Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3792

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-06-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
16-014696-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

inbraken, heling, diefstal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16-014696-18 en 16-050559-18 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 juni 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. H.J. Lambers, van hetgeen mr. C. van Oort, advocaat te Amersfoort, namens verdachte heeft aangevoerd en van hetgeen de benadeelde partij [slachtoffer 1] naar voren heeft gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging met betrekking tot feit 2, parketnummer 16-014696-18, is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16-014696-18

feit 1: in de periode van 20 februari 2017 tot en met 21 februari 2017 te Harmelen samen met anderen uit een woning aan de [adres] verschillende goederen van [slachtoffer 1] heeft gestolen door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

feit 2: in de periode van 22 februari 2017 tot en met 23 februari 2017 te Harmelen primair samen met anderen een auto van [slachtoffer 1] heeft gestolen door middel van een valse sleutel, subsidiair deze auto heeft geheeld;

feit 3: in de periode van 21 februari 2017 tot en met 22 februari 2017 te Montfoort primair samen met anderen kentekenplaten heeft gestolen van [slachtoffer 2] door middel van braak en/of verbreking, subsidiair in de periode van 21 februari 2017 tot en met 23 februari 2017 deze kentekenplaten heeft geheeld;

feit 4: in de periode van 18 januari 2017 tot en met 19 januari 2017 te Montfoort samen met anderen uit een kaaswagen een kassalade van [slachtoffer 3] heeft gestolen door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

feit 5: in de periode van 21 maart 2017 tot en met 22 maart 2017 te Woerden een geldbedrag heeft gestolen door middel van een valse sleutel;

feit 6: in de periode van 20 maart 2017 tot en met 3 april 2017 te Woerden meerdere fietsen heeft geheeld;


16-050559-18

op 26 oktober 2017 te Harmelen samen met anderen een quad en bosmaaiers van [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft gestolen.

De rechtbank nummert het bij de dagvaarding met het parketnummer16-050559-18 ten laste gelegde feit als feit 7.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1, feit 2 primair, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5 en feit 6 en feit 7 ten gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

De officier van justitie acht het onder feit 3 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend te bewijzen en vordert verdachte hiervan vrij te spreken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1, feit 2 primair, feit 3 primair en feit 4 ten laste gelegde. Aangaande feit 2 en feit 3 heeft de raadsvrouw bepleit dat het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ook feit 5 is volgens de raadsvrouw wettig en overtuigend te bewijzen. Met betrekking tot het onder feit 6 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit voor de opzetheling, wel kan de schuldheling wettig en overtuigend bewezen worden. Ten aanzien van het onder feit 7 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw bepleit dat de diefstal van de quad wel bewezen kan worden, maar de diefstal van de bosmaaiers niet en verzoekt verdachte daarom van dat deel van de tenlastelegging vrij te spreken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

feit 1, feit 2 en feit 3:

De hierna weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van diefstal uit zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] tussen 20 februari 2017 omstreeks 21.00 uur en 21 februari 2017 om 09.30 uur. Tussen de genoemde tijdstippen heeft iemand zich toegang verschaft tot de woning. De dader is door inklimmen de woning binnengekomen.2

De weggenomen goederen zijn opgenomen in de bijlage goederen, gevoegd bij de aangifte van [slachtoffer 1] . Hieruit blijkt dat onder meer de volgende goederen zijn weggenomen:

  • -

    een autosleutel behorend bij een Fiat Punto met kenteken [kenteken] ;

  • -

    een autosleutel behorend bij een Toyota;

  • -

    een kentekenbewijs;

  • -

    een peper- en zoutmolen;

  • -

    twee boodschappenpakketten van Emté;

  • -

    dertig blikjes Coca Cola en Fanta;

  • -

    gereedschappen, waaronder een boormachine, een doppenset, een schroefmachine, een bitjesset en een schuurmachine;

  • -

    een Eos spiegelreflexcamera van het merk Canon inclusief twee lenzen en een oplader;

  • -

    een kliko;

  • -

    twee koffers;

  • -

    een Ixus digitale camera van het merk Canon;

  • -

    twee dvd-spelers inclusief twee koptelefoons;

  • -

    een videocamera van het merk Sony;

  • -

    twee paspoorten;

  • -

    twee horloges;

  • -

    drie halskettingen;

  • -

    een e-reader van het merk Sony;

  • -

    een waterkoker;

  • -

    een homecinemaset van het merk Harman Kardon;

  • -

    twee kratten;

  • -

    vier nintendo’s.3

Bij het sporenonderzoek in de woning aan de [adres] te [woonplaats] zijn onder SIN-nummers AAKV4771NL en AAKF2568NL sporen op een half leeg colablikje veiliggesteld. Een spoor op de uitgetrapte peuk van een shaggie is veiliggesteld onder SIN-nummer AAKF2567NL.4

Uit het DNA-onderzoek van het NFI volgt dat alle drie deze sporen, met SIN-nummers AAKF2567NL, AAKV4771NL en AAKF2568NL, afkomstig kunnen zijn van [verdachte] , waarbij de kans dat het DNA matcht met een willekeurig ander persoon dan verdachte kleiner is dan één op één miljard.5

Op de telefoon van verdachte is een WhatsAppgesprek aangetroffen met het telefoonnummer van de winkel [naam winkel] te [vestigingsplaats] . Op 21 februari 2017 heeft verdachte een foto van een homecinemaset naar de winkel gestuurd. Verdachte schreef bij deze foto onder meer ‘Harman/Kardon’.6 Aangever [slachtoffer 1] heeft de bij hem weggenomen homecinemaset op deze foto herkend.7

Op de telefoon van verdachte is de applicatie ‘kentekencheck’ geïnstalleerd. Er is onder meer gezocht op het kenteken van een Fiat Punto, te weten [kenteken] .8

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van diefstal van twee auto’s, waaronder de zwarte Fiat Punto met het kenteken [kenteken] . Dit is gebeurd tussen 21 februari 2017 om 22.30 uur en 22 februari 2017 om 07.45 uur te [woonplaats] . De autosleutels waren eerder al weggenomen bij de diefstal tussen 20 februari 2017 tot en met 21 februari 2017.9

Uit de bijlage goederen, gevoegd bij de aangifte van de diefstal van de auto’s blijkt dat het chassisnummer van de Fiat Punto ZFA199000017133568 betreft.10

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van diefstal van twee kentekenplaten tussen 21 februari 2017 om 23.00 uur en 22 februari 2017 om 14.30 uur te Montfoort. Het gaat om het kenteken

[kenteken] , toebehorend aan zijn Fiat Punto.11

Op 23 februari 2017 omstreeks 05.15 uur is verdachte te Vlist aangetroffen in een Fiat Punto voorzien van het kenteken [kenteken] . Het kenteken was achter de achterruit geklemd. Aan de voorzijde was het kenteken bevestigd met een tie-wrap.12

Het chassisnummer van de Fiat Punto betrof ZFA19900001713568.13

Verdachte heeft verklaard dat hij binnen in de woning aan de [adres] te [woonplaats] is geweest en dat hij door het dakraam naar binnen is gegaan.14

Met betrekking tot het kenteken [kenteken] heeft verdachte verklaard dat hij wist dat er andere kentekenplaten op het voertuig zaten. De vraag of verdachte begreep dat hij zich hierdoor schuldig maakte aan heling beantwoordde hij met ‘ja’.15

Bewijsoverwegingen

feit 1:

Verdachte heeft verklaard dat hij in de woning aan de [adres] te [woonplaats] is geweest omdat hij op dat moment niet bij [E] terecht kon en hij die nacht toch een dak boven zijn hoofd wilde hebben. Toen hij later die nacht naar [E] is gegaan heeft verdachte verteld waar hij die nacht eerder was geweest. Over de homecinemaset heeft verdachte verklaard dat [E] die dan waarschijnlijk heeft gejat. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het dossier onvoldoende overtuigend bewijs bevat dat verdachte degene is geweest die de goederen heeft gestolen. Voor deze diefstal is derhalve een ander dan verdachte verantwoordelijk, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat een ander dan verdachte verantwoordelijk is voor de diefstal uit de woning. De verklaring van verdachte over [E] - met inbegrip van de suggestie dat [E] verantwoordelijk is voor de diefstal – is niet aannemelijk en vindt geen ondersteuning in het dossier. De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 20 februari 2017 tot en met 21 februari 2017 uit de woning aan de [adres] te [woonplaats] een veelheid aan goederen heeft weggenomen waarbij hij zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming. Van medeplegen zal de rechtbank verdachte vrijspreken nu daar onvoldoende bewijs voor is in het dossier.

feit 2:

Verdachte heeft verklaard dat hij niet weet hoe hij in de Fiat Punto terecht is gekomen. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte door zijn GHB-verslaving niet in staat was om een auto te besturen en dat verdachte daarom dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe dat verdachte in de auto is aangetroffen en dat hij kort daarvoor de autosleutel van de Fiat Punto heeft gestolen. Ook blijkt uit het onderzoek aan zijn telefoon dat hij het kenteken van de Fiat Punto heeft gecheckt. De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen het onder feit 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Van medeplegen zal de rechtbank verdachte vrijspreken nu daar onvoldoende bewijs voor is in het dossier.

feit 3:

De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen het onder feit 3 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Van het primair ten laste gelegde zal de rechtbank verdachte vrijspreken nu het dossier voor de diefstal van de kentekenplaten onvoldoende bewijs bevat.

feit 4:

Bewijsmiddelen

[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan van diefstal van een kassalade uit zijn kaaswagen tussen 18 januari 2017 omstreeks 22.30 uur en 19 januari 2017 omstreeks 09.00 uur te Montfoort.

Aangever zag dat de hendels van het luik van de kaaswagen in de geopende positie stonden. Aangever heeft samen met de politie de kaaswagen geopend en zag dat een gedeelte van de kassa-unit los in de kaaswagen lag. In de kaaswagen lag as van een sigaret. Deze as is niet van aangever, zijn familie of zijn personeel. Tussen de kazen lag een filter van een sigaret. De buurman die direct naast de kaaswagen woont heeft tegen aangever gezegd dat hij tussen 02.00 en 05.00 uur wakker is geweest en veel lawaai hoorde en dat hij twee mannen met elkaar hoorde praten.16

Het filter van de op de plaats delict aangetroffen sigaret is veiliggesteld onder SIN-nummer AAKV4979NL.17

Uit het DNA-onderzoek van het NFI volgt dat dit spoor met SIN-nummer AAKV4979NL afkomstig kan zijn van [verdachte] , waarbij de kans dat dit DNA matcht met een willekeurig ander persoon dan verdachte kleiner is dan één op één miljard.18

Bewijsoverweging

De verdachte heeft het onder feit 4 ten laste gelegde ontkend. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het enige spoor naar verdachte zijn DNA betreft dat is aangetroffen op een verplaatsbaar voorwerp. Nu dit onvoldoende bewijs is dient verdachte te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt dat het aangetroffen DNA-materiaal van verdachte op de plaats delict is aangetroffen op een verplaatsbaar object, te weten op het filter van een sigaret. Aangever heeft verklaard dat hij na de ontdekking van het feit op de politie heeft gewacht tot de plaats delict is betreden. Verdachte heeft geen enkele, laat staan aannemelijke, verklaring gegeven hoe het filter van de sigaret met daarop zijn DNA tussen de kazen in de kaaswagen terecht is gekomen, anders dan door betrokkenheid bij de diefstal. Anders dan de raadsvrouw kennelijk meent, is het enkele feit dat het DNA van verdachte op een verplaatsbaar object is aangetroffen, onder de gegeven omstandigheden – de hierboven weergegeven plaats waar het filter is aangetroffen alsmede de omstandigheid dat deze niet van aangever of diens personeel afkomstig is – geen reden om tot het oordeel te komen dat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Wat betreft het medeplegen is de rechtbank van oordeel dat dit bewezen kan worden nu aangever van zijn buurman heeft gehoord dat deze ’s nachts wakker werd van lawaai en daarbij twee mannen met elkaar heeft horen praten. Verdachte heeft hierover geen verklaring willen afleggen, terwijl deze uiterlijke verschijningsvorm duidt op het medeplegen van de diefstal. De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan diefstal van de kassalade door middel van verbreking.

feit 5:

Verdachte heeft het onder feit 5 ten laste gelegde bekend en de raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank stelt op grond hiervan en op grond van de stukken in het dossier vast dat verdachte dit feit heeft gepleegd. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] van 27 maart 2017;19

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte, houdende een bekennende verklaring van verdachte.20

feit 6

Bewijsmiddelen

[aangever 1] heeft aangifte gedaan van diefstal van een drietal fietsen op 21 maart 2017.

Dit ging om de volgende fietsen:

  • -

    een Wilier Triestina (kobaltblauw, wit en zwart);

  • -

    een Cortina Lief (pasteltinten en bloemetjes);

  • -

    een Batavus B-ONE (veelkleurig).21

De man van aangeefster, [A] , heeft op 4 april 2017 de fietsen van de merken Wilier Triestina en Batavus B-ONE bij [naam winkel] te [vestigingsplaats] aangetroffen.22

Uit de factuur van 3 april 2017 van [naam winkel] blijkt dat de manager van [naam winkel] , [B] , de fietsen heeft gekocht van verdachte.23 Daarnaast is verdachte herkend door verbalisant [verbalisant 1] op de camerabeelden van [naam winkel] bij de verkoop van twee fietsen.24

De politie heeft op 22 maart 2017 de Cortina Lief-fiets in Utrecht aangetroffen.25

Verdachte heeft verklaard dat hij drie fietsen heeft gekocht voor € 170,-. Twee fietsen heeft hij verkocht bij [naam winkel] en op de andere fiets is hij aangereden in Utrecht. Verdachte is door de politie gewezen op de lage prijs voor drie fietsen en dat hij had kunnen weten dat ze gestolen waren. Verdachte heeft hierop geantwoord dat het achteraf ook stom is.26

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de opzetheling niet bewezen kan worden en dat de verklaring van verdachte dat hij het achteraf stom vindt dat hij de fietsen voor € 170,- heeft gekocht beter past bij schuldheling.

De rechtbank overweegt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij de koop van een drietal fietsen voor de prijs van € 170,- deze fietsen door een misdrijf zijn verkregen. Daarmee is sprake van tenminste voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van drie fietsen.

feit 7

Bewijsmiddelen 27

[aangever 2] heeft namens [bedrijfsnaam 1] B.V. aangifte gedaan van diefstal van twee bosmaaiers en een quad op 26 oktober 2017 uit de werkplaats van het [bedrijfsnaam 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] .28

Aangever heeft verklaard dat hij op de camerabeelden heeft gezien dat de daders eerst twee bosmaaiers wegnamen en deze buiten het terrein legden en dat de daders vervolgens terugkwamen om een quad mee te nemen.29

Verbalisant [verbalisant 2] herkent [verdachte] voor de volle 100% op de camerabeelden van aangeefster.30

Verdachte heeft verklaard dat hij bij de diefstal was en dat ze met z’n drieën waren.31

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat niet bewezen kan worden dat de bosmaaiers ook zijn weggenomen nu dit deel van de aangifte geen verdere steun in het dossier vindt.

De rechtbank overweegt dat aangever heeft verklaard dat hij op 26 oktober 2017 heeft bemerkt dat zowel de bosmaaiers als de quad waren weggenomen uit zijn werkplaats. Op de camerabeelden heeft aangever gezien dat twee jongens eerst de bosmaaiers wegnemen waarna dezelfde jongens terugkomen om de quad weg te nemen. De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal van twee bosmaaiers en een quad.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1:

hij in de periode van 20 februari 2017 tot en met 21 februari 2017 te [woonplaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen

- meerdere autosleutels en

- één kentekenbewijs en

- één peper- en zoutmolen en

- meerdere boodschappenpakketten en meerdere etens- en drinkwaren en

- meerdere gereedschappen (onder andere schroefmachine, boormachine, doppenset, bitjesset en schuurmachine) en

- meerdere (video)camera’s en lenzen en een oplader en

- één kliko en koffers en kratten en

- meerdere dvd-spelers met bijhorende koptelefoons en

- meerdere paspoorten en

- meerdere horloges en

- meerdere kettingen en

- één e-reader en

- één waterkoker en

- één homecinemaset en

- meerdere Nintendo’s,

toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

feit 2, primair:

hij in de periode van 22 februari 2017 tot en met 23 februari 2017 te Harmelen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (merk Fiat), toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte de weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door middel van gebruikmaking van een gestolen autosleutel;

feit 3, subsidiair:

hij in de periode van 21 februari 2017 tot en met 23 februari 2017 in Nederland, een goed te weten meerdere kentekenplaten ( [kenteken] ), voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 4:

hij in de periode van 18 januari 2017 tot en met 19 januari 2017 te Montfoort, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kaaswagen heeft weggenomen een kassalade, toebehorende aan [slachtoffer 3] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen kassalade onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

feit 5:

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 21 maart 2017 tot en met 22 maart 2017 te Woerden, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (in totaal 43,30 euro), toebehorende aan [slachtoffer 4] , waarbij verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door middel van gebruikmaking van een gestolen pinpas;

feit 6:

hij in de periode van 20 maart 2017 tot en met 3 april 2017 in het arrondissement Midden-Nederland, meerdere fietsen heeft verworven, voorhanden gehad, en overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goederen betrof;

feit 7:

hij op 26 oktober 2017 te Harmelen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een quad en meerdere bosmaaiers, toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] B.V.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

feit 2, primair: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;

feit 3, subsidiair: opzetheling;

feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

feit 5: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

feit 6: opzetheling, meermalen gepleegd;

feit 7: diefstal door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 6 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd en een taakstraf van 240 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd geen bezwaar te hebben tegen een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Wel is verzocht, gelet op de bepleite vrijspraken, een lagere taakstraf op te leggen dan gevorderd door de officier van justitie.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten. Verdachte heeft een veelheid aan goederen uit een woning gestolen, waaronder een autosleutel. Vervolgens heeft verdachte met deze autosleutel de daarbij behorende auto op een later tijdstip weggenomen. De kentekenplaten van de auto waren vervangen door gestolen kentekenplaten. Dit zijn kwalijke feiten omdat woninginbraken de nodige materiële schade veroorzaken en een forse inbreuk maken op de privacy. Dat verdachte daarna zo brutaal is geweest om ook nog één van de auto’s te stelen rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verschillende diefstallen en heling van fietsen. Verdachte heeft zich geen enkele rekenschap gegeven van de gevolgen voor de slachtoffers en heeft slechts gehandeld uit eigen financieel belang.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 16 mei 2018;

- een reclasseringsadvies van 28 mei 2018, opgesteld door reclasseringswerker [C] van [naam instelling 1] .

Uit het reclasseringsadvies blijkt dat bij verdachte sprake is van ernstige verslavingsproblematiek en dat verdachte daarom sinds anderhalve maand is opgenomen bij de [naam instelling 2] te [vestigingsplaats] . De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, opname in een zorginstelling voor een klinische behandeling en een verplichting om medewerking te verlenen aan middelencontrole.

Toezichthouder [D] , werkzaam bij [naam instelling 1] , heeft ter zitting gepersisteerd bij dit advies. De duur van het inmiddels ingezette traject bij [naam instelling 2] schat zij op maximaal één jaar met mogelijke uitloop indien beschermd wonen wordt geïndiceerd. Voorts heeft zij ter zitting geadviseerd om betaalde dagbesteding als bijzondere voorwaarde op te nemen.

De straf

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat in beginsel een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is, maar ziet met de officier van justitie en de raadsvrouw het belang in van de positieve ontwikkelingen die verdachte de laatste tijd heeft doorgemaakt. Zowel verdachte als de samenleving hebben er baat bij indien verdachte zijn verslaving aanpakt en daarmee recidive kan worden voorkomen.

De rechtbank acht daarom een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden, onder alle door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, zoals ter zitting aangevuld, en met een proeftijd van 3 jaren. Voorts acht de rechtbank het passend verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren op te leggen. De rechtbank overweegt hierbij dat het uitvoeren van een forse taakstraf regelmaat en structuur in het leven van verdachte kan brengen.

Voorts zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van aangevers ter zake van geleden schade, zoals nader in dit vonnis onder 9 zal worden besproken en beslist.

9 BENADEELDE PARTIJEN

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 1.770,- bestaande uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft verzocht een bedrag van € 1.000,- voor de huur van de auto’s en € 270,- voor de verzekeringspremie toe te wijzen te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige verzoekt de officier van justitie de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren primair nu de verdediging vrijspraak heeft bepleit voor dit feit subsidiair bij gebreke aan onvoldoende onderbouwing dan wel onvoldoende rechtstreeks verband met het delict.

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost huur auto’s ter hoogte van in totaal € 1.000,- komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 1.000,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 maart 2017 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 maart 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 20 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 2.430,- bestaande uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 4 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft verzocht het gevorderde bedrag toe te wijzen te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren primair nu de verdediging vrijspraak heeft bepleit voor dit feit subsidiair bij gebreke aan onvoldoende onderbouwing dan wel onvoldoende rechtstreeks verband met het delict.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij voldoende heeft onderbouwd dat hij als gevolg van het hiervoor onder feit 4 bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 2.430,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 19 januari 2017 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is, maar de schadepost mogelijk onderling met zijn mededader kan verdelen.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.430,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 19 januari 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 34 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Benadeelde partij [slachtoffer 4]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 101,80. Dit bedrag bestaat uit € 51,80 materiële schade en € 50,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 5 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft betoogd dat de gevorderde immateriële schade niet voor toewijzing in aanmerking komt.

De schade voor zover die betrekking heeft op de materiële schadeposten ter hoogte van in totaal € 51,80 komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 51,80 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 maart 2017 tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor wat betreft de immateriële schade afwijzen nu deze vordering onvoldoende is onderbouwd en de wet geen grondslag biedt voor toewijzing van de immateriële schade die is gevorderd.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 4] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 51,80 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 maart 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 1 dag hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder feit 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1, feit 2 primair, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5, feit 6 en feit 7 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich binnen een week na het onherroepelijk worden van het vonnis bij [naam instelling 1] ( [adres] te [vestigingsplaats] ) zal melden, zolang en zo frequent de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich zal laten opnemen c.q. opgenomen zal blijven in een passende intramurale instelling, zulks op basis van indicatiestelling door het NIFP-IFZ, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van de behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling aan verdachte zullen worden gegeven. De opname duurt 12 maanden vanaf datum vonnis of zoveel korter als de leiding van de zorginstelling in overleg met de reclassering dit wenselijk acht;

* aansluitend aan de klinische behandeling zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van het verblijf aan verdachte worden gegeven en aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering opstelt, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* ook overigens zal meewerken aan dagbesteding, conform de aanwijzingen van de reclassering;

* zijn medewerking zal verlenen aan het uitvoeren van middelencontrole, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis;

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 1.000,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2017 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 1.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 20 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 2.430,-;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 2.430,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2017 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 34 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [slachtoffer 4]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 51,80;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 4] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2017 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 4] voor wat betreft de immateriële schade af;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat € 51,80 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en

R.L.M. Opstal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.G.T. Jansen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 juni 2018.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de (gewijzigde) tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

16-014696-18

feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2017 tot en met 21 februari 2017 te Harmelen, gemeente Woerden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit/vanuit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen

- één of meerdere (auto)sleutel(s) en/of

- één of meerdere kentekenbewij(s)(zen) en/of

- één of meerdere peper- en zout-molen(s) en/of

- één of meerdere boodschappenpakket(ten) en/of één of meerdere etens- en/of drink-waren en/of

- één of meerdere gereedschap(pen) (onder andere schreefmachine, boormachine, doppenset, bitjesset en schuurmachtine) en/of

- één of meerdere (video-)camera('s) en/of (camera)len(s)(zen) en/of (camera) oplader(s) en/of

- één of meerdere kliko ('s) en/of koffer(s) en/of krat(ten) en/of

- één of meerdere DVD speler(s)(met bijhorende koptelefoon(s)) en/of

- één of meerdere paspoort(en) en/of

- één of meerdere horloge(s) en/of

- één of meerdere ketting(en) en/of

- één of meerdere ereader(s) en/of

- één of meerdere waterkoker(s) en/of

- één of meerdere homecinemaset(s) en/of

- één of meerdere nintendo(s), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen voornoemde goederen onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

feit 2 primair:

hij in of omstreeks de periode van 22 februari 2017 tot en met 23 februari 2017 te Harmelen, gemeente Woerden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen eenn auto (merk Fiat), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen auto onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of valse sleutel door middel van gebruikmaking van een gestolen en/of onrechtmatig verkregen (auto)sleutel;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

feit 2 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 22 februari 2017 tot en met 23 februari 2017 te Woerden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, een goed te weten een auto (merk Fiat) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

(art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht)

feit 3 primair:

hij in of omstreeks de periode van 21 februari 2017 tot en met 22 februari 2017 te Montfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit/van een auto heeft weggenomen één of meerdere kentekenpla(a)t(en) ( [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen kentekenpla(a)t(en) onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

feit 3 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 21 februari 2017 tot en met 23 februari 2017 te Montfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, een goed te weten één of meerdere kentekenpla(a)t(en)( [kenteken] ), heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

feit 4:

hij in of omstreeks de periode van 18 januari 2017 tot en met 19 januari 2017 te Montfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit/vanuit een kaaswagen, althans een aanhanger, heeft weggenomen een kassalade, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen kassalade onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

feit 5:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 maart 2017 tot en met 22 maart 2017 te Woerden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (in totaal 43,30 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of valse sleutel, door middel van gebruikmaking van een gestolen en/of onrechtmatig verkregen bank/pinpas;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

feit 6:

hij in of omstreeks de peridoe van 20 maart 2017 tot en met 3 april 2017 te Woerden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, een goed te weten één of meerdere fiets(en) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 461 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

16-050559-18 (feit 7)

hij op of omstreeks 26 oktober 2017 te Harmelen, gemeente Woerden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een quad en/of één of meerdere bosmaaier(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna met betrekking tot feit 1 tot en met feit 6 wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 2 februari 2018, genummerd PL0900-2017316482, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 232. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 16 en 17.

3 Pagina 19 tot en met 22.

4 Pagina 105, 106 en 108.

5 Pagina 112 en 118.

6 Pagina 80.

7 Pagina 81 en 85.

8 Pagina 81 en 88.

9 Pagina 25.

10 Pagina 31.

11 Pagina 33.

12 Pagina 56 en 59.

13 Pagina 61.

14 Pagina 191.

15 Pagina 196.

16 Pagina 128 en 129.

17 Pagina 133.

18 Pagina 135.

19 Pagina 140.

20 Pagina 197.

21 Pagina 160 en 161.

22 Pagina 162 en 163.

23 Pagina 166.

24 Pagina 170.

25 Pagina 179.

26 Pagina 197.

27 Wanneer hierna met betrekking tot feit 7 wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 30 maart 2018, genummerd PL0900-2017326210, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 38. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

28 Pagina 4.

29 Pagina 5 en 9.

30 Pagina 8.

31 Pagina 28.