Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3870

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
16/660597-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Als bestuurder van een auto veroorzaken van een botsing na festivalbezoek (artikel 5 Wegenverkeerwet). Voorafgaand gebruik middelen en verwijtbare wetenschap daarvan (artikel 8 Wegenverkeerswet).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/660597-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 17 augustus 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1984] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. P.E.F. Poppe en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M.T. De Vaal, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 22 augustus 2016 te Biddinghuizen

1: zijn personenauto naar de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer heeft gestuurd, waardoor hij met zijn voertuig frontaal op/tegen een personenauto is gebotst, door welke gedraging gevaar op de weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

2: als bestuurder van een voertuig dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten amfetamine en/of GHB, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1:

Uit verklaringen van getuigen die rondom het tijdstip van de botsing achter de door de verdachte bestuurde auto reden volgt, dat verdachte op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer terechtkwam, terwijl er geen reden voor hem was om uit te wijken. Dit wordt ondersteund door het verkeerstechnisch sporenonderzoek dat is verricht. Door de botsing die vervolgens ontstond met een tegemoetkomende auto zijn de twee kinderen die in die tegemoetkomende auto zaten alsmede de bestuurder van die auto zwaar gewond geraakt.

Ten aanzien van feit 2:

Bij verdachte is nadat de botsing plaatsvond bloed afgenomen en dit is op de aanwezigheid van alcohol en andere stoffen onderzocht. Het NFI heeft geconcludeerd dat er (onder meer) amfetamine en GHB in zijn bloed aanwezig waren. Deze twee stoffen werken bovendien op elkaar in, zodat deze stoffen de rijvaardigheid nog meer beïnvloedden. De bestuurder van de auto die achter verdachte reed heeft verklaard dat het erop leek alsof verdachte in slaap viel. Die indruk past ook bij het gebruik van voornoemde middelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman opgemerkt dat de reden van het ongeval zo goed als vaststaat, maar de reden waarom hij op de linker baan reed niet.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de waarde aan amfetamine laag was en dat het NFI heeft geconcludeerd dat dit de rijvaardigheid waarschijnlijk nadelig heeft beïnvloed; het is alleen niet vast te stellen. Er is een lage concentratie GHB in het bloed aangetroffen die de rijvaardigheid waarschijnlijk nadelig heeft beïnvloed, maar ook hiervan is dat dus niet vast te stellen. Verdachte ontkent bewust GHB tot zich te hebben genomen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

In het ‘Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse’ is, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende vermeld.

Op 22 augustus 2016 heeft er op de Harderbosweg te Biddinghuizen een frontale botsing plaatsgevonden tussen twee auto’s. De bestuurder van de personenauto, merk Opel, type Agila, reed kort voor het ongeval naar links en reed vervolgens op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer en botste daar frontaal op de tegemoetkomende personenauto met caravan. Alle betrokkenen raakten gewond en alle betrokken voertuigen werden zwaar beschadigd. Tijdens het onderzoek is niet gebleken dat de aanrijding het gevolg was van de weersgesteldheid, de infrastructuur, een technisch gebrek aan één van de voertuigen of een ernstige overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid.2

Verdachte heeft, zakelijk weergegeven, onder meer verklaard:

‘Ik ben naar het festival Lowlands geweest en toen ik na afloop weer naar huis ging, ben ik met mijn auto in botsing gekomen met een ander voertuig. Tijdens mijn bezoek aan Lowlands heb ik cocaïne gebruikt. De ochtend van de dag van vertrek heb ik tijdens het opruimen misschien iets gedronken uit een verkeerd flesje. Het had gewaaid en er lagen daar flesjes door elkaar op de grond. Ik weet dat er veel mensen op dat festival GHB gebruiken.’3

Getuige [getuige 1] heeft onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

‘Ik was de bestuurder. Wij reden met ons vieren op onze eigen weghelft. Tussen een rij auto’s uit kwam een auto op onze weghelft. Binnen twee seconden was het gebeurd en was de botsing een feit. Mijn auto is bijna frontaal aangereden, de andere auto was volgens mij bijna helemaal op mijn weghelft.’4

Getuige [getuige 2] heeft onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

‘Voor ons reed een auto. Deze auto ging plotseling van de rechter naar de linker rijstrook. Ik weet niet waarom dit was, er was echt geen aanleiding. Er reed niemand voor die auto. Ik zag dat de auto frontaal op een tegenligger reed, te weten een auto met caravan.’5

In het rapport betreffende het ‘Toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een vermoedelijke overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet’ van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI-rapport) staat onder meer het volgende:

Het gebruik van amfetamineachtige stoffen kan de rijvaardigheid nadelig beïnvloeden door onder andere vermindering van oplettendheid en van onjuiste risico-inschatting. Werkzame concentraties van amfetamine in bloed liggen bij niet-gewende gebruikers doorgaans tussen ongeveer 0,03 en 0,15 mg/l. In het bloed van verdachte is een werkzame concentratie amfetamine gemeten van 0,079 mg/l.

Concentraties van GHB in het bloed tussen ongeveer 10 en 50 mg/l veroorzaken in het algemeen (lichte) duizeligheid en sufheid. In het bloed van verdachte is een concentratie GHB gemeten van 10 mg/l. Dit is een concentratie waarbij doorgaans (lichte) duizeligheid en sufheid op kan treden.

Er wordt geconcludeerd dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig beïnvloed was door de stoffen amfetamine en GHB.6

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewijsoverwegingen feit 1:

Verdachte heeft geen verklaring kunnen geven voor het gegeven dat hij met zijn voertuig op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terecht is gekomen, ten gevolge waarvan een frontale botsing plaatsvond met een tegenligger. Uit de bewijsmiddelen volgt dat er geen van buiten komende oorzaak kan worden aangewezen als oorzaak voor die botsing. Een getuige heeft verklaard dat de auto van verdachte plotseling van de rechter naar de linker rijstrook ging, dat daar echt geen aanleiding voor was en dat het leek alsof de bestuurder van deze auto in slaap was gevallen of onwel was geworden. Bovendien volgt uit het door het NFI verrichte toxicologisch onderzoek dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk – de uiterste variant van de conclusieschaal – nadelig was beïnvloed door de stoffen amfetamine en GHB die in het bloed van verdachte zijn aangetroffen. Uit het voorgaande kan, in onderling verband en samenhang bezien, worden opgemaakt dat er sprake is geweest van een gedraging van verdachte die ervoor heeft gezorgd dat verdachte op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terecht is gekomen, terwijl hij onder invloed van verdovende middelen was. Hierna is de botsing met een tegenligger gevolgd. Met die gedraging is de verwijtbaarheid ervan gegeven. De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 5 omschreven.

Bewijsoverwegingen feit 2:

Voor een bewezenverklaring van een tenlastelegging als de onderhavige is, voor zover hier van belang, beslissend of uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte onder zodanige invloed van de desbetreffende stof(fen) verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Het gaat - met andere woorden - om de vraag of aangenomen mag worden dat de gemiddelde bestuurder in de vastgestelde omstandigheden van het geval niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht en een daarop gegrond ernstig vermoeden dat ook de verdachte niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.

Vast is komen te staan dat in het bloed van verdachte amfetamine en GHB is aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij niet bewust GHB heeft ingenomen. Uit het NFI-rapport volgt dat aangetroffen concentraties boven de 5 mg/l in het bloed wijzen op inname of toediening van GHB. In het bloed van verdachte is een concentratie GHB van 10 mg/l gemeten. Derhalve volgt uit het voorgaande in elk geval dat verdachte – al dan niet bewust – GHB heeft ingenomen.

GHB is tot 6 à 8 uren na inname aantoonbaar in het bloed. Het bloed is die dag om 17.55 uur afgenomen. Dit betekent dat verdachte die dag tussen ongeveer 10.00 uur en 12.00 uur GHB heeft ingenomen. Verdachte heeft verklaard dat het gewaaid had en dat er onder meer diverse flesjes door elkaar op de grond lagen. Voorts heeft hij verklaard dat het goed kan zijn dat hij in die ochtend uit een verkeerd flesje/verkeerde beker – in de betekenis dat het goed mogelijk is dat de daarin aanwezige vloeistof (ook) GHB heeft bevat - heeft gedronken. Tot slot is de verklaarde wetenschap van verdachte van belang, dat hij weet dat er in het algemeen op dat betreffende festival en ook deze keer veel mensen GHB gebruiken. Door onder deze omstandigheden zich er niet van te vergewissen wat de inhoud was van een kennelijk willekeurig door hem gepakt(e) flesje(s)/beker(s) en daar vervolgens uit te drinken, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zich daarin ook de stof GHB bevond, welke kans zich ook heeft gerealiseerd. In dat licht bezien komt de vervolgens in zijn bloed aangetroffen GHB dan ook voor zijn rekening en risico. Aldus komt ook de ten laste gelegde wetenschap voor bewezenverklaring in aanmerking.

De rechtbank acht, gelet op al het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onder invloed van amfetamine en GHB heeft gereden en dat hij onder zodanige invloed van die stoffen verkeerde, dat dit de rijvaardigheid kon verminderen en dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht, en dat verdachte dit redelijkerwijs moest weten. Uit het NFI-rapport volgt dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk – de uiterste variant van de door het NFI gehanteerde conclusieschaal – nadelig was beïnvloed door de stoffen amfetamine en GHB die in het bloed van verdachte zijn aangetroffen. De rechtbank wordt daarin gesterkt door het feit dat verdachte een ongeval heeft veroorzaakt, doordat hij zonder aanleiding daartoe naar links heeft gestuurd en daardoor op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtkwam.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 22 augustus 2016 te Biddinghuizen, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto (merk Opel Agila)), heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Harderbosweg, waarbij hij, verdachte, zijn voertuig naar de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer heeft gestuurd, waardoor hij, verdachte, met zijn voertuig, frontaal tegen een personenauto rijdend op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer is gebotst, door welke gedraging gevaar op die weg werd veroorzaak en het verkeer op die weg werd gehinderd;

2.

op 22 augustus 2016 te Biddinghuizen, als bestuurder van een voertuig, (personenauto (merk Opel Agila)), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten amfetamine en GHB (gamma-hydroxyboterzuur), waarvan hij redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de bestuurder en zijn kinderen zwaar gewond zijn geraakt en dat de bijrijder, de vrouw van de bestuurder, psychische schade heeft overgehouden aan dit ongeval. Verdachte is zelf ook gewond geraakt. Verdachte heeft contact opgenomen met de wederpartij; hij leeft met hen mee. Over het algemeen helpt dit bij de verwerking. De officier van justitie heeft bij de formulering van haar strafeis acht geslagen op de richtlijnen van het openbaar ministerie, waarbij strafverzwarend werkt dat de drugs die verdachte heeft gebruikt, op elkaar inwerken en de rijvaardigheid nog meer nadelig beïnvloeden. De officier van justitie heeft gevorderd:

verdachte ter zake van feit 1 te veroordelen tot:

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM) voor de duur van 2 jaren.

verdachte ter zake van feit 2 te veroordelen tot:

- een taakstraf van 150 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 75 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een deels voorwaardelijke OBM op te leggen en de gevorderde taakstraf te matigen en deze taakstraf eventueel deels voorwaardelijk op te leggen als stok achter de deur. Verdachte betreurt de situatie voor het gezin (de impact en het letsel). Hij heeft ook zelf letsel opgelopen. Het feit is inmiddels bijna twee jaar geleden. Er wordt nog een forse schadeclaim vanuit de verzekeraar verwacht, waar hij vermoedelijk zijn leven lang aan vastzit om dit af te betalen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onmiskenbaar zeer gevaarlijk rijgedrag. Immers, hij heeft als bestuurder van een personenauto op een weg waar een snelheid was toegestaan van 80 kilometer per uur zonder aanleiding naar links gestuurd, waardoor hij met de door hem bestuurde auto op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen. Hierdoor is de door verdachte bestuurde auto frontaal in botsing gekomen met een tegenligger. De gevolgen van de gedraging van verdachte zijn zeer ernstig. Drie van de vier inzittenden van de hem tegemoetkomende personenauto, waaronder twee kinderen, zijn daardoor zwaar gewond geraakt. Bijna twee jaar na het ongeval kampt het gezin dat door de botsing getroffen werd, nog steeds met de gevolgen ervan, zowel psychisch als lichamelijk.

Deze overtreding staat niet op zichzelf. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het misdrijf van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, door een personenauto te besturen, terwijl hij verwijtbaar verkeerde onder invloed van amfetamine en GHB. Daarbij komt, dat verdachte volgens zijn verklaring moe was, en dat aan hem vóór vertrek nog is gevraagd of hij tot behoorlijk besturen in staat was. Ten aanzien van het deelnemen aan het verkeer na het gebruik van drugs overweegt de rechtbank dat het algemeen bekend is dat de concentratie, de waarneming en het reactievermogen door het gebruik van drugs negatief worden beïnvloed. Daaraan doet niet af, dat de verdachte volgens zijn verklaring voorafgaand aan dat besturen van zijn auto niet willens en wetens GHB tot zich heeft genomen.

Persoonlijke omstandigheden

Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte in het verleden blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 20 juni 2018 eerder ter zake van rijden onder invloed met politie en justitie in aanraking is gekomen. Eenmaal is hij door de strafrechter veroordeeld en de andere keer is de zaak door middel van een transactie afgedaan. Weliswaar zijn die veroordeling en die transactie van langer dan vijf jaren geleden, zodat deze in het bestek van de vigerende recidive-uitgangspunten in zoverre niet strafverzwarend meewegen, maar dit doet er niet aan af dat de verdachte op 22 augustus 2016 een gewaarschuwd mens was.

De rechtbank heeft voorts en in het voordeel van de verdachte acht geslagen op hetgeen verdachte en zijn raadsman ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden naar voren hebben gebracht. Ook neemt de rechtbank in ogenschouw dat verdachte zijn medeleven heeft betuigd en vrij snel na het ongeval al in contact is getreden met het gezin dat bij het door hem veroorzaakte ongeval betrokken was. Verdachte is door de botsing zelf ook ernstig gewond geraakt.

Tot slot moet worden betreurd, dat de officier van justitie geen kans heeft gezien de zaak op een eerder moment aan de rechtbank ter beoordeling en beslissing voor te leggen. Dit onwenselijk lange verloop van tijd, gerekend vanaf de datum van het ongeluk is bijzonder ongelukkig, zowel voor de slachtoffers als voor de verdachte.

Op te leggen (bijkomende) straf

De rechtbank kijkt bij de op te leggen straf naar het geheel van de door verdachte gepleegde strafbare gedragingen als verkeersdeelnemer. Hoewel de gevolgen van het onder 1 ten laste gelegde zeer ernstig zijn, moet bij de op te leggen straf gekeken worden naar de ernst van de verweten – en bewezenverklaarde – gedraging, te weten het naar links sturen waardoor hij op de andere weghelft terecht is gekomen. Het zwaartepunt van de strafbare gedragingen ligt voor de rechtbank bij het verkeersmisdrijf van rijden onder invloed van drugs, te weten amfetamine en GHB. Het gecombineerde gebruik van deze stoffen heeft bovendien – hoewel niet kan worden voorspeld in welke mate – een aanvullend nadelig effect op de rijvaardigheid gehad. Het is daarnaast geen gewaagde aanname dat het gebruik van deze stoffen mede van invloed is geweest op het – zonder aanleiding – naar de andere weghelft sturen, ten gevolge waarvan de botsing met een tegenligger volgde, met alle gevolgen van dien.

Alles overwegende acht de rechtbank het opleggen van een OBM voor de duur van in totaal 18 maanden, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De OBM wordt deels voorwaardelijk opgelegd, gelet op veroordelingen in andere, met deze zaak vergelijkbare zaken en ter voorkoming van recidive. Nu het onder 1 bewezenverklaarde een overtreding betreft, dient de rechtbank op de voet van artikel 62 van het Wetboek van strafrecht voor elk van de feiten afzonderlijk een straf/maatregel op te leggen. De rechtbank acht een OBM voor de duur van 6 maanden passend en geboden ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde. Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde acht de rechtbank een OBM van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde het opleggen van een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, passend en geboden.

De duur van de OBM en het aantal uren taakstraf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, zulks gelet op straffen en maatregelen die in vergelijkbare zaken door het openbaar ministerie worden gevorderd en door de strafrechter opgelegd.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    14a, 14b, 14c en 62 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    5, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf ten aanzien van feit 1

  • -

    ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden;

  • -

    bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest;

Oplegging straf ten aanzien van feit 2

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

12 maanden;

- bepaalt dat van de ontzegging een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.M.A. Sinnige, voorzitter, mrs. R. Veldhuisen en E. Slager, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 augustus 2018.

Mrs. Sinnige en Slager als ook mr. Laanstra zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 augustus 2016, te Biddinghuizen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto (merk Opel Agila)), heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Harderbosweg, waarbij hij, verdachte, zijn voertuig naar de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer heeft gestuurd, in elk geval op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen, waardoor hij verdachte, met zijn voertuig, frontaal op/tegen een personenauto rijdend op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer is aangereden/gebotst, door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 22 augustus 2016 te Biddinghuizen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een voertuig, (personenauto (merk Opel Agila)), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten amfetamine en/of GHB (gamma-hydroxyboterzuur), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 3 december 2016, genummerd PL0900-2016258967 opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 87. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 14, hetgeen is vermeld onder ‘Beknopte ongevalsbeschrijving’ en pagina 32.

3 De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 3 augustus 2018.

4 Pagina 76, vanaf de personalia van de getuige: alinea 3. Pagina 77, alinea 3.

5 Pagina 82, vanaf ‘Verklaring getuige’: alinea 2.

6 Pagina 68, hetgeen onder ‘Interpretatie van resultaten’ onder ‘Amfetamine’ en ‘GHB’ vermeld staat. Pagina 69, de eerste twee alinea’s. Pagina 70, hetgeen vermeld staat onder ‘Conclusie’.