Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3905

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
16/700079-16 (P) en 99/000337-50 (herroeping VI)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 37-jarige man uit Zwijndrecht is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf voor het voorhanden hebben van vuurwapens. De man liet zichzelf fotograferen met meerdere Kalasjnikovs en een handvuurwapen.

De verdachte werd in 2016 aangehouden toen hij als passagier in een auto zat. De politie deed onderzoek naar de bestuurder van de auto in verband met een moordzaak. In de auto werden meerdere telefoons gevonden, waaronder die van de verdachte. Op die telefoon vond de politie 10 foto’s waarop de man poseerde met Kalasjnikovs en een handvuurwapen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de man op de dag dat de foto’s gemaakt zijn de wapens voorhanden had. Dat de verdachte niet de eigenaar is van de wapens maakt dit niet anders. Hij wordt vrijgesproken van het voorhanden hebben van de wapens over een langere periode.

De foto’s zijn gemaakt in Nieuwegein. De verdachte heeft verklaard dat hij op bezoek was bij een vriend van de bestuurder van de auto. Toen hij in de keuken iets te drinken wilde halen zag hij een tas met de vuurwapens. Hij heeft zichzelf toen met de wapens laten fotograferen omdat hij dit stoer vond.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar landelijke oriëntatiepunten voor wapenbezit en het strafblad van de man. Hij is vaker in aanraking geweest met politie en justitie en is eerder veroordeeld voor een overtreding van de Wet wapens en munitie. Hij moest weten dat het strafbaar was om een foto te maken met wapens en had de situatie uit de weg moeten gaan door bijvoorbeeld de woning te verlaten. Dit soort wapens dienen geen ander doel dan anderen in de samenleving te bedreigen, te verwonden of te doden. Omdat de verdachte al in 2016 werd aangehouden is er volgens de rechtbank een overschrijding van de redelijke termijn. De straf valt daarom lager uit dan de 22 maanden die de officier van justitie geëist heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/700079-16 (P) en 99/000337-50 (herroeping VI)

Vonnis van de meervoudige kamer van 17 augustus 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1981] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A. Drogt en van hetgeen verdachte en mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 19 maart 2016 te Rotterdam/Amsterdam/Nieuwegein/Zwijndrecht één of meer wapens van categorie II en/of III (type aanvalsgeweer Kalashnikov en een handvuurwapen) voorhanden heeft gehad.

feit 2: in de periode van 19 maart 2016 tot en met 12 april 2016 in Nieuwegein/Zwijndrecht/Amsterdam één of meer wapens van categorie II te weten één of meerdere aanvalsgeweren (type Kalashnikov) voorhanden heeft gehand.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de inbeslagname van de mobiele telefoon van verdachte en het onderzoek aan die telefoon onrechtmatig zijn geweest. Verdachte is samen met medeverdachte [medeverdachte] weliswaar op 12 april 2016 aangehouden omdat zij in de auto bij [A] zaten, maar zij hadden met de moordzaak waarvoor [A] werd aangehouden niets te maken. Uit het proces-verbaal blijkt volgens de raadsvrouw niet wat de reden is geweest om de telefoon in beslag te nemen. Er was geen wettelijke basis om de telefoon in beslag te nemen, in beslag te houden na heenzending van de verdachte en om deze te onderzoeken. Alles wat voortvloeit uit de inbeslagname en het onderzoek mag naar het standpunt van de verdediging niet worden gebruikt voor het bewijs. Dat zijn dus ook de foto’s waarop verdachte te zien is met de wapens in zijn handen. Deze foto’s vormen de enige rechtstreekse link van verdachte naar de wapens.

Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat met het onderzoek aan de telefoon van verdachte een inbreuk is gemaakt op zijn privacy, zoals beschermd door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij heeft zij verwezen naar 4 arresten van de Hoge Raad. Alle gegevens van de inbeslaggenomen telefoon zijn veilig gesteld en opgeslagen en daarmee is er een méér dan beperkte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Ook om deze reden mogen de aangetroffen foto’s waarop verdachte met wapens te zien zou zijn niet voor het bewijs worden gebruikt zodat verdachte ook om die reden moet worden vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw verder betoogd dat de verklaring van verdachte dat de wapens niet van hem zijn en dat hij kort met de wapens heeft geposeerd om op de foto te gaan, onvoldoende is voor een bewezenverklaring van ‘voorhanden hebben’. De raadsvrouw verwijst naar vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:CA0390) en van 19 juli 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:5135).

Subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van het (hand)vuurwapen betoogd dat niet van de foto kan worden afgeleid dat het gaat om een wapen zoals ten laste is gelegd.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw voorts betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte meer betrokkenheid bij de wapens heeft gehad dan het fotomoment op 19 maart 2016. Dat zijn telefoon zendmasten in Nieuwegein in de buurt van de woning van [B] aanstraalde, is daartoe onvoldoende. Ook dat hij op meerdere momenten in het gezelschap van [A] was, zegt niets over het voorhanden hebben van wapens.

De vingerafdruk op de tas van de mediamarkt kan erop zijn gekomen toen verdachte de tas met de wapens op 19 maart 2016 heeft bekeken. De wapens zaten bij de doorzoeking van de woning van [B] niet in die tas. Op een Glock die op 12 april 2016 bij [medeverdachte] is aangetroffen zat DNA-materiaal waarvan verdachte niet als donor kon worden uitgesloten. Dit kan worden verklaard door het feit dat verdachte meerdere wapens heeft gezien bij het maken van de foto’s op 19 maart 2016. De betreffende Glock kan daarbij hebben gezeten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.

De rechtbank volgt de raadsvrouw in haar betoog dat uit het procesdossier geen bewijs volgt voor het feit dat verdachte in de periode van 20 maart 2016 tot en met 12 april 2016 Kalashnikovs voorhanden heeft gehad. Dat verdachte meermaals in de buurt is geweest van de woning waar deze wapens zijn aangetroffen, is daarvoor onvoldoende.

Feit 1: bespreking rechtmatigheidsverweren

Ten aanzien van het aangevoerde rechtmatigheidsverweer omtrent de inbeslagname van en het onderzoek aan de telefoon van verdachte overweegt de rechtbank als volgt. Op 12 april 2016, toen [A] werd aangehouden door de politie, zaten zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] bij [A] in de auto en zijn van hen beiden de telefoons in beslaggenomen en uiteindelijk ook onderzocht. De medeverdachte [medeverdachte] is bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juli 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:6069) – waarin hij werd bijgestaan door dezelfde raadsvrouw als verdachte – veroordeeld voor het voorhanden hebben van vuurwapens. De raadsvrouw heeft in de zaak van de medeverdachte in eerste aanleg en in hoger beroep vergelijkbare rechtmatigheidsverweren omtrent de inbeslagname van en het onderzoek aan de telefoon naar voren gebracht. Deze verweren zijn door het Hof verworpen. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw gemeld dat tegen het arrest van het gerechtshof cassatie is ingesteld. Zij heeft - op vraag van de rechtbank – niet expliciet naar voren gebracht waarom het oordeel van het gerechtshof onjuist of onvoldoende gemotiveerd zou zijn.

De rechtbank onderschrijft hetgeen het Hof in dat arrest heeft overwogen en geoordeeld.

Ten aanzien van het primaire standpunt van de verdediging dat de inbeslagname van de mobiele telefoon en het daaropvolgende onderzoek aan die telefoon onrechtmatig zouden zijn, is de rechtbank van oordeel dat dit verweer moet worden verworpen.

Verdachte is op 12 april 2016 aangehouden omdat hij in de auto zat bij [A] die ter zake van betrokkenheid bij een moord werd aangehouden. De mobiele telefoons van [A] , verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn vervolgens op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering in beslag genomen en onderzocht. Gelet op de verdenking van het strafbare feit waarvoor [A] is aangehouden, is deze inbeslagname rechtmatig geweest. Voor inbeslagneming waren ook vatbaar voorwerpen die niet direct aan [A] toebehoorden. De officier van justitie heeft voorts gemeld dat na aanhouding door het arrestatieteam moest worden uitgezocht welke telefoon bij welke persoon hoorde. De telefoon van verdachte kan ook om die reden onderzocht worden. De heenzending van verdachte maakt dit niet anders. De rechtbank concludeert dat de inbeslagname van de telefoon rechtmatig is geweest.

Met betrekking tot het onderzoek dat aan de telefoon heeft plaatsgevonden overweegt de rechtbank als volgt. De volgende overweging van de Hoge Raad in het arrest van 4 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:588) is daarbij van belang.

“Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.”

Uit het dossier blijkt niet meer dan dat de politie een aantal afbeeldingen die op de telefoon en/of SD-kaart stonden heeft bekeken. Daaruit volgt niet dat er een verdergaand onderzoek heeft plaatsgevonden. Van een onderzoek dat zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is gekregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van verdachte is niet gebleken. Met het onderzoek aan de telefoon van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte gemaakt. De algemene bevoegdheid van artikel 94 in samenhang met artikel 95 en 96 van het Wetboek van Strafvordering biedt voor dit onderzoek een voldoende wettelijke grondslag. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

Bewijsmiddelen 1

Verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard:

“De aangetroffen foto’s stonden inderdaad op mijn telefoon, een Samsung Galaxy S4. Ik ben degene die op de foto’s staat en het waren naar mijn weten echte wapens. Het adres weet ik niet, maar het was in Nieuwegein. Ik was in huis bij een vriend van meneer [A] . Ik ging naar de keuken om drinken te pakken en toen zag ik een big shopper met wapens erin. Dat zijn de wapens waarmee ik op de foto sta. Ik heb aan die wapens gezeten en toen heb ik gevraagd of ik er mee op de foto mocht. Alle wapens waarmee ik op de foto sta, lagen in die big shopper die ik in die woning zag.”2

Op 12 april 2016 is door de hulpofficier van justitie een Samsung mobiele telefoon, model Galaxy S4, type GT-I9505 in beslag genomen en gelabeld met SIN-nummer AAGR7374NL.3

Door verbalisant [verbalisant 1] is een onderzoek ingesteld naar de gegevens van een Samsung GT-I9505 Galaxy S4 met SIN-nummer AAGR7374NL en bijbehorende SD-kaart met hetzelfde SIN-nummer. De verbalisant heeft geverbaliseerd dat er onder meer 10 afbeeldingen zijn aangetroffen waarop een man te zien is, gekleed in een donkere broek en een donkergekleurd t-shirt voorzien van lichte opdruk. De man heeft een lichtgetinte huidskleur en draagt donkere handschoenen en hij heeft donkere gelaatsbedekking.4 De man heeft op alle afbeeldingen wapens in zijn handen of tussen zijn broeksband. De wapens die de man steeds in zijn handen vasthoudt, betreffen automatische vuurwapens, gelijkend op een Kalashnikov. Verbalisant heeft voorts geverbaliseerd dat uit de veiliggestelde informatie van de afbeeldingen is af te lezen dat de afbeeldingen zijn gemaakt met een Samsung, type I9505 op 19 maart 2016.5

Bij het proces-verbaal zijn de afbeeldingen als bijlage gevoegd. Zie bijvoorbeeld afbeelding 1.6

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt dat verdachte zoals uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen blijkt door de wapens op 19 maart 2016 in zijn handen te nemen en daarmee voor foto’s te poseren, deze wapens op dat moment voorhanden heeft gehad. Door met de wapens in zijn handen op verschillende manieren te poseren en daarvan foto’s te (laten) maken, heeft verdachte de beschikkingsmacht gehad over de wapens en daarmee artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie overtreden. Dat verdachte stelt niet de eigenaar te zijn van de wapens en er verder niets vanaf te weten, maakt dit niet anders. Ten aanzien van het (hand)vuurwapen overweegt de rechtbank dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat de wapens naar zijn weten echt waren. Voorts is het wapen voldoende duidelijk zichtbaar op de in verdachtes telefoon aangetroffen afbeeldingen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1: op 19 maart 2016 in de gemeente Nieuwegein wapens van categorie II en een wapen van categorie III te weten

- meerdere vuurwapens, type aanvalsgeweer (kalashnikov) (categorie II) en

- een handvuurwapen (categorie III) voorhanden heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1. meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 22 maanden, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Het gegeven dat verdachte enkel heeft geposeerd voor de foto’s met de wapens moet worden meegenomen in de strafmaat. Verdachte heeft de wapens die nacht slechts zeer kort voorhanden gehad en niet meer dan dat. Er moet rekening mee worden gehouden dat het feit inmiddels bijna 2,5 jaar geleden heeft plaatsgevonden. In de tussenliggende periode hebben zich geen soortgelijke feiten voorgedaan. De raadsvrouw betoogt dat de 2 weken die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zouden moeten volstaan als onvoorwaardelijke straf met daarnaast een voorwaardelijk deel.

Ten aanzien van de herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering zou moeten worden afgewezen gelet op de ouderdom van de zaak.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Strafmaat

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte wordt schuldig bevonden aan het voorhanden hebben van in totaal drie vuurwapens. Dit is een ernstig feit. Het onbevoegd voorhanden hebben van dergelijke wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en tast de veiligheid van de samenleving ernstig aan. Dergelijke wapens dienen geen ander doel dan anderen in onze samenleving te bedreigen, te verwonden of te doden. Het is niet voor niets dat hiervoor doorgaans lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om dat in dit geval niet te doen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij, mede gelet op zijn strafrechtelijk verleden, totaal geen inzicht heeft getoond in het gevaar dat dergelijke wapens met zich meebrengen. In plaats daarvan heeft verdachte deze wapens niet alleen vast gehad en daarmee geposeerd, maar daar ook nog verschillende foto’s van gemaakt omdat hij dat ‘stoer’ vond.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden en voor het voorhanden hebben van een pistool of revolver van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

Ten nadele van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 20 juni 2018 eerder is veroordeeld voor strafbare feiten waaronder een overtreding van de Wet wapens en munitie. Dat verdachte niet wist dat het niet strafbaar was om een foto te maken met wapens, acht de rechtbank dus niet aannemelijk. Daarnaast heeft verdachte een redelijk uitgebreide documentatie waaruit blijkt dat hij vele malen met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank rekent het verdachte daarom aan dat hij de betreffende situatie niet heeft voorkomen door bijvoorbeeld weg te gaan uit de woning.

Verder houdt de rechtbank rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en met het feit dat het gaat om een al wat oudere zaak. Er is een overschrijding van de redelijke termijn van 1 maand.

Gelet op de aard en ernst van het feit en het strafblad van verdachte kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden passend en geboden is.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

De officier van justitie heeft de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gevorderd (parketnummer 02/821009-14, VI-nummer 99/000337-50). Verdachte is op 9 juni 2015 bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van deze straf is op 18 november 2015 voorwaardelijke invrijheidstelling verleend. Deze beslissing is op 27 november 2015 aan verdachte betekend. De duur van de voorwaardelijke invrijheidstelling bedraagt 117 dagen.

Verdachte heeft tijdens de proeftijd opnieuw een strafbaar feit gepleegd. De rechtbank zal de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen, omdat de algemene voorwaarde is overtreden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de vordering niet of slechts gedeeltelijk te herroepen.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    15g, 15i, 15j, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het in rubriek 5 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 21 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

- wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog geheel wordt ondergaan, te weten voor de duur van 117 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mrs. I.J.B. Corbeij en

C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.L. de Gier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 augustus 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 19 maart 2016 in de gemeente Rotterdam en/of Amsterdam

en/of Nieuwegein en/of Zwijndrecht en/of elders in Nederland een of meer

wapens van categorie II en/of III, te weten

- één of meerdere vuurwapen(s), type aanvalsgeweer (Kalashnikov) (categorie

II) en/of

- een (hand)vuurwapen (categorie II en/of III), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

2. hij in of omstreeks de periode van 19 maart 2016 tot en met 12 april 2016 in

de gemeente Nieuwegein en/of Zwijndrecht en/of Amsterdam en/of elders in

Nederland een of meer wapens van categorie II, te weten één of meerdere

aanvalsgewe(e)r(en) (type Kalashnikov), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 6 februari 2017, genummerd 2015274558, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 368. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van terechtzitting op 3 augustus 2018;

3 Kennisgeving van inbeslagneming van [verbalisant 2] , pagina 1;

4 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , pagina 137;

5 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , pagina 138;

6 Een schriftelijk bescheid, zijnde een bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , pagina 140;