voorwaardelijke dan wel een onvoorwaardelijke taakstraf geen recht doen aan de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten. Wat betreft een onvoorwaardelijke taakstraf weegt de rechtbank ook mee dat gelet op het verblijf van verdachte in een gesloten setting en de te verwachten behandelduur van verdachte de tenuitvoerlegging van een taakstraf op praktische bezwaren zal stuiten en het beoogde effect zal verliezen.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 103 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclasseerder in het kader van de maatregel Toezicht en Begeleiding uitgevoerd door de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, regio […] , op het adres [adres] te [vestigingsplaats] ;

* zich onder een individuele behandeling zal stellen bij [verblijfplaats] of een soortgelijke instelling, tenzij de jeugdreclassering dit niet meer nodig acht;

* zich onder een traumabehandeling zal stellen, ook als dit inhoudt PMT of EMDR, tenzij de jeugdreclassering dit niet meer nodig acht;

* zich onder specialistische thuishulp en systeemtherapie zal stellen vanuit de [naam instelling] of een soortgelijke instelling, tenzij de jeugdreclassering dit niet meer nodig acht;

- waarbij Samen Veilig Midden-Nederland, regio […] , opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, mrs. H. den Haan en V.C. Kool, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 augustus 2018.

Bijlage: de gewijzigde tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 21 april 2018 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit een (winkel)pand gelegen aan de [straatnaam] ongeveer 575 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (het winkelbedrijf) de [naam winkelbedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

  • -

    betreden van dat pand met een capuchon en/of een masker op en/of voor het gezicht, althans met een zodanig bedekking van het gezicht dat herkenning niet mogelijk was, althans werd bemoeilijkt en/of

  • -

    betreden van dat pand waarin die [slachtoffer] zich bevond, voorzien van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp en/of

  • -

    maken van één of meer zwaaiende beweging(en) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp naar en/of in de richting van die [slachtoffer] en/of

  • -

    toevoegen van de woorden aan die [slachtoffer] : “geef me geld, geef me geld” en/of “ik wil meer”, althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking en/of

  • -

    (vervolgens) ontstaan van een bedreigende situatie voor die [slachtoffer] ;

of

hij op of omstreeks 21 april 2018 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een

geldbedrag van in totaal ongeveer 575 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval van

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (het winkelbedrijf) de [naam winkelbedrijf] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) uit het

  • -

    betreden van dat pand met een capuchon en/of een masker op en/of voor het gezicht, althans met een zodanige bedekking van het gezicht dat herkenning niet mogelijk was, althans werd bemoeilijkt en/of

  • -

    betreden van dat pand waarin die [slachtoffer] zich bevond, voorzien van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp en/of

  • -

    maken van één of meer zwaaiende beweging(en) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp naar en/of in de richting van die [slachtoffer] en/of

  • -

    toevoegen van de woorden aan die [slachtoffer] : “geef me geld, geef me geld” en/of “ik wil meer”, althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking en/of

  • -

    (vervolgens) ontstaan van een bedreigende situatie voor die [slachtoffer] ;

feit 2:

hij op of omstreeks 8 mei 2018 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [achternaam van C en zijn moeder] dreigend de woorden toegevoegd: “ik steek [voornaam van C] neer, sla hem dood en/of hij loopt niet meer veilig over straat en moet altijd achterom kijken”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 23 april 2018, 28 april 2018 en 13 juni 2018, genummerd 2018111698, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 1259. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 1000 t/m 1002.

3 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 9 mei 2018, genummerd 2018130313/2018130192, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 26. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

4 Pagina 6 t/m 8.