Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3959

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
16/994041-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor medeplegen van oplichting en witwassen. De rechtbank houdt verdachte verantwoordelijk voor een gedeelte van het door de zorgverzekeraars uitgekeerde bedrag, te weten een bedrag van € 58.914,65. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/994041-14 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 augustus 2018.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1988] te district [district] (Suriname),
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. L.M.J. Backx en van hetgeen verdachte en mr. L. Noordanus, advocaat te Lelystad,

alsmede de heer [A] namens de benadeelde partij Menzis Zorgverzekeraar N.V. en de heer [B] en mevrouw [C] namens de benadeelde partij Coöperatie VGZ U.A. naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: zich in de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 februari 2012 te Almere en/of

Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, schuldig heeft

gemaakt aan oplichting van zorgverzekeraars voor een geldbedrag van € 185.340,52, althans € 59.317,33.

Feit 2: zich in de periode van 9 april 2010 tot en met 12 december 2011, tezamen en in

vereniging met anderen, schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van een

geldbedrag van € 38.771,33.

Feit 3: zich in de periode van 24 maart 2010 tot en met 20 juni 2011 te Almere en/of

Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van valselijk opgemaakte tandartsfacturen en declaratieformulieren.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de ten laste gelegde oplichting (feit 1) door verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, voor een bedrag van € 59.317,33, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Voorts kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte, deels samen met anderen en deels alleen, een geldbedrag van € 38.771,33 heeft witgewassen. Gelet op de duur van de periode, de vele transacties en de omvang van het bedrag, meent de officier van justitie dat er sprake is van gewoontewitwassen (feit 2). Ten slotte heeft ze betoogd dat het opzettelijk gebruik van de ten laste gelegde valse facturen en declaratieformulieren door verdachte, deels samen met anderen en deels alleen, wettig en overtuigend kan worden bewezen (feit 3).

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

De verdediging heeft ten aanzien van de ten laste gelegde oplichting en het opzettelijk gebruik maken van de valse geschriften allereerst aangevoerd dat het medeplegen niet wettig en overtuigend te bewijzen is. Verdachte heeft verklaard dat hij onder bedreiging mensen heeft benaderd om gegevens af te dragen zodat anderen daarmee fraude konden plegen. Het aandeel van verdachte kan hoogstens worden bestempeld als medeplichtigheid. Nu medeplichtigheid niet ten laste is gelegd, dient verdachte te worden vrijgesproken.

Voorts ontbreekt het dubbele opzet om tot een bewezenverklaring te komen en dient verdachte om die reden vrijgesproken te worden. Tot slot blijkt uit het dossier niet dat sprake was van het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen, hetgeen nodig is voor een bewezenverklaring van oplichting.

Ten aanzien van het aan verdachte ten laste gelegde gewoontewitwassen heeft de raadsvrouw aangevoerd dat nu er vrijspraak is verzocht voor de gronddelicten, er ook vrijspraak dient te volgen voor het gewoontewitwassen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Het bewijs voor feiten 1, 2 en 3

Inleiding

De aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek van de FIOD is een gezamenlijke aangifte op 14 februari 2013 van zorgverzekeraars Achmea Divisie Zorg en Gezondheid (hierna: Achmea), AGIS Zorgverzekeringen N.V. (hierna: AGIS), Menzis Zorgverzekeraar N.V. (hierna: Menzis), Coöperatie VGZ UA (hierna: VGZ) en CZ Groep Zorgverzekeraars (hierna: CZ) tegen 97 verzekerden.

Tussen 2010 en 2012 ontvingen de zorgverzekeraars van de verzekerden facturen van

[tandartspraktijk 1] B.V. (hierna: [tandartspraktijk 1] ) te [vestigingsplaats] of [tandartspraktijk 2] B.V., terwijl na onderzoek bleek dat de tandartspraktijken deze facturen niet hadden

opgemaakt en de behandelingen niet hadden plaatsgevonden.

Het onderzoek heeft geleid naar onder meer verdachten [medeverdachte] en [verdachte] , beiden woonachtig in [woonplaats] . Aan verdachten is ten laste gelegd dat zij, tezamen en in vereniging met anderen, de oplichting hebben geïnitieerd, uitgevoerd en ervan hebben geprofiteerd. Hen wordt verweten dat zij hun eigen gegevens en gegevens van anderen hebben gebruikt om zorgverzekeraars ertoe te bewegen om op basis van valse facturen en declaratieformulieren vergoedingen uit te betalen. Verzekerden die door of namens [medeverdachte] of [verdachte] waren geronseld om hun gegevens af te staan en te laten gebruiken, moesten vervolgens een deel van het uitbetaalde bedrag direct of indirect afgeven aan [medeverdachte] of [verdachte] .

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er sprake is geweest van oplichting van de zorgverzekeraars en of de verdachte in strafrechtelijke zin betrokken is geweest bij deze oplichting. Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte zich al dan niet schuldig heeft gemaakt aan het gebruik van een vijftal valse geschriften als ware het echt en onvervalst. Voorts dient te worden beoordeeld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.

Bewijsmiddelen 1

De rechtbank leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.

Gezamenlijke aangifte van Achmea, AGIS, Menzis, VGZ en CZ van 14 februari 2013

De in dit dossier samenwerkende verzekeringsmaatschappijen zijn alle deelnemer van

Zorgverzekeraars Nederland (hierna: ZN) en hebben het Protocol Verzekeraars & Criminaliteit van het Verbond van Verzekeraars en ZN ondertekend. Hiermee wordt het belang van publiek private samenwerking bij de aanpak van (verzekerings-) fraude onderschreven en nemen deel in het landelijk project Publiek Privaat Samenwerkingsmodel Financieel Rechercheren. De verzekeraars stellen zich, in aansluiting op het beleid van Politie en Openbaar Ministerie, actief op bij de aanpak van fraude en leveren daarvoor in aanmerking komende fraudezaken aan.

De aanleiding tot het onderzoek is als volgt

In de periode van 1 juni 2010 tot 1 januari 2012 ontvangen Menzis, VGZ, AGIS, CZ en

Achmea van meerdere verzekerden facturen op naam van [tandartspraktijk 1] te [vestigingsplaats] . Deze

facturen betreffen tandheelkundige behandelingen in het jaar 2010. Uit onderzoek gedaan

door de betreffende zorgverzekeraars blijkt dat deze facturen niet zijn aangemaakt door de

betreffende tandartspraktijk. Verder hebben de behandelingen op de facturen niet

plaatsgevonden en is de persoon op wiens naam de factuur is afgegeven niet bij [tandartspraktijk 1]

geweest op de gefactureerde behandeldata. Tijdens een vergadering van de

Overleg Werkgroep Casuïstiek Fraude bij ZN is naar voren gekomen dat meerdere verzekeraars mogelijk valse facturen op naam van [tandartspraktijk 1] hebben ontvangen en verwerkt dan wel uitbetaald hebben. Dit betreft Menzis, VGZ, AGIS, CZ en Achmea.

Elk van de betrokken zorgverzekeraars heeft een onderzoek gedaan naar de door hen ontvangen facturen. De uitkomsten zijn als volgt (kort samengevat):

Schadeoverzicht per verzekeraar:

Gedeclareerd bedrag Uitgekeerd bedrag

Achmea EUR 45.237,18 EUR 31.007,91

AGIS EUR 138.807,05 EUR 113.338,87

MENZIS EUR 22.009,18 EUR 17.067,50

VGZ EUR 29.646,53 EUR 20.851,02

CZ EUR 3.075,22 EUR 3.075,22

Totaal EUR 238.775,16 EUR 185.340,522

DOC 131-B Herziende lijst van namen van verzekerden en ingediende facturen bij de zorgverzekeraars opgemaakt door de FIOD

In totaal zijn 103 tandartsfacturen in het onderzoek betrokken en ingediend bij de zorgverzekeraars Achmea, AGIS, MENZIS, VGZ en CZ. Er is een totaalbedrag van € 244.711,40 gefactureerd aan de zorgverzekeraars. Op 84 facturen wordt hetzelfde factuurnummer meermalen gebruikt. Factuur 1100004 komt 35 keer voor.3

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 25 november 2014

De heer [getuige 1] heeft in zijn eerste verhoor als getuige bij de FIOD verklaard dat hij de oprichter is van [tandartspraktijk 1] te [vestigingsplaats] . De onderneming is in februari 2010 gestart en was eerst een B.V. in oprichting. De akte is in juli 2010 gepasseerd. Hij hield zich als eigenaar bezig met alle activiteiten om de tandartspraktijk draaiende te houden, behalve het verrichten van tandheelkundige handelingen. De dagelijkste administratie werd door hem verzorgd. De tandartsen verwerkten de behandelcodes, vervolgens gaven ze de gegevens vrij aan hem om de facturatie aan FAMED te verzorgen. De contante facturen werden door de baliemedewerker opgemaakt.

Aan [getuige 1] is voorafgaand aan het verhoor een overzicht, genummerd als DOC-1314, gegeven van ongeveer 100 facturen die uit naam van [tandartspraktijk 1] zijn opgemaakt. Deze facturen zijn gericht aan verschillende personen. De facturen zijn ingediend bij verschillende verzekeringsmaatschappijen, met het verzoek de facturen te betalen op rekening van de geadresseerde personen. [getuige 1] is nagegaan of de in dit overzicht vermelde personen ook daadwerkelijk klant waren bij [tandartspraktijk 1] . Hij heeft zijn bevindingen genoteerd respectievelijk aangevuld op het document DOC-131, waaruit DOC-131A is ontstaan.5

Verder heeft [getuige 1] verklaard dat de in de facturen genoemde behandelingen niet door [tandartspraktijk 1] zijn uitgevoerd en ook niet door [tandartspraktijk 1] zijn opgemaakt.6

Op de vraag van de FIOD of de lay-out van de facturen wel in overeenstemming is met die van de facturen zoals die door [tandartspraktijk 1] zijn opgemaakt heeft hij verklaard:

“In de periode februari 2010 tot en met 31 december 2010 dat de facturatie werd uitgevoerd met het programma Robadent stemt de lay-out overeen. Op 1 januari 2011 zijn wij overgegaan op het programma Evolution, de facturen die met dit programma zijn gemaakt hadden een andere lay-out”.

Op de vraag of [getuige 1] een vermoeden heeft door wie deze facturen die op het document DOC-131 zijn beschreven zijn opgemaakt heeft [getuige 1] verklaard:

“Het zou kunnen zijn dat mijn ex-werknemer die aan de balie werkte, [medeverdachte]

, hierbij betrokken kan zijn. Hij werkte al in de praktijk van meneer [naam] en toen ik de praktijk voortzette heb ik hem in loondienst genomen. [medeverdachte] maakte indien nodig de contante facturen op en had toegang tot het computersysteem en de kennis hiervan. Ik heb zijn naam ook op de lijst zien staan (DOC-131) en ik heb u gezegd dat de behandelingen die op deze lijst staan niet zijn uitgevoerd en gefactureerd. Destijds kwam [medeverdachte] bij mij als betrouwbaar over, ik heb nu daar mijn twijfels over, gezien mijn bevindingen”.7

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 21 april 2015

De heer [getuige 1] heeft in zijn tweede verhoor als getuige bij de FIOD voorts het volgende verklaard:

“ [medeverdachte] is bij mij begonnen sinds de dag dat ik de praktijk heb overgenomen, op 1 februari 2010. De praktijk die ik had overgenomen heette [tandartspraktijk 2] BV te [vestigingsplaats] . [medeverdachte] werkte al bij [tandartspraktijk 2] B.V. Ik heb de inventaris overgenomen en vanaf dat moment heette de praktijk [tandartspraktijk 1] B.V. [medeverdachte] was 5 dagen per week werkzaam. Zijn werkzaamheden bestonden uit het bellen met patiënten, het maken van afspraken, patiënten ontvangen, wat postwerkzaamheden en later zijn de factuurafhandelingen daarbij gekomen. Vanaf 1 februari 2010 heb ik, omdat ik zelf niet altijd aanwezig was, besloten om de contante betalingen af te houden. Alle patiënten die kwamen werden verrekend met het Famed factoring systeem. Een enkeling, een stuk of vijf hebben wel contant afgerekend in 2010. Eind 2010 zijn we overgestapt naar het nieuwe systeem, Evolution. Daarna mocht er wel contant afgerekend worden. In 2010 waren er maar twee personen die contante facturen op konden maken. Dat waren [medeverdachte] en ik. [medeverdachte] heeft in beide systemen gefactureerd, ook in het oude systeem. [medeverdachte] wist hoe dat moest”.8

Voorts heeft [getuige 1] op de vraag van de FIOD of [medeverdachte] opgeleid was om contante facturen op te maken het volgende verklaard:

“Juist van [medeverdachte] heb ik geleerd hoe dat moest in het oude systeem Robadent. [medeverdachte] wist hoe dat systeem in elkaar zat, voor wat betreft patiënten opzoeken, facturen opzoeken, dus ook facturen opmaken. Dat was ook vrij gemakkelijk, maar zonder de juiste inlogcodes was het onmogelijk om een factuur te maken.

Op de vraag hoe het maken van facturen in zijn werk ging heeft [getuige 1] verklaard:

“In het systeem wordt een patiënt behandeld door de tandarts en daarna gaat de patiënt naar de balie, naar [medeverdachte] , die zoekt de gegevens van de patiënt weer op. Ondertussen heeft de tandarts de patiënt in het systeem als afgehandeld gemeld, waardoor er een factuur gegenereerd kon worden. Dan was het een kwestie van op een knop drukken en dan kwam de factuur uit het systeem bij de balie, bij [medeverdachte] . De printer stond bij [medeverdachte] , bij de balie”.9Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat er maar één [medeverdachte] werkzaam is geweest bij [tandartspraktijk 1] en dat was [medeverdachte] , geboren in Ghana.10

Aan [getuige 1] zijn DOC-19711 en DOC-19812 getoond. Het betreft twee facturen van [tandartspraktijk 2] B.V. en [tandartspraktijk 1] B.V. op naam van [verdachte] te [woonplaats] . [getuige 1] heeft over beide facturen verklaard dat deze vals zijn. [verdachte] was ook geen patiënt van hem.

Verzekerden

De FIOD heeft een aantal verzekerden op wiens naam facturen en/of declaratieformulieren zijn ingediend bij de zorgverzekeraars verhoord. Van een aantal verzekerden, waaronder de verzekerden (en tevens verdachte) die in de tenlastelegging van feit 3 worden weergegeven, zijn de verhoren en de daaraan ten grondslag liggende documenten hierna als bewijsmiddelen opgenomen.

[getuige 2] ( [getuige 2] )

DOC-088 1/3 t/m 3/3: Een factuur van 23 november 2010 van [tandartspraktijk 1] B.V. aan [getuige 2] , wonende te [woonplaats] , voor een bedrag van € 2.732,52.13

DOC-161: Een declaratieformulier van [getuige 2] van 15 november 2010 voor een bedrag van € 2.732,52 gericht aan AGIS.14

DOC-183 2/9: Een rekeningafschrift van de Rabobank, op naam van [getuige 2] , rekeningnummer [rekeningnummer] , waarop te zien is dat op 17 december 2010 een bedrag van € 2.687,52 is bijgeschreven van AGIS op de rekening van [getuige 2] . Vervolgens wordt op diezelfde dag een geldopname gedaan van € 1.250,-.15

Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 5 februari 2015

Aan [getuige 2] wordt DOC-161 getoond. [getuige 2] heeft hierover verklaard:

“Ik ken dit formulier niet. Het is ook mijn handschrift niet en ook niet mijn handtekening”.16

Ook wordt [getuige 2] DOC-088 getoond. Hij heeft hierover verklaard:

“Dit klopt niet, zoveel. Ik ben daar nooit geweest, ik heb de behandelingen nooit gehad. De naam van het bedrijf zegt mij ook niks”.17

Aan [getuige 2] wordt DOC-183 2/9 getoond. Hier heeft hij over verklaard:

"Ik werd benaderd door een medewerker van [tandartspraktijk 1] .18Het is een jongen die ik ken. Hij heet [medeverdachte] van zijn voornaam. Ik ken zijn achternaam niet. Hij woont volgens mij in [woonplaats] . Die [medeverdachte] vertelde dat wij recht hadden op een tandartsverzekering vergoeding tot je 23ste. Die [medeverdachte] vertelde dat wij daarvoor geld konden krijgen. Hij kon zorgen dat wij geld op onze rekening konden krijgen. Ik heb mijn pas en mijn AGIS gegevens en geboortedatum en alles aan hem gegeven. Waarschijnlijk heeft hij alles ingevuld op die formulieren. Ook al die berekeningen. Hij sprak er met iedereen over. Het was makkelijk geld verdienen.

Ja, ik kende [tandartspraktijk 1] dus wel. Die € 1.250,- die ik van mijn bankrekening had opgenomen heb ik afgedragen aan die [medeverdachte] . Het is ook zo dat als ik iemand aanbracht ik dat ik dan ook wat geld kreeg”.

Op de vraag hoeveel mensen [getuige 2] heeft aangebracht heeft hij het volgende verklaard:

“Een stuk of tien. Ik mocht meestal de helft van het bedrag houden. Het was afhankelijk van het bedrag dat werd uitbetaald, € 300,-, € 400,- of € 500,-, afhankelijk van het bedrag”.19

Aan [getuige 2] worden door de FIOD delen van de verklaring van [getuige 3] voorgehouden. Hij heeft hierover verklaard:

“Ja, dat is waar wat [getuige 3] heeft verklaard aan u, het is gewoon wat ik u nu vertel. Volgens mij liep die [medeverdachte] eerste stage bij [tandartspraktijk 1] en is daarna daar vast gaan werken. Ja, [medeverdachte] kreeg ook in dit geval € 1.250,- en ik € 550,-. Dat hadden we zo afgesproken als vrienden”.20

Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 14 april 2015

Getuige [getuige 2] heeft in zijn tweede verhoor het volgende verklaard omtrent de aan hem getoonde foto van [medeverdachte] (D-199):

“Ja, ik herken hem als zodanig. Over deze [medeverdachte] hebben we gesproken in mijn eerste verklaring. Nadat ik naar [medeverdachte] gebeld had, heeft [medeverdachte] tegen mij gezegd dat ik tegen

niemand mocht zeggen dat hij degene was die bij de tandarts werkte. Eigenlijk was ik op een

gegeven moment een tussenpersoon geworden, het liep gewoon zo, het is zo gegroeid.

Ik leverde een aantal mensen aan en zorgde dat [medeverdachte] een gedeelte van het uitgekeerde het geld kreeg, waarvan ik ook een gedeelte mocht houden”.21

“Ik ontving dat geld contant. [medeverdachte] kreeg altijd de helft van het bedrag wat gedeclareerd was. Ik kreeg een percentage, dat was ongeveer € 300,- tot € 400,-. Maar soms hadden mensen schulden aan de zorgverzekeraar en kregen dan minder op hun bankrekening uitbetaald door de zorgverzekeraar. Ik gaf [medeverdachte] iedere keer de helft van wat gedeclareerd was. Ik weet het niet hoeveel het was. Als je alle keren zou afronden naar € 1000,- per persoon, zou het ongeveer tussen de € 8.000,- en € 10.000,- moeten zijn. Dat heb ik contant aan [medeverdachte] gegeven”.22

[getuige 3] ( [getuige 3] )

DOC-018: Een declaratieformulier van [getuige 3] , wonende te [woonplaats] , van 5 november 2010 voor een bedrag van € 2.624,19 gericht aan AGIS.23

DOC-087 1/4 t/m/ 4/4: Een factuur van 10 november 2010 van [tandartspraktijk 1] B.V. aan [getuige 3] voor een bedrag van € 2.624,19.24

DOC-156: Een rekeningafschrift van ING, op naam van [getuige 3] , rekeningnummer

[rekeningnummer] , waarop te zien is dat namens AGIS op 24 november 2010 een bedrag van € 2.624,19 wordt bijgeschreven op de rekening van [getuige 3] . Tevens wordt op die dag een geldopname gedaan van € 1.800,-.25

Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 3] van 13 januari 2015:

Aan [getuige 3] wordt DOC-018 getoond. [getuige 3] heeft hierover verklaard:

"Ik herken dit formulier, de persoonsgegevens onder punt heb ik ingevuld, het is mijn handschrift. De overige gegevens datum, de korte handtekening en specificatie van de rekening heb ik niet ingevuld, dit is niet mijn handschrift”.26

Aan [getuige 3] wordt DOC-087 getoond. [getuige 3] heeft hierover verklaard:

“Deze factuur ken ik niet, nooit eerder gezien, ik ken het bedrijf [tandartspraktijk 1] niet, ik ben daar nooit geweest”.27

Aan [getuige 3] wordt door de FIOD DOC-156 getoond. [getuige 3] heeft hierover verklaard:

“Ik heb die € 1.800,- bij de bank opgenomen en het geld overhandigd aan [getuige 2] (de rechtbank begrijpt: [getuige 2] ) die buiten stond te wachten”.28

Voorts heeft [getuige 3] verklaard:

“Ik ben benaderd in 2010 door een jongen die bij mij in de straat woonde, hij heet [getuige 2] .

[getuige 2] zou bij mij langs komen met een formulier dat ik moest invullen, dat is het declaratieformulier dat u mij eerder toonde. Ik heb mijn gegevens ingevuld en zou een bedrag op mijn rekening gestort krijgen. Ik zou er wel iets aan overhouden maar wist toen nog niet hoeveel. Nadat ik het bedrag van AGIS op mijn bankrekening kreeg bijgeschreven heb ik [getuige 2] gebeld. Wij hebben toen een afspraak gemaakt op dezelfde dag om het geld op te nemen. Toen wij naar de bank liepen om het geld op te nemen, vertelde hij mij dat ik € 1.800,- moest opnemen en de rest mocht ik houden. [getuige 2] vertelde mij ook dat hij er zelf € 550,- aan over heeft gehouden en € 1.250,- moet betalen aan een jongen die stage liep bij een tandarts. Hij vertelde mij dat hij op het punt stond om het geld te gaan betalen aan die jongen, hij ging met de trein richting Amsterdam.

Ik denk dat [getuige 2] wel de naam van die jongen kent die bij een tandarts werkte, omdat hij ook die € 1.250,- aan die jongen moest betalen en ook dat hij zelf ook al zoiets gedaan heeft ”.29

[getuige 4] ( [getuige 4] )

DOC-110: Een factuur van 1 juni 2010 van [tandartspraktijk 2] B.V. aan [getuige 4] , wonende te [woonplaats] , voor een bedrag van € 1.921,58.30

DOC-185 4/8: Een rekeningafschrift van de Rabobank, op naam van [getuige 4] , rekeningnummer [rekeningnummer] , waarop te zien is dat namens Achmea op 10 juni 2010 een bedrag van (na verrekening) € 1.902,09 wordt bijgeschreven op de rekening van [getuige 4] .31

Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 4] van 12 februari 2015:

[getuige 4] heeft het volgende verklaard:

“Die vriend kwam naar mij toe en vertelde dat hij bij een tandarts kon declareren en dat iedereen daar recht op had. Hij vertelde dat er geld op mijn rekening zou komen. En die vriend wilde dan wel een percentage ontvangen van het bedrag dat op mijn rekening zou worden bijgeschreven. Van het één kwam het ander en op een gegeven moment moest ik mijn gegevens van de zorgverzekeraar geven en mijn bankrekeningnummer.32Hij heet [verdachte] . Ik heb hem niks gegeven, omdat hij zo'n druk op mij zette. Als u zegt dat hij [verdachte] heet van zijn achternaam, dan zeg ik dat dat wel klopt”.

Aan [getuige 4] wordt DOC-110 getoond. [getuige 4] heeft hierover verklaard:

“Ik heb die behandelingen nooit ondergaan. Ik heb deze factuur nooit gezien”.33

“Ik herinner me dat [verdachte] destijds aan mij vertelde dat hij iemand kende die bij een tandarts stage liep of werkte”.34

[getuige 5] ( [getuige 5] )

DOC-076 2/6 t/m 5/6: Een factuur van 4 januari 2011van [tandartspraktijk 1] B.V. aan [getuige 5] , wonende te [woonplaats] , voor een bedrag van € 2.552,92.35

DOC-076 1/6: Een declaratieformulier van [getuige 5] van 8 april 2011 voor een bedrag van € 2.552,92 gericht aan AGIS.36

DOC-194 36/73: Een rekeningafschrift van de Rabobank, ten name gesteld op [verdachte] rekeningnummer [rekeningnummer] , waarop te zien is dat op 20 april 2011 een bedrag van € 2.305,99 wordt bijgeschreven door [getuige 5] . Vervolgens wordt diezelfde dag € 400,- teruggestort door [verdachte] aan [getuige 5] .37

Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 5] van 27 november 2014

Aan [getuige 5] wordt DOC-76 2/6 t/m 5/6 getoond. [getuige 5] heeft hierover verklaard:

“Deze heb ik eerder gezien. Hij is aan mij opgestuurd door AGIS, de zorgverzekeraar. Ik ben er nooit geweest. Ik zat financieel omhoog. Ik kwam toen iemand tegen, die me kon helpen. Ik moest alleen m'n pasje van de zorgverzekering geven. Hij legde uit dat ik een brief zou krijgen van de verzekering en dat er geld op mijn rekening gestort zou worden. Dat moest ik dan terugstorten op de rekening van hem. Een deel van het geld mocht ik zelf houden. Het was van te voren zo afgesproken. Iemand werkte bij een bedrijf en kon de facturen invoeren en regelen dat het geld gestort werd. Die persoon heb ik nooit gezien en ik weet daar ook geen naam van. Ook van het bedrijf weet ik de naam niet”.38

Aan [getuige 5] wordt DOC-176 1/6 getoond. [getuige 5] heeft hierover verklaard:

“Dit zie ik voor het eerst. Dit heb ik niet gemaakt, het is ook niet mijn handtekening. Ik ben alleen akkoord gegaan dat er iets geregeld zou worden met een zorgverzekeraar en ik heb verder niks gedaan. Ik weet dat hij er profijt uit haalde. Ik weet dat hij wel samenwerkte met een ander die binnen het bedrijf werkte en zij samen over de geldverdeling gingen. Dat heeft hij mij gezegd.”

Aan [getuige 5] wordt DOC-194 36/73 getoond. [getuige 5] heeft hierover verklaard:

“Dat was het geld van de zorgverzekeraar, dat ik ten onrechte heb gekregen.

[verdachte] is degene die mij heeft benaderd. [verdachte] ”.39

[getuige 6] ( [getuige 6] )

DOC-092 2/8 t/m 4/8: Een factuur van 3 januari 2011 van [tandartspraktijk 1] B.V. aan [getuige 6] , wonende te [woonplaats] , voor een bedrag van € 2.950,79.40

DOC-092 1/8: Een declaratieformulier van [getuige 6] van 20 juni 2011 voor een bedrag van € 2.950,79 gericht aan AGIS.41

DOC-194 47/73: Een rekeningafschrift van de Rabobank, ten name gesteld op [verdachte] rekeningnummer [rekeningnummer] , waarop te zien is dat op 4 juli 2011 een bedrag van € 1.600,49 wordt bijgeschreven door [getuige 6] .42 Vervolgens wordt op 6 juli 2011 € 200,- teruggestort door [verdachte] aan [getuige 6] .43

Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 6] van 26 november 2014 44

Aan [getuige 6] wordt DOC-092 2/8 t/m 4/8 getoond. [getuige 6] heeft hierover verklaard:

“Deze heb ik volgens mij wel thuisgestuurd gekregen, volgens mij van mijn zorgverzekeraar. Maar ik ken die tandarts niet. Ik ben er nooit geweest. Mijn tandarts zit in [woonplaats] .

Ik ben in 2011 benaderd door een vriendin van mij. Haar naam is [getuige 7] . Zij vroeg of ik geld terug wilde krijgen van de zorgverzekeraar. Dat wilde ik wel. Zij vertelde dat haar vriend [verdachte] dat aan mij kon uitleggen. Ik kreeg te horen dat een vriend van [verdachte] bij de tandarts werkte en dat ik heel veel geld terug kon krijgen. Ik kreeg te horen dat de vriend van [verdachte] die bij de tandarts werkte een nota kon maken en dat niemand daar achter kon komen.

[verdachte] had mij verteld dat ik post zou krijgen van de verzekeraar. Toen kwam het geld een paar dagen later binnen op mijn rekening, maar dat was niet het bedrag dat op de tandartsrekening stond. Ik heb [getuige 7] een appje gestuurd om te vertellen dat het geld op de rekening stond.45 [verdachte] kwam met mij praten en vroeg hoeveel het was. Dat ging ook via Whatsapp. [verdachte] vond het maar weinig. Ik heb vervolgens een foto gemaakt van de bijschrijving op mijn bankrekening en dat doorgegeven aan [verdachte] , via [getuige 7] . Ik heb op verzoek van [verdachte] gebeld met de verzekering om te vragen hoe het zat met het verschil tussen de tandartsrekening en de uitbetaling. Ik kreeg te horen dat dat te maken had met achterstand van betalen. Ik kreeg van [verdachte] via Whatsapp een rekeningnummer door, waar het geld op moest worden gestort. Ik heb dat dan ook gedaan. Vervolgens kreeg ik € 200,- teruggestort. Die kwamen van [verdachte] , kort daarna. Ik kreeg die € 200,- teruggestort, omdat ik had meegewerkt”.46

Aan [getuige 6] wordt DOC-092 1/8 getoond. [getuige 6] heeft hierover verklaard:

“Ik ken dit formulier niet. Het is ook niet mijn handtekening. Het is ook niet mijn handschrift. Het lijkt op [getuige 7] handschrift. Dat weet ik, omdat we vroeger bij elkaar in de klas zaten en ik heb haar wel eens zien schrijven. Ik heb ook nooit iets hoeven invullen. Ik heb alleen mijn gegevens verstrekt aan [getuige 7] en [verdachte] . Met die gegevens bedoel ik mijn naam, achternaam, geboortedatum, adres, geboorteplaats, polisnummer van mijn verzekering bij AGIS”.47

[verdachte]

D-0197 2/4: Een factuur van 24 maart 2010 van [tandartspraktijk 2] B.V. aan [verdachte] , wonende te [woonplaats] , voor een bedrag van € 735,84.48

D-0197 1/4: Een declaratieformulier van 25 maart 2010 voor een bedrag van € 735,84 gericht aan AGIS.49

D-0197 3/4: Betreft een schrijven van zorgverzekeraar AGIS, boekstuknummer [nummer] , van 1 april 2010 gericht aan [verdachte] te [woonplaats] . Dit schrijven betreft een specificatie van de uitbetaling met betrekking tot de ingediende declaratie ziektekosten ad. € 735,84. AGIS zal overgaan tot vergoeding van het bedrag € 735,84 minus eventuele verrekening van een vordering van AGIS op [verdachte] .50

DOC-203 8/11: Betreft een rekeningafschrift op naam van [verdachte] waarop te zien is dat op 9 april 2010 er een bijschrijving namens AGIS is gedaan van € 503,06 onder vermelding van boekstuknummer [nummer] . Dit boekstuknummer stemt overeen met het schrijven van AGIS, DOC-197 3/4. Op de uitbetaling van de gedeclareerde ziektekosten ad € 735,84 is € 232,78 verrekend met nog verschuldigde bedragen door [verdachte] aan zorgverzekeraar AGIS.51

DOC-198 2/4: Een factuur van 3 januari 2011 van [tandartspraktijk 1] BV aan [verdachte] voor een bedrag van € 2895,83.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 14 april 2015

Aan [verdachte] wordt door de FIOD DOC-0197 2/4 getoond. [verdachte] heeft hierover verklaard:

“Oké, ik zie het. Kijk, jullie laten me dit zien, en mijn naam staat er op. Ja, ik zie dat. U heeft

me ook andere formulieren laten zien, met andere namen. Ik ken dit formulier niet en heb

hem ook niet ingevuld. Ik kan er niks over vertellen.

Ik heb mijn eigen tandarts”.

Aan [verdachte] wordt DOC-0197 1/4 getoond. [verdachte] heeft hierover verklaard:

“Het is niet mijn handschrift en niet mijn handtekening”.

Aan [verdachte] wordt D-0198 2/4 getoond:

“lk heb geen antwoord, ik ken het niet eens. Ik heb deze factuur nooit gezien. Ik heb geen

antwoord, het is niet verplicht om te antwoorden, dus....

Ik ben sowieso niet daar geweest, dus.

Ik heb een eigen tandarts”.52

[getuige 8] ( [getuige 8] )

DOC-107 1 t/m 3/13: Een factuur van 3 januari 2011 van [tandartspraktijk 1] B.V. aan [getuige 8] voor een bedrag van € 3.111,08.53

DOC-107 8/13 t/m 13/13: Een declaratieoverzicht van 25 oktober 2011 van Zilveren Kruis waarop wordt vermeld dat aan [getuige 8] een bedrag van € 3.057,29 (na verrekening) uitbetaald zal worden in verband met de door verzekeraar ingediende behandelingen.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 8] 16 december 2014

Aan [getuige 8] wordt door de FIOD DOC-0107 1 t/m 3/13 getoond. [getuige 8] heeft hierover verklaard:

“Ik heb deze factuur nooit eerder gezien. Ik ben nooit bij [tandartspraktijk 1] geweest. Ik ken het bedrijf niet”.

Aan [getuige 8] wordt DOC-0107 8/13 t/m 13/13 getoond. [getuige 8] heeft hierover verklaard:

“Ik kan mij niet herinneren dat ik deze brief heb gehad”.

Voorts heeft hij verklaard:

“Ik heb een fout gemaakt en accepteer de gevolgen. Ik heb met de verkeerde jongens gesproken om aan geld te komen. Ik heb een brief van mijn zorgverzekeraar gehad en moest een paar dingen aanvinken. Dat heb ik gedaan en daarna werd een bedrag op mijn bankrekening gestort. Dat bedrag heb ik contant opgenomen. Ik mocht € 100,- zelf houden. De rest heb ik aan een loopjongen gegeven, ik wil u de naam wel noemen, hij heet [getuige 9] . Ik ken [getuige 9] van de sportschool. [getuige 9] vroeg mij of ik wat geld wilde verdienen en daarom heb ik het gedaan, ik moest mijn huur betalen. Ik noem [getuige 9] een loopjongen omdat ik het geld aan hem moest geven, Ik denk dat [getuige 9] niet degene is die dit bedacht heeft, daar is hij niet slim genoeg voor”.54

“Ik heb € 3.000,- contant opgenomen. Ik heb die € 3.000,- aan [getuige 9] gegeven en ik heb € 100,- teruggekregen”.55

[getuige 9] ( [getuige 9] )

DOC-162: Een declaratieformulier van AGIS van 28 mei 2011 op naam van [getuige 9] m.b.t. een factuur van [tandartspraktijk 1] . Het declaratiebedrag betreft € 2.433,25.56

DOC-099 1 t/m 3: Een factuur van [tandartspraktijk 1] B.V. van 4 januari 2011 aan [getuige 9] voor een bedrag van € 2.433,25.57

DOC-193 4/8: Een bankrekeningafschrift van [getuige 9] op 9 juni 2011 wordt een bedrag van € 2433,25 overgeschreven door AGIS. Diezelfde dag wordt dit bedrag overgeboekt naar de rekening van [verdachte] . Op 15 juni 2011 wordt er € 500,- teruggeboekt door [verdachte] .

Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 9] van 10 februari 2015

Aan [getuige 9] wordt DOC-162, DOC-099 en .DOC-193 4/8 getoond. [getuige 9] heeft hierover verklaard:

“Ik ken dit formulier niet. Ik ken deze factuur niet”.58

“Ik wist van tevoren, dat het geld op mijn tekening zou worden gestort. Ze zeiden tegen mij dat ik geld terug kon krijgen van behandelingen die ik in het verleden had gedaan. Toen zei ik dat dat wel goed was. Toen hadden ze een pasje nodig van de zorgverzekering en dat heb ik gegeven. [verdachte] heeft dat tegen mij gezegd, en ik heb mijn gegevens aan [verdachte] gegeven. Met [verdachte] bedoel ik [verdachte] , die ook op mijn bankafschrift staat, aan wie ik het geld van de zorgverzekering heb overgemaakt. Ik heb er zelf € 500,- aan overgehouden.

“Ik ben ook benaderd door andere mensen die geld nodig hadden, ja. En ik heb deze handelswijze aan hen doorgegeven. Ik heb ze doorgestuurd naar [verdachte] ”.59

“Ik heb [getuige 8] het hele verhaal verteld dat hij kon declareren bij een tandarts. Toen heb ik hem het nummer van [verdachte] gegeven. Hij heeft er zelf voor gekozen om

het wel te doen, om te gaan declareren. Ik werd geappt door [getuige 8] dat het geld op de bank stond en ik ben toen naar hem toegegaan en heb het geld gekregen dat [getuige 8] gepind had binnen in de bank. Ik heb dat geld weer afgegeven aan [verdachte] . Ik weet niet meer hoeveel geld het precies was”.60

[getuige 7] ( [getuige 7] )

Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 7] 13 februari 2015

Ik leerde [verdachte] kennen in 2010.

Toen heeft hij aan mij gevraagd of ik mijn bankrekening beschikbaar wilde stellen voor die praktijken, voor die € 2.800, zoals u door de telefoon tegen mijn heb gezegd. In het begin dacht ik ook van: nee., maar ik heb het uiteindelijk wel gedaan. Ik heb mijn zorgverzekeringgegevens aan hem gegeven en mijn bankrekeningnummer.

[verdachte] werd bedreigd door gevaarlijke jongens die zich bezighielden met dit soort dingen”. 61

Ik wist dat het om een declaratie ging. Dat had [verdachte] mij verteld, op welke manier

hij het deed. Ik weet dat het om AGIS ging. Ik weet ook dat het om een valse declaratie ging en dat het geld op mijn rekening zou komen. [verdachte] heeft mij verteld dat het geld na declaratie op mijn rekening zou komen”.62

“Hij sprak in de woorden ‘wij’. “Wij dienen een declaratie in”. Ik heb niet om

namen gevraagd. Hij zei ook dat het via-via zou gaan. Ik heb namelijk aan hem gevraagd hoe hij dat nou kon doen. Hij werkte toch niet bij zo’n instantie? Het enige dat ik wist was dat er een valse declaratie zou worden ingediend bij Agis en dat ik dan geld op mijn bankrekening zou ontvangen”.63

DOC-024 1/88/8 BlueView mutatie

Uit een BlueView Registratie Export van 18 april 2014 volgt dat verdachte [medeverdachte]

en [verdachte] beiden op 24 juli 2012 zijn aangetroffen in het [park] in [woonplaats] .64

DOC-195 Mutaties bankrekening verdachte [verdachte] periode 2010-2014

Door de FIOD is onderzoek gedaan naar de ontvangsten en uitgaven op de rekening van verdachte [verdachte] (bankrekening van Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer] ).

In DOC-195 is in een Excel-lijst een overzicht opgenomen van de bedragen die in 2010 en 2011 vermoedelijk door verzekerden ten onrechte zijn overgemaakt op de bankrekening van [verdachte] .

Op deze Excel-lijst is in kolom B te zien welk bedrag de volgende verzekerden hebben gedeclareerd bij de zorgverzekeraars en welk bedragen, al dan niet met verrekening van een inschuld van de verzekerde, zijn uitbetaald:

Verzekerde B gedeclareerd Uitbetaald

[verdachte] 65 € 735,84 € 503,06 (D-203 8/11, blz.1408) [naam] € 1.921,56 € 1.921,56 (D-211, blz. 1506)

[D] € 2.399,71 € 2.399,71 (D-211, blz. 1508)

[E] € 1.911,76 € 1.727,30 (D-211, blz. 1506)

[F] € 1.961,85 € 1.961,85 (D-211, blz. 1507)

[G] € 2.612,75 € 2.344,27 (D-211, blz. 1508)

[H] / [I] (via [D] ) € 2.503,12 € 2.395,46 (D-211, blz. 1508)

[J] (via bank Gog) € 2.732,52 € 2.686,57 (D-211, blz. 1508)

[K] (via bank [E] ) € 2.269,29 € 2.269,29 (D-211, blz. 1507)

[L] (via bank [E] ) € 2.624,19 € 2.122,57 (D-211, blz. 1506)

[M] € 2.294,72 € 2.294,72 (D-211, blz. 1507)

[N] € 2.321,19 € 2.321,19 (D-211, blz. 1507)

[getuige 5] € 2.552,92 € 2.552,92 (D-211, blz. 1507)

[getuige 9] € 2.433,25 € 2.433,25 (D-211, blz. 1508)

[O] € 2.178,26 € 2.178,26 (D-211, blz. 1507)

[P] € 2.433,25 € 2.179,52 (D-211, blz. 1506)

[Q] € 2.439,25 € 2.439,25 (D-211, blz. 1508)

[R] € 2.803,22 € 2.803,22 (D-211, blz. 1507)

[getuige 6] € 2.950,79 € 2.950,79 (D-211, blz. 1507)

[S] € 3.111,08 € 3.075,22 (D-211, blz. 1508)

[T] € 2.663,12 € 2.577,97 (D-211, blz. 1507)

[U ] € 2.825,12 € 2.760,03 (D-211, blz. 1507)

[W] € 3.111,08 € 3.057,29 (D-211, blz. 1506)

Totaal € 55.789,84 € 53.955,27

Het bedrag dat vervolgens door de zorgverzekeraars aan de verzekerde is uitgekeerd, staat weergegeven in de kolom ‘Uitbetaald’.66

Op DOC-195 Excel-lijst is in kolom D te zien dat er in totaal een bedrag van € 2.400,- vanaf de rekening van [verdachte] is teruggestort aan personen die ook op de lijst van D-211 staan.

Op DOC-195 is in kolom G te zien dat tussen 16 juni 2010 en 17 november 2011 een totaalbedrag van € 27.040,- is opgenomen door [verdachte] .67

Een door de FIOD gedane analyse van de Rabo bankrekening [rekeningnummer] (DOC-203) op naam van [verdachte]

- over de gehele periode vanaf de laatste week van 2009 tot en met 26 mei 2010 er

wekelijks boekingen over en weer plaats vinden tussen “algemene” bankrekening

[rekeningnummer] en de spaarrekening [rekeningnummer] van verdachte [verdachte] ;

- er wekelijks veel verschillende bedragen voor levensonderhoud, kleding,

vervoerskosten worden afgeschreven;

- op 20 april 2010 een bedrag van € 183,44 van de spaarrekening naar algemene

bankrekening wordt geboekt om kennelijk de betaling op 20 april 2010 van € 183,44

aan Jepma Almere gerechtsdeurwaarder dossier 10-05647 DUO [verdachte] te voldoen;

- op 28 april 2010 een bedrag van € 54,47 van de spaarrekening naar algemene

bankrekening wordt geboekt om kennelijk de betaling op 29 april 2010 van € 54,47

aan Intrum Justitia te voldoen;

- in deze periode januari 2010 tot en met mei 2010 salaris van NS Groep inzake Servex

is bijgeschreven op bankrekening [rekeningnummer] .68

Een door de FIOD analyse van Rabo bankrekening [rekeningnummer] (DOC-194) op naam van [verdachte] :

- over de gehele periode vanaf 27 mei 2010 tot en met 30 december 2011 er wekelijks boekingen over en weer plaats vinden tussen “algemene” bankrekening [rekeningnummer] en de

spaarrekening [rekeningnummer] van verdachte [verdachte] ;

- er wekelijks veel verschillende bedragen voor levensonderhoud, kleding,

vervoerskosten worden afgeschreven;

- op 27 mei 2010, 7 juli 2010 van Stichting op de Rots een bedrag per keer van € 150,- met

omschrijving stage vergoeding op deze bankrekening is overgemaakt;

- juni 2010 tot en met december 2010 per maand € 75,39 aan studiefinanciering wordt

bijgeschreven;

- in deze periode juni 2010 tot en met oktober 2010 salaris van NS Groep inzake

Servex is bijgeschreven op bankrekening [rekeningnummer] ;

- op 9 januari 2011 vanaf de spaarrekening [rekeningnummer] een bedrag van € 2.000,-

wordt geboekt op bankrekening [rekeningnummer] en dit bedrag op 10 januari 2011 wordt

overgeboekt naar [V] bankrekening [rekeningnummer] ;

- op 25 maart 2011 en 26 april 2011 wordt door de Stichting Altra het salaris,

€ 130,54 overgeschreven naar de bankrekening [rekeningnummer] .69

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

4.4

Bewijsoverweging ten aanzien feit 1

4.4.1.

Uitgangspunt

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.

Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang. (Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 en HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892)

4.4.1.Listige kunstgrepen en samenweefsel van verdichtsels De rechtbank overweegt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen, met name de verklaring van [getuige 1] en de verklaringen van de gehoorde verzekerden, voldoende vast is komen te staan dat er 103 tandartsfacturen en/of declaratieformulieren valselijk zijn opgemaakt en dat deze zijn verzonden aan de in de tenlastelegging genoemde zorgverzekeraars. De zorgverzekeraars verkeerden hierdoor in de veronderstelling dat de verzekerden de desbetreffende behandelingen hadden ondergaan en recht hadden op vergoeding van de gemaakte kosten, voor zover gedekt onder de verzekering. Nu deze facturen en/of declaratieformulieren vals waren is er sprake geweest van een onjuiste voorstelling van zaken tegenover de zorgverzekeraars. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake geweest van listige kunstgrepen en samenweefsels van verdichtsels.

4.4.2.

Bewegen tot afgifte van geldbedragen of teniet doen van inschuld Ook is voldaan aan het andere vereiste voor een veroordeling van oplichting, te weten dat een ander door het oplichtingsmiddel is bewogen tot onder andere de afgifte van enig goed of het teniet doen van een inschuld. De zorgverzekeraars zijn op basis van de valse facturen en declaratieformulieren bewogen om gelden te betalen aan de verzekeren en/of om hun schulden te verlagen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de zorgverzekeraars hebben uitbetaald en/of verrekend. Volgens de aangifte is op basis van de 103 facturen voor een totaalbedrag van € 238.775,16 gedeclareerd. Het bedrag dat is uitbetaald betreft € 185.340,52. Het verschil wordt onder meer veroorzaakt doordat verrekening met achterstallige premies en eigen risico heeft plaatsgevonden. Niet alleen uit de aangifte volgt dat er bedragen aan de verzekerden zijn uitgekeerd, maar ook de in de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen van de verzekerden en de daaraan ten grondslag liggende documenten, waaronder bankafschriften, ondersteunen dit bewijs.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat door een samenweefsel van verdichtsels en listige kunstgrepen bij de zorgverzekeraars een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen waardoor deze zijn bewogen tot de afgifte van een groot geldbedrag en het tenietdoen van geldvorderingen.

4.4.3.

Betrokkenheid verdachte – oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling Voorts dient de rechtbank vast te stellen of verdachte de persoon is geweest die de zorgverzekeraars dan wel alleen, dan wel met anderen, heeft opgelicht. Dit alles met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen, een derde vereiste voor een veroordeling voor oplichting.

Verdachte heeft bij de FIOD verklaard dat hij in 2010 onder dwang zijn drie bankpasjes heeft moeten afgeven aan ‘ [naam] ’ en ‘ [naam] ’. Zodoende zou hij niet de beschikking over zijn bankrekening hebben gehad. Eind 2013 zou hij de pasjes weer hebben teruggekregen. Ook heeft hij verklaard dat hij er deels van op de hoogte was dat zij ( [naam] en [naam] ) fraude pleegden bij zorgverzekeraars. Verdachte moest mensen ronselen omdat zij niet genoeg mensen hadden om hun bankrekening beschikbaar te stellen. Verdachte heeft verklaard dat hij uit angst naar [getuige 9] is gegaan en hem heeft geronseld. Ook heeft verdachte verklaard dat hij zijn vriendin [getuige 7] heeft gevraagd of ze haar bankrekening beschikbaar wilde stellen. Hij heeft vervolgens haar gegevens overhandigd aan die jongens. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij ook [getuige 4] en [getuige 5] heeft geronseld.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De verklaring van verdachte over de gang van zaken met betrekking tot [naam] en

[naam] is niet onderbouwd. Verdachte heeft geen concrete en verifieerbare informatie over deze personen gegeven. Verdachte heeft destijds geen aangifte gedaan van de vermeende bedreiging en afpersing en geen melding gemaakt bij de bank van het gebruik door derden of verlies van zijn bankrekening en bankpasjes. Verder blijkt uit een analyse van verdachtes bankrekening over de periode december 2009 tot en met december 2011 dat (D-203, p. 1401 e.v. en D-194, p. 1301 e.v.):

• wekelijks boekingen over en weer plaatsvinden tussen zijn betaalrekening en

spaarrekening;

• op 20 april 2010 €183,44 van de spaarrekening wordt overgeboekt naar de

betaalrekening om de betaling op 20 april 2010 van €183,44 aan Jepma Almere

gerechtsdeurwaarder dossier 10-05647 DUO [verdachte] te voldoen;

• op 10 januari 2011 € 2.000,- wordt overgeboekt naar de moeder van [verdachte] ;

• salaris van NS Groep en Stichting Altra, studiefinanciering en een stagevergoeding

op de bankrekening worden bijgeschreven.

Dit zijn specifieke ontvangsten en uitgaven waar alleen verdachte belang bij heeft.

Ook is het niet logisch dat verdachte zijn salaris laat overmaken op een bankrekening

waarover hij niet kan beschikken.

De rechtbank acht gelet op de het vorenstaande de verklaring van verdachte omtrent de vermeende bedreiging en afpersing ongeloofwaardig.

Uit de verklaringen van verzekerden [E] , [getuige 6] , [getuige 5] en [getuige 9] blijkt dat zij benaderd werden door verdachte, die er -met behulp van iemand die bij een tandarts werkte – voor kon zorgen dat een zorgverzekeraar geld zou storten op hun rekening. Dat geld moesten ze vervolgens overmaken of overhandigen aan verdachte en dan zouden ze er zelf ook iets aan overhouden.

Daarnaast blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat op de bankrekening van verdachte in de periode 2010-2011 een bedrag van € 38.268,27 is bijgeschreven door verzekerden. (D-195, p. 1374). Van dit bedrag is € 2.400,- teruggestort en € 27.040,- contant opgenomen. De verzekerden hebben verklaard dat zij een deel van het uitbetaalde bedrag terugkregen voor het ter beschikking stellen van hun persoonsgegevens en bankrekening.

Ook zijn twee valse facturen op verdachtes naam opgemaakt en ingediend (D-198 en D-197).

Gelet op deze de bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte betrokken is geweest bij de oplichting van zorgverzekeraars. Zijn rol valt te beschrijven als een tussenpersoon. Verdachte heeft verzekerden benaderd ten behoeve van het verkrijgen van hun gegevens, zodat met deze gegevens en de valse facturen konden worden opgemaakt en het geld op de rekeningen van de verzekerden kon worden uitgekeerd. Nu verdachte hier ook profijt van heeft gehad is aan het derde vereiste voldaan, te weten dat hij het oogmerk heeft gehad om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen.

4.4.4.

Medeplegen

De raadsvrouw heeft betoogd dat het aandeel van verdachte hoogstens kan worden bestempeld als medeplichtigheid. Nu medeplichtigheid niet ten laste is gelegd dient verdachte te worden vrijgesproken.

Uitgangspunt . In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen), rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechtbank rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte of diens aanwezigheid op belangrijke momenten. Voor het bewijs van medeplegen hoeft voorts niet te worden te worden vastgesteld wie die ander of anderen is of zijn geweest.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat verdachte niet zelf de valse facturen heeft opgemaakt, maar dat de medeverdachte [medeverdachte] dit heeft gedaan. In zoverre is er geen sprake van een gezamenlijke uitvoering. Maar dat betekent nog niet dat de samenwerking van de verdachte met medeverdachte enkel heeft bestaan uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband worden gebracht. Verdachtes bijdrage aan de totstandkoming van de valse facturen en de daaruit voortvloeiende oplichting gaat immers veel verder dan hulp verlenen. Zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt heeft verdachte een groot deel van de verzekerden (zoals [E] , [getuige 6] , [getuige 5] , [getuige 9] , [getuige 4] , [getuige 7] ) geworven en overgehaald om hun persoonsgegevens af te staan en hun bankrekening beschikbaar te stellen. Door zijn handelen heeft de stelselmatige oplichting kunnen ontstaan en voortduren. Zonder zijn inzet zou medeverdachte [medeverdachte] geen persoonsgegevens tot zijn beschikking hebben gehad om de valse facturen op te maken en zouden er geen bankrekeningen beschikbaar zijn voor de ontvangen bedragen.

Dat medeverdachte [medeverdachte] verdachte niet zou kennen wordt weersproken door [getuige 2] die heeft verklaard dat verdachte en [medeverdachte] elkaar kenden. Uit de BlueView registratie van 24 juli 2012 volgt ook dat verdachte en [medeverdachte] in hetzelfde park bij dezelfde gelegenheid (een barbecue) zijn gesignaleerd, hetgeen door verdachte ter zitting is bevestigd.

Tussenconclusie De rechtbank is van oordeel dat verdachte als tussenpersoon heeft gefungeerd en dat hij derhalve tezamen en in vereniging met anderen de oplichting van de in tenlastelegging genoemde zorgverzekeringen heeft gepleegd. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte verzekerden heeft geronseld en de door de verzekeraars aan de verzekerden uitgekeerde geldbedragen geïnd heeft.

Benadelingsbedrag De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gehele bedrag van € 185.340,52 dat door de zorgverzekeraars ten onrechte is uitbetaald, maar dat er wel een rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen hem en het hierna te noemen oplichtingsbedrag.

Bij de gebezigde bewijsmiddelen DOC-195 kolommen A en B staan de valse declaraties opgesomd waarvan direct betrokkenheid van verdachte vastgesteld kan worden op grond van ontvangen gelden uit deze declaraties en (deels) door de daarover afgelegde verklaringen. Uit DOC-211 (kolom I) blijkt hoeveel geld daarvan al dan niet na verrekening met openstaande schulden is uitgekeerd aan verzekerden. In totaal betreft dit een uitgekeerd bedrag van € 53.955,27.

Daarnaast blijkt uit de verklaringen van [getuige 4] de directe betrokkenheid van verdachte bij in totaal een bedrag van € 4.959,38 dat aan verzekerden [getuige 4] (DOC-185 4/8) en [getuige 8] (DOC-107 8/13 t/m 13/13) is uitgekeerd (€ 1.902,09 en € 3.057,29). Voor verdachte kan zodoende de directe betrokkenheid worden vastgesteld bij een uitgekeerd oplichtingsbedrag van in totaal € 58.914,65 (€ 53.955,27 + € 4.959,38).

Conclusie

Concluderend meent de rechtbank dat de oplichting door verdachte

tezamen en in vereniging met anderen, van de in de tenlastelegging genoemde

zorgverzekeraars voor het bedrag van € 58.914,65 wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.5

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

Aan verdachte wordt verweten het in vereniging gebruik maken van de in de tenlastelegging beschreven valselijk opgemaakte tandartsfacturen en declaratieformulieren op naam van [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en twee op zijn eigen naam. Zoals reeds is overwogen in de bewijsoverweging inzake de oplichting zijn de 103 in dit onderzoek ingediende tandartsfacturen en de daarbij ingediende declaratieformulieren bij de zorgverzekeraars alle vals. De behandelingen die op de facturen staan beschreven hebben de verzekerden niet ondergaan en zij hebben de kosten voor die vermeende behandelingen dan ook niet gemaakt.

De verzekerden [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] hebben alle drie verklaard dat zij in contact zijn gekomen met verdachte en dat hij iemand kende die bij een tandarts werkte die een nota kon opmaken. De verzekerden hebben hun personalia en bankrekeningnummer afgedragen aan verdachte. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de opgemaakte facturen en declaratieformulieren door verdachte en de mededaders zijn verzonden aan de zorgverzekeraars en dat deze zorgverzekeraars vervolgens grotendeels de gevraagde vergoedingen hebben uitgekeerd aan verzekerden. Verdachte heeft ten behoeve hiervan ook zijn eigen gegevens gebruikt en de gegevens van anderen ter beschikking gesteld aan de medeverdachten.

Conclusie Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde, te weten het gebruik maken van de valse facturen en declaratieformulieren door verdachte, tezamen en in vereniging met anderen heeft begaan.

4.6

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De rechtbank heeft reeds bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting (feit 1), waarbij zorgverzekeraars voor een groot geldbedrag zijn benadeeld. Verdachte is door de rechtbank verantwoordelijk gehouden voor een deel van dit benadelingsbedrag, te weten € 58.914,65.

De rechtbank stelt voorop dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp (in dit geval geld) dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan bijdragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp en derhalve niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Verdachte heeft verklaard dat hij wel wist dat er vanuit misdrijf verkregen gelden op zijn bankrekening werden gestort, maar dat hij zelf geen beschikking had over zijn bankpassen en derhalve zijn bankrekening. De rechtbank heeft dit verhaal van de verdachte reeds bij haar bewijsoverweging ten aanzien van de oplichting als niet geloofwaardig terzijde geschoven.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen (DOC-195) blijkt dat verdachte op zijn bankrekening in totaal een bedrag van € 38.771,33 heeft ontvangen dat afkomstig is van de verzekeringsfraude. Verdachte heeft een bedrag van € 27.040,- contant opgenomen (DOC-195, kolom G) en derhalve voorhanden gehad. De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet blijkt wat er met dit contant opgenomen bedrag van € 27.040,- is gebeurd. Nu ten aanzien van dit bedrag niet kan worden vastgesteld dat verdachte gedragingen heeft verricht om de criminele herkomst van het geldbedrag te verbergen of te verhullen, kan dit niet als witwassen worden gekwalificeerd.

Wel blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen (DOC-195, kolom D) dat verdachte een bedrag van € 2.400,- heeft teruggestort naar verzekerden en daarmee dit geldbedrag heeft overgedragen. Een dergelijke verwervingshandeling, het overdragen van geld via een bankrekening naar een bankrekening van een ander, is aan te merken als een gedraging die als witwassen kan worden gekwalificeerd. Uit de wetsgeschiedenis volgt immers dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde en naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zijn handelwijze genoemde integriteit aangetast door de door misdrijf verkregen gelden in het reguliere betalingsverkeer te brengen.

Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte een geldbedrag van € 2.400,- heeft witgewassen.

Vrijspraak medeplegen

De rechtbank is tot slot van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en een ander gericht op het met opzet witwassen een geldbedrag, zodat hij zal worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde bestanddeel “tezamen en in vereniging met anderen”.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

hij, in of omstreeks de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 februari 2012,

te Almere en Amsterdam, tezamen en in

vereniging met anderen, althans alleen, met het oogmerk om

zichzelf en een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

telkens door het aanwenden van listige kunstgreep en door een

samenweefsel van verdichtsels,

een of meer zorgverzekeraars te weten Achmea Divisie Zorg en Gezondheid

en Agis Zorgverzekeringen N.V. en Menzis Zorgverzekeraar N.V. en

Coöperatie VGZ UA en CZ Groep Zorgverzekeraars

heeft bewogen tot de girale afgifte van een geldbedrag van in totaal

ongeveer Euro 58.914,65,- en tot het tenietdoen van inschulden

immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders met vooromschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - telkens valselijk

- tandartsfacturen opgemaakt en verzonden aan voornoemde

zorgverzekeraars en

- declaratieformulieren ingevuld en ondertekend en verzonden aan

voornoemde zorgverzekeraars en

- voorgedaan dat de in deze tandartsfacturen en/of

declaratieformulieren genoemde verzekerden een behandeling hadden ondergaan

en zorgkosten hadden gemaakt bij [tandartspraktijk 1] B.V. en/of

[tandartspraktijk 2] B.V.

waardoor voornoemde zorgverzekeraars telkens werden bewogen tot

bovenomschreven afgifte en tot het teniet doen van inschulden;

2.

hij, in of omstreeks de periode van 9 april 2010 tot en met 12 december 2011,

te Almere en Amsterdam, alleen,

een geldbedrag van in totaal ongeveer Euro 2400,-,

heeft overgedragen

terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - middellijk - afkomstig was uit

enig misdrijf;

3.

hij, in of omstreeks de periode van 24 maart 2010 tot en met 20 juni 2011 te

Almere en Amsterdam, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte

geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit

te dienen, als waren deze echt en onvervalst,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader(s)

valse tandartsfacturen en/of declaratieformulieren, te weten:

- D-197: een factuur d.d. 24 maart 2010 van [tandartspraktijk 2]

B.V. aan [verdachte] en/of een declaratieformulier voor een bedrag van

Euro 735,84 en

- D-110: een factuur d.d. 1 juni 2010 van [tandartspraktijk 2] B.V.

aan [getuige 4] voor een bedrag van € 1921,58 en

- D-198: een factuur d.d. 3 januari 2011 van [tandartspraktijk 1] B.V.

aan [verdachte] voor een bedrag van Euro 2.895,83 en

- D-076: een factuur d.d. 4 januari 2011 van [tandartspraktijk 1] B.V.

aan [getuige 5] en een declaratieformulier d.d. 8 april 2011 voor een

bedrag van Euro 2.552,92 en

- D-092: een factuur d.d. 3 januari 2011 van [tandartspraktijk 1] B.V.

aan [getuige 6] en een declaratieformulier d.d. 20 juni 2011 voor een

bedrag van Euro 2.950,79

telkens verzonden en/of laten inzenden aan een of meer zorgverzekeraars,

bestaande die valsheid hieruit dat op die tandartsfacturen

en/of declaratieformulieren, telkens valselijk was vermeld dat de op deze tandartsfacturen en/of declaratieformulieren genoemde verzekerden een behandeling hadden ondergaan

en zorgkosten hadden gemaakt bij [tandartspraktijk 1] B.V. en

[tandartspraktijk 2] B.V.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

De rechtbank stelt vast dat de onder 1 bewezen verklaarde oplichting en het onder 3 bewezen verklaarde opzettelijk gebruik maken van valse geschriften een voortgezette handeling opleveren, nu sprake is van gelijksoortigheid van elkaar in tijd opvolgende handelingen, waaraan één ongeoorloofd wilsbesluit ten grondslag ligt. De verdachte en zijn mededaders hebben immers teneinde de zorgverzekeraars te bewegen de facturen te betalen meerdere valse facturen ingediend, derhalve kan hen daarvan in wezen één verwijt worden gemaakt.

Het onder 1 en 3 bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van:

Feit 1:

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

en

Feit 3

Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Witwassen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft daarbij te kennen gegeven bij haar eis rekening te hebben

gehouden met het tijdsverloop in de zaak.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om, indien de rechtbank tot een veroordeling van verdachte komt, te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf al dan niet gecombineerd met een taakstraf. Hiertoe heeft zij gewezen op de ouderdom van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, namelijk dat hij thans een baan heeft en de kostwinner is voor zijn gezin. Het is dan ook van belang dat hij zijn baan behoudt.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met anderen bijna twee jaar lang schuldig gemaakt aan oplichting en het daarbij opzettelijk gebruik maken van valse geschriften. Bij de oplichting werden er door een baliemedewerker, zijnde een medeverdachte, werkzaam bij een tandarts, valse facturen opgemaakt van niet door tandartsen in de praktijk uitgevoerde, tandheelkundige verrichtingen. Deze valse facturen zijn vervolgens samen met eveneens valselijk opgemaakte declaratieformulieren ingediend bij zorgverzekeraars. Deze zorgverzekeraars hebben telkens de gedeclareerde bedragen grotendeels uitgekeerd aan de verzekerden, die dat weer grotendeels doorbetaalden aan verdachte en mededaders. Hierdoor hebben zorgverzekeraars het totaalbedrag van € 185.340,52 ten onrechte uitbetaald aan verzekerden. Verdachte heeft bij de oplichting gefungeerd als tussenpersoon, door verzekerden te benaderen ten behoeve van het verkrijgen van hun gegevens voor het opmaken van de valse facturen en declaratieformulieren en vervolgende de door de verzekeraar aan de verzekerde uitbetaalde gelden te innen. Zijn rol is van wezenlijk belang geweest om de oplichting en het gebruik van de valse geschriften te doen slagen.

De rechtbank houdt verdachte verantwoordelijk voor een gedeelte van het door de zorgverzekeraars uitgekeerde bedrag, te weten een bedrag van € 58.914,65.

Het is enkel aan de oplettendheid en het ingrijpen van de zorgverzekeraars te danken dat het handelen van de verdachte en zijn mededaders is beëindigd.

Verdachte heeft door zijn handelen op grove wijze misbruik gemaakt van het zorgstelsel, waarin de manier van declareren grotendeels is gebaseerd op vertrouwen. Het vertrouwen dat

een zorgverzekeraar in facturen en declaratieformulieren als de onderhavige mag stellen, is door het handelen van verdachten ernstig geschonden.

Verdachte heeft kennelijk slechts gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 2.400,-. Hierdoor heeft verdachte meegewerkt aan het onttrekken aan het zicht van justitie en de fiscus van directe of indirecte opbrengsten van een misdrijf. Dat levert een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel op. Het is zonneklaar dat door personen als verdachte, die criminele gelden een (schijnbaar) legale herkomst verschaffen, het genereren van illegale winsten uit criminele activiteiten in stand wordt gehouden en bevorderd.

De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Het verzoek van de verdediging om verdachte slechts een voorwaardelijke straf al dan niet gecombineerd met een taakstraf op te leggen, doet op geen enkele wijze recht aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstrafstraf heeft de rechtbank acht geslagen op het op naam van verdachte gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 juni 2018. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Bij de strafoplegging zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting en de afspraken van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (LOVS) waar in geval van fraude bij een benadelingsbedrag van € 10.000,- tot € 70.000,- een gevangenisstraf voor de duur van 2 tot 5 maanden of een taakstraf als oriëntatiepunt wordt genoemd. De rechtbank houdt verdachte voor een bedrag € 58.914,65 van verantwoordelijk en neemt dit bedrag dan ook als uitgangspunt bij het bepalen van de op te leggen straf. Daar komt nog bij dat verdachte is veroordeeld ten aanzien van gewoontewitwassen. Dit zal de rechtbank ook meenemen in de strafoplegging.

De rechtbank houdt ten nadele van verdachte rekening met zijn proceshouding. Verdachte

heeft dan wel een klein aandeel in de fraude bekend, maar hij heeft ook verklaard dat hij dat deel onder vermeende bedreiging heeft uitgevoerd. Nu de rechtbank reeds heeft overwogen dat zij deze verklaring ongeloofwaardig acht, is zij dan ook van oordeel dat verdachte nog steeds geen verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat sedert het begaan van de feiten inmiddels geruime tijd is verstreken, en verdachte door oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf in zijn maatschappelijk bestaan zal worden getroffen.

Tenslotte neemt de rechtbank in aanmerking dat krachtens de wet, artikel 56 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, de onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten als voortgezette handeling moeten worden aangemerkt, waardoor te dien aanzien slechts een strafbepaling wordt toegepast.

De rechtbank acht voorts het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel onnodig, nu zij de kans op recidive als laag inschat. Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden passend en geboden.

9 BENADEELDE PARTIJEN

9.1

Menzis Zorgverzekeraar N.V.

Menzis Zorgverzekeraar N.V. (hierna: Menzis) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 18.303,81. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

9.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering hoofdelijk wordt toegewezen tot het bedrag waarvan de directe betrokkenheid van verdachte vastgesteld kan worden, te weten een bedrag van € 7.694,62, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Primair heeft zij hiertoe verzocht gelet op de door haar bepleite vrijspraken. Subsidiair acht zij de beoordeling van de vordering een te zware belasting voor het strafrechtelijk geding, nu een causaal verband tussen de specifieke schadebedragen en een eventueel toe te kennen aandeel van verdachte aan de ten laste gelegde feiten/benadelingshandelingen ontbreekt. Meer subsidiair heeft zij gewezen op het ontbreken van een machtiging, waardoor niet vastgesteld kan worden dat de heer Baan gemachtigd is om de vordering namens Menzis in te dienen.

Mocht de rechtbank overgaan tot de inhoudelijke behandeling van de vorderingen, dan heeft de raadsvrouw verzocht verdachte niet verantwoordelijk te houden voor de wel inbare vorderingen en de vorderingen waarvoor verdachte niet direct verantwoordelijk kan worden gehouden op basis van het dossier. Daarnaast dienen de vorderingen te worden verminderd met de terugbetalingen die reeds zijn gedaan aan de verzekeringsmaatschappijen.

9.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit het dossier volgt dat de heer [A] namens de benadeelde partij Menzis gemachtigd is op te treden. De gemachtigde [A] heeft ter zitting verzocht de schriftelijke vordering benadeelde partij in zijn geheel te handhaven. Hij heeft voorts ter zitting aangegeven dat bij één ontvanger, de verzekerde [I] / [H] , inmiddels een bedrag van € 320,- is verhaald.

De rechtbank acht de vordering, gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het feit en de in de vordering gegeven toelichting, voldoende onderbouwd.

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op een bedrag van € 7.694,62. De rechtbank komt tot dit bedrag, nu zij verdachtes directe betrokkenheid aan de uitgekeerde bedragen aan verzekerden [I] / [H] (€ 2.395,46 minus de reeds verhaalde € 320,- = € 2.075,46) , [Z] / [T] (€ 2.932,76) en [J] /Gog (€ 2.686,40) bewezen acht.

De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 februari 2012.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk tot het toegewezen bedrag van € 7.694,62.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

9.2

Coöperatie VGZ U.A.

Coöperatie VGZ U.A. (hierna: VGZ) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 20.851,02. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.

9.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering hoofdelijk wordt toegewezen tot het bedrag waarvan de directe betrokkenheid van verdachte vastgesteld kan worden, te weten een bedrag van € 2.344,27, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Primair heeft zij hiertoe verzocht gelet op de door haar bepleite vrijspraken. Subsidiair acht zij de beoordeling van de vordering een te zware belasting voor het strafrechtelijk geding, nu een causaal verband tussen de specifieke schadebedragen en een eventueel toe te kennen aandeel van verdachte aan de ten laste gelegde feiten/benadelingshandelingen ontbreekt. Meer subsidiair heeft zij gewezen op het ontbreken van een machtiging, waardoor niet vastgesteld kan worden dat mevrouw Jacobs gemachtigd is om de vordering namens VGZ in te dienen.

Mocht de rechtbank overgaan tot de inhoudelijke behandeling van de vorderingen, dan heeft de raadsvrouw verzocht verdachte niet verantwoordelijk te houden voor de wel inbare vorderingen en de vorderingen waarvoor verdachte niet direct verantwoordelijk kan worden gehouden op basis van het dossier. Daarnaast dienen de vorderingen te worden verminderd met de terugbetalingen die reeds zijn gedaan aan de verzekeringsmaatschappijen.

9.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende.

De vordering is ingediend door mevrouw [Y] namens VGZ. De rechtbank kan uit het dossier noch uit het voegingsformulier of de bijlagen afleiden dat [Y] gemachtigd is om de vordering namens VGZ in te dienen. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen dat Jacobs namens VGZ bevoegd was tot het indienen van een vordering. Verder acht de rechtbank het een onevenredige belasting van het strafproces om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen om [Y] alsnog in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken.

Het vorenstaande brengt met zich dat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 56, 57, 225, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

Benadeelde partij Menzis

- wijst de vordering van Menzis deels toe tot een bedrag van € 7.694,62, bestaande uit materiële schade;

- wijst de vordering van Menzis voor wat betreft het meer gevorderde af;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan Menzis van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2012 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van Menzis aan de Staat € 7.694,62 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2012 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 73 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij VGZ

- verklaart de benadeelde partij VGZ niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bos, voorzitter, mrs. J. Ebbens en B.G.W.P. Heijne, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. den Haan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 augustus 2018.

Mr. G.A. Bos is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij, in of omstreeks de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 februari 2012,

te Almere en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om

zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

(telkens) door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid

en/of het aanwenden van (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

een of meer zorgverzekeraars (te weten Achmea Divisie Zorg en Gezondheid

en/of Agis Zorgverzekeringen N.V. en/of Menzis Zorgverzekeraar N.V. en/of

Coöperatie VGZ UA en/of CZ Groep Zorgverzekeraars)

heeft bewogen tot de (girale) afgifte van (een) geldbedrag(en) (van in totaal

ongeveer Euro 185.340,52, althans ongeveer Euro 59.317,33), in elk geval van

enig goed, en/of tot het tenietdoen van (een) inschuld(en)

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) met vooromschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

- tandartsfacturen opgemaakt en/of verzonden aan (voornoemde)

zorgverzekeraar(s) en/of

- declaratieformulieren ingevuld en/of ondertekend en/of verzonden aan

(voornoemde) zorgverzekeraar(s) en/of

- aangegeven en/of voorgedaan dat de (in deze tandartsfacturen en/of

declaratieformulieren genoemde) verzekerden een behandeling hadden ondergaan

en/of (zorg)kosten hadden gemaakt bij [tandartspraktijk 1] B.V. en/of

[tandartspraktijk 2] B.V.

waardoor voornoemde zorgverzekeraar(s) (telkens) werd(en) bewogen tot

bovenomschreven afgifte(n) en/of tot het teniet doen van (een) inschuld(en);

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij, in of omstreeks de periode van 9 april 2010 tot en met 12 december 2011,

te Almere en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (van het plegen van witwassen

een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn

mededader(s))

een of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer Euro 38.771,33), althans

een of meer voorwerp(en), gebruikt en/of overgedragen en/of verworven en/of

voorhanden gehad en/of omgezet

terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven

voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit

enig misdrijf;

art 420ter Wetboek van Strafrecht jo.

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3.

hij, in of omstreeks de periode van 24 maart 2010 tot en met 20 juni 2011 te

Almere en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een of meer) valselijk opgemaakte

en/of vervalste geschriften die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit

te dienen, als ware(n) deze echt en onvervalst,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (een of meer)

valse of vervalste tandartsfacturen en/of declaratieformulieren, te weten:

- ( D-197:) een factuur (d.d. 24 maart 2010) van [tandartspraktijk 2]

B.V. aan [verdachte] en/of een declaratieformulier voor een bedrag van

Euro 735,84 en/of

- ( D-110:) een factuur (d.d. 1 juni 2010) van [tandartspraktijk 2] B.V.

aan [getuige 4] en/of een declaratieformulier voor een bedrag van Euro

1.921,58 en/of

- ( D-198:) een factuur (d.d. 3 januari 2011) van [tandartspraktijk 1] B.V.

aan [verdachte] voor een bedrag van Euro 2.895,83 en/of

- ( D-076:) een factuur (d.d. 4 januari 2011) van [tandartspraktijk 1] B.V.

aan [getuige 5] en/of een declaratieformulier (d.d. 8 april 2011) voor een

bedrag van Euro 2.552,92 en/of

- ( D-092:) een factuur (d.d. 3 januari 2011) van [tandartspraktijk 1] B.V.

aan [getuige 6] en/of een declaratieformulier (d.d. 20 juni 2011) voor een

bedrag van Euro 2.950,79

(telkens) verzonden en/of laten inzenden aan een of meer zorgverzekeraars,

bestaande die valsheid en/of vervalsing hieruit dat op die tandartsfacturen

en/of declaratieformulieren, (telkens) valselijk en/of in strijd met de

waarheid was vermeld dat de (op deze tandartsfacturen en/of

declaratieformulieren genoemde) verzekerden een behandeling hadden ondergaan

en/of (zorg)kosten hadden gemaakt (bij [tandartspraktijk 1] B.V. en/of

[tandartspraktijk 2] B.V.)

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende FIOD-dossier, nummer 52607, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (doorgenummerd blz. 1 tot en met 1509). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. V staat voor proces-verbaal verhoor verdachte, G staat voor proces-verbaal verhoor getuige. Waar wordt verwezen naar DOC betreft het andere geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering.

2 Een gezamenlijke aangifte verklaring van Achmea, AGIS, MENZIS, VGZ en CZ van 14 februari 2013, D-001, blz. 435-447 (+ bijlagen A tot en met E).

3 Een geschrift, inhoudende een herziende Excel-lijst met daarop de namen van verzekerden en ingediende facturen bij de zorgverzekeraars, DOC-131B, blz. 956-957.

4 Een geschrift, inhoudende een Excel-lijst met daarop de namen van verzekerden en ingediende facturen bij de zorgverzekeraars, DOC-131, blz. 951-952.

5 Een geschrift, inhoudende een Excel-lijst met daarop de namen van verzekerden en facturen van de zorgverzekeraars, DOC-131A, blz. 953-956.

6 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 25 november 2014, G01-001, blz. 214.

7 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 25 november 2014, G01-001, blz. 215.

8 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 21 april 2015, G01-002, blz. 217.

9 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 21 april 2015, G01-002, blz. 218.

10 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 21 april 2015, G01-002, blz. 219.

11 Een geschrift, inhoudende een factuur van 24 maart 2010, D-197, blz. 1390.

12 Een geschrift, inhoudende een factuur van 3 januari 2011, D-198, blz. 1394.

13 Een geschrift, inhoudende een factuur van 23 november 2010, D-088 1/3 t/m 3/3, blz. 796-798.

14 Een geschrift, inhoudende een declaratieformulier van 15 november 2010, D-161, blz. 1136.

15 Een geschrift, inhoudende een rekeningafschrift van 17 december 2010, D-183 2/9, blz. 1188.

16 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 5 februari 2015, V019-01, blz. 159.

17 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 5 februari 2015, V019-01, blz. 159.

18 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 5 februari 2015, V019-01, blz. 161.

19 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 5 februari 2015, V019-01, blz. 162.

20 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 5 februari 2015, V019-01, blz. 163.

21 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 14 april 2015, V019-02, blz. 167.

22 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 14 april 2015, V019-02, blz. 168.

23 Een geschrift, inhoudende een declaratieformulier van 5 november 2010, D-018, blz. 501.

24 Een geschrift, inhoudende een factuur van 10 november 2010, D-087, blz. 792-795.

25 Een geschrift, inhoudende een rekeningafschrift van 12 juli 2012, D-156, blz. 1128.

26 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 3] van 13 januari 2015, V016-01, blz. 140.

27 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 3] van 13 januari 2015, V016-01, blz. 140.

28 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 3] van 13 januari 2015, V016-01, blz. 141.

29 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 3] van 13 januari 2015, V016-01, blz. 141.

30 Een geschrift, inhoudende een factuur van 1 juni 2010, D-110, blz. 880-883.

31 Een geschrift, inhoudende een rekeningafschrift van 25 juni 2010, D-185, blz. 1203.

32 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 4] van 12 februari 2015, V024-01, blz. 189.

33 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 4] van 12 februari 2015, V024-01, blz. 190.

34 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 4] van 12 februari 2015, V024-01, blz. 192.

35 Een geschrift, inhoudende een factuur van 4 januari 2011, D-076 2/6 e.v., blz. 756-759.

36 Een geschrift, inhoudende een declaratieformulier van 8 april 2011, D-076 1/6, blz. 755.

37 Een geschrift, inhoudende een rekeningafschrift van 27 april 2011, D-194 36/73, blz. 1336.

38 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 5] van 27 november 2014, V009-01, blz. 112.

39 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 5] van 27 november 2014, V009-01, blz. 113.

40 Een geschrift, inhoudende een factuur van 3 januari 2011, D-092 2/8 t/m 4/8, blz. 809-811.

41 Een geschrift, inhoudende een declaratieformulier van 20 juni 2011, D-092 1/8, blz. 808.

42 Een geschrift, inhoudende een rekeningafschrift van 20 juli 2011, D-194 47/73, blz. 1347.

43 Een geschrift, inhoudende een rekeningafschrift van 20 juli 2011, D-194 47/73, blz. 1348.

44 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 6] van 26 november 2014, V008-01, blz. 107.

45 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 6] van 26 november 2014, V008-01, blz. 108.

46 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 6] van 26 november 2014, V008-01, blz. 109.

47 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 6] van 26 november 2014, V008-01, blz. 109.

48 Een geschrift, inhoudende een factuur van 24 maart 2010, D-0197 2/4, blz. 1390.

49 Een geschrift, inhoudende een declaratieformulier van 25 maart 2010, D-0197 1/4, blz. 1389.

50 Een geschrift, te weten een afrekeningsspecificatie van AGIS van 1 april 2010, D-0197 3/4 blz. 1391.

51 Een geschrift, inhoudende een rekeningafschrift van 9 april 2010, D-203, blz. 1408.

52 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 14 april, V002-01, blz. 94.

53 Een geschrift, inhoudende een factuur van 3 januari 2011, D-0107 1 t/m 3/13, blz. 861-863.

54 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 8] van 16 december 2014, V015-01, blz. 137.

55 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 8] van 16 december 2014, V015-01, blz. 137.

56 Een geschrift, inhoudende een declaratieformulier van 28 mei 2011, D-0162, blz. 1137.

57 Een geschrift, te weten een factuur van [tandartspraktijk 1] B.V. van 4 januari 2011,DOC-099 1 t/m 3.

58 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 9] van 10 februari 2015, V-23-01, blz. 183.

59 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 9] van 10 februari 2015, V-23-01, blz. 184.

60 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 9] van 10 februari 2015, V-23-01, blz. 185.

61 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 7] van 13 februari 2015, V-27-01, blz. 198.

62 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 7] van 13 februari 2015, V-27-01, blz.200.

63 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 7] van 13 februari 2015, V-27-01, blz.201.

64 Een geschrift, te weten een BlueView mutatie van 18 april 2014, D-024 1/8 t/m 8/8, blz. 515-522.

65 Dit betreft de door [verdachte] zelf ingediende nota, DOC-197. Staat niet beschreven in het overzicht van D-195 blz. 1390, maar voor het overzicht is het hier opgenomen.

66 Een geschrift, inhoudende een Excel-lijst met daarop de namen van verzekerden en facturen van de zorgverzekeraars, inclusief uitbetaalde bedragen, DOC-211, blz. 1506-1508.

67 Een geschrift, te weten een Excel lijst van de bankrekening van [verdachte] , DOC-195, blz. 1374.

68 Een geschrift, te weten een analyse van een bankrekening gedaan door de FIOD, overzichtpv. blz. 50.

69 Een geschrift, te weten een analyse van een bankrekening gedaan door de FIOD, overzichtpv. blz. 51.