Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3770

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-07-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
C/16/463742 / KG ZA 18-435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Gevorderde medewerking aan levering onroerende zaken toegewezen onder toepassing van artikel 3:300 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/463742 / KG ZA 18-435

Vonnis in kort geding van 30 juli 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.R. de Boer te Woerden,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    de brief van 20 juli 2018 met bijlagen van [gedaagde] ,

  • -

    de schorsing van de procedure ten gevolge van het wrakingsverzoek dat door [gedaagde] op 23 juli 2018 is gedaan,

  • -

    de mondelinge uitspraak van de wrakingskamer van 26 juli 2018, waarbij het verzoek tot is afgewezen,

  • -

    de e-mail van [gedaagde] van 27 juli 2018 met bijlage (pleitnota wrakingsverzoek),

  • -

    de brief van [gedaagde] ingediend op 27 juli 2018 om 14.38 met bijlagen, waarvan ter zitting een kopie aan [eiser] is verstrekt,

  • -

    de mondelinge behandeling op 30 juli 2018,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Aan het in het verkorte vonnis weergegeven procesverloop worden thans de volgende processuele feiten toegevoegd:

  • -

    de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 26 juli 2018,

  • -

    de kort na de mondelinge uitspraak van de wrakingskamer door de voorzieningenrechter met beide partijen in persoon gemaakte afspraak dat de mondelinge behandeling van dit geding op 30 juli 2018 om 10.00 uur zou plaatsvinden,

  • -

    de e-mail namens de voorzieningenrechter op 26 juli 2018 aan beide partijen, waarin hen gelegenheid is gegeven uiterlijk op 27 juli 2018 vóór 15.00 uur nadere stukken te overleggen.

1.4.

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding is gewag gemaakt van de wraking en de afloop daarvan.

Voorts is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat [eiser] niet de beschikking had over de door [gedaagde] bij de Centrale Balie van de rechtbank op 27 juli 2018 afgegeven brief met bijlagen. Daarop heeft de voorzieningenrechter een leespauze ingelast, waarna namens [eiser] is meegedeeld dat de stukken wat hem betreft aan het procesdossier konden worden toegevoegd.

1.5.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 30 juli 2018 schriftelijk vonnis waarin alleen een “kop” en een “staart” aan partijen is meegedeeld, gewezen. Dit verkorte vonnis is aan beide partijen persoonlijk kort na 13.30 uur bij de Centrale Balie van de rechtbank afgegegeven.

1.6.

Vervolgens heeft [gedaagde] op 3 augustus 2018 bij bericht aan de wrakingskamer de behandelend rechter opnieuw gewraakt. De wrakingskamer heeft daarop bij beslissing van 6 augustus 2018 [gedaagde] in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

1.7.

Het onderstaande vormt de nadere schriftelijke uitwerking van het verkorte vonnis.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] zijn gezamenlijk eigenaar van de volgende onroerende goederen (hierna ook: de panden):

- [straatnaam] [nummeraanduiding] , [nummeraanduiding] , [nummeraanduiding] , [nummeraanduiding] en [nummeraanduiding] te [plaatsnaam] ,

- [straatnaam] [nummeraanduiding] en [nummeraanduiding] te [plaatsnaam] .

2.2.

FGH Bank heeft aan [eiser] en [gedaagde] geldleningen verstrekt waarvoor hypotheekrechten op de panden zijn verleend.

2.3.

FGH heeft [eiser] en [gedaagde] bij brief van 7 januari 2016 medegedeeld dat de door haar verstrekte hypothecaire geldleningen niet zullen worden verlengd en dat de openstaande bedragen op de expiratiedata (gelegen tussen 1 april 2016 en 1 november 2016) moeten zijn betaald.

2.4.

[eiser] en [gedaagde] zijn in gebreke gebleven met de voldoening van hun verplichtingen uit hoofde van voornoemde geldleningen. Zij zijn niet tijdig tot terugbetaling daarvan overgegaan. Bij brief van 30 november 2016 heeft mr. [A] , notaris te Amsterdam, [eiser] en [gedaagde] daarom aangekondigd dat hun vastgoedportefeuille op 21 februari 2017 executoriaal zal worden verkocht. [eiser] en [gedaagde] hebben eerst de gelegenheid gekregen de panden onderhands te verkopen. Toen pogingen daartoe waren gestrand, is aan [eiser] en [gedaagde] medegedeeld dat de executie van de panden zal worden hervat.

2.5.

FGH heeft op 17 februari 2017 haar rechten uit de hypothecaire overeenkomsten met [eiser] en [gedaagde] overgedragen aan [bedrijfsnaam 1] B.V. Deze vennootschap is gefuseerd met Vesting Finance Servicing b.v. (hierna: VFS), waardoor VFS in de rechten van FGH als hypotheeknemer is getreden. VFS maakt voor de uitvoering van haar rechten gebruik van thans een dochtermaatschappij, [bedrijfsnaam 2] B.V. [bedrijfsnaam 2] heeft wel de vorderingsrechten van VFS overgedragen gekregen, maar de hypothecaire rechten zijn gebleven aan VFS.

2.6.

[gedaagde] is naar aanleiding van de aanzegging van de executoriale verkoop een executiegeschil gestart. Op 5 september 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam FGH en VFS veroordeeld de executie te staken voor de duur van zes weken en daarmee [eiser] en [gedaagde] in de gelegenheid gesteld de panden alsnog onderhands te verkopen.

2.7.

Tijdens deze schorsingsperiode van zes weken is één pand van [eiser] en [gedaagde] ( [straatnaam] [nummeraanduiding] te [plaatsnaam] ) verkocht en geleverd. Daarna is [eiser] met VFS in overleg getreden over uitstel van de executie om te komen tot onderhandse verkoop. VFS heeft op 1 november 2017 onder voorwaarden ingestemd met nadere aanhouding.

2.8.

Op 6 december 2017 is een eveneens gezamenlijk appartement van [eiser] en [gedaagde] ( [straatnaam] [nummeraanduiding] te [woonplaats] ) verkocht. De levering zou op 22 februari 2018 plaatsvinden, maar [gedaagde] weigerde mee te werken aan de levering ervan. Bij vonnis in kort geding van 27 februari 2018 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland [gedaagde] veroordeeld tot meewerken aan de levering en is bepaald dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van diens toestemming. Daarna is dit pand aan de koper geleverd en is de verkoopopbrengst aan VFS ( [bedrijfsnaam 2] ) toegekomen.

2.9.

Ten aanzien van de nu in het geding zijnde panden is tussen [eiser] en [gedaagde] als verkopers en [bedrijfsnaam 3] B.V. en [bedrijfsnaam 4] B.V. (hierna: de kopers) een koopovereenkomst gesloten (hierna: de koopovereenkomst). In deze koopovereenkomst staat als uiterlijke leveringsdatum genoemd 31 januari 2018. Deze leveringsdatum is niet gehaald. Deze overeenkomst is niet gedateerd, maar uit een aan die overeenkomst gehechte verklaring van notaris [C] te Den Haag blijkt dat de overeenkomst in zijn aanwezigheid is gesloten en ondertekend op 20 november 2017.

De advocaat van de kopers heeft [eiser] en [gedaagde] op 4 juli 2018 gesommeerd om medewerking te verlenen aan de levering. Daarop is als leveringsdatum 31 juli 2018 vastgesteld.

2.10.

Toen de koopovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] en de kopers werd gesloten, lagen er beslagen op de panden. Een daarvan was een conservatoir beslag dat was gelegd door heer [B] . Hij meende, zo heeft de voorzieningenrechter begrepen, dat de panden reeds aan hem waren verkocht. Daarover loopt een procedure bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank Den Haag heeft op 16 mei 2018 een tussenvonnis gewezen en [B] in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van het bestaan van de koopovereenkomst. Na dit tussenvonnis zijn onderhandelingen gestart tussen [B] en de kopers.

2.11.

Op 12 juli 2018 heeft de advocaat van [B] de advocaat van de kopers laten weten dat zijn cliënt het gelegde beslag op de panden zal opheffen wanneer deze op uiterlijk 31 juli 2018 aan de kopers zullen worden geleverd.

2.12.

Op 13 juli 2018 heeft [gedaagde] aan onder meer de notaris en [eiser] per e-mail het volgende bericht:

‘Hoe het ook zij, er wordt niet verkocht en geleverd zoals u nu toch wenst door te drukken, daar werkt [gedaagde] niet aan mee.’

2.13.

Op 14 juli 2018 heeft [B] per e-mail aan [gedaagde] het volgende bericht:

‘Zoals toegezegd hierbij mijn akkoord op het voorstel van [D (van bedrijfsnaam 3)] en [C] (toevoeging voorzieningenrechter, de bestuurders van kopers).

(…)

Heb je nog wat gehoord van [eiser] op het voorstel van jou?’

2.14.

De levering van de panden aan de kopers bij de notaris is bepaald op 31 juli 2018 om 15.00 uur.

2.15.

Om te kunnen bewerkstelligen dat de panden (tijdig) zullen worden geleverd, heeft [eiser] [gedaagde] in onderhavige procedure betrokken.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, kort gezegd, [gedaagde] ertoe te veroordelen onmiddellijk na het uitspreken van het vonnis mee te werken aan de verkoop en levering van zijn deel in de eigendom van de panden overeenkomstig de koopovereenkomst, althans dat dit vonnis zo nodig in de plaats zal treden van die vereiste medewerking, met veroordeling van [gedaagde] in de (na-)kosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Betekening van de dagvaarding en de producties daarbij, planning zittingsdatum

4.1.

Aan [eiser] is op zijn verzoek bij de behandeling van de aanvraag van een datum voor het kort geding een verkorte termijn verleend voor het uitbrengen van de dagvaarding als bedoeld in art. 254 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat de dagvaarding uiterlijk op donderdag 19 juli 2018 om 12.00 uur dient te zijn uitgebracht aan [gedaagde] . De dagvaarding is op die dag om 10.17 uur betekend. Daarmee heeft een tijdige betekening plaatsgevonden.

4.2.

Met de belangen van [gedaagde] is voldoende rekening gehouden bij het bepalen van de zittingsdatum, en de daaraan gekoppelde dagvaardingstermijn. Uitgaande van de stellingen in de conceptdagvaarding kwam immers het beeld naar voren dat per 31 juli 2018 een situatie dreigde te ontstaan waarin zowel [eiser] als [gedaagde] uit hoofde van de koopovereenkomst hoge financiële boetes zouden verbeuren indien de panden niet op die dag zouden worden geleverd. Op grond daarvan heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat voor het verstrijken van die termijn een oordeel gegeven diende te worden over de zaak. De omstandigheid dat [gedaagde] stelt dat zijn advocaat met vakantie is, maakt de spoedeisendheid niet anders. [gedaagde] is zelf ter zitting verschenen en heeft verweer gevoerd.

4.3.

[eiser] heeft voldaan aan de eis van het toepasselijke procesreglement dat in de dagvaarding verwezen dient te worden naar bijgaande producties. In de tekst van de dagvaarding heeft [eiser] steeds beschreven ter ondersteuning van welk standpunt de productie is ingediend. De dagvaarding is op dat punt voldoende duidelijk, in tegenstelling tot wat [gedaagde] stelt.

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de dagvaarding onbegrijpelijk is, mede omdat een lijst van producties ontbreekt. De voorzieningenrechter oordeelt dat een dergelijk overzicht inderdaad ontbreekt, maar daarop is geen sanctie gesteld en het ontbreken daarvan maakt de dagvaarding evenmin onduidelijk. Dit punt zal dan ook verder onbesproken blijven.

4.4.

In het petitum van de dagvaarding staat een kennelijke verschrijving. Er wordt naar de koopovereenkomst verwezen, zowel met de datum 20 november 2017 als 20 november 2018. Deze laatstgenoemde vermelding is een verschrijving; die leent zich voor eenvoudig herstel nu niet aannemelijk is dat [gedaagde] hierdoor daadwerkelijk niet zou weten welke koopovereenkomst hiermee bedoeld werd. Hij was zelf partij bij die overeenkomst en heeft deze ook ondertekend. De datum blijkt ook voldoende duidelijk uit de overgelegde koopovereenkomst.

Bevoegdheid van de voorzieningenrechter

4.5.

[gedaagde] voert als verweer aan dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om op grond van art. 3:300 lid 2 BW een machtiging te verlenen. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] daarin niet. Er is volgens [gedaagde] sprake van een gemeenschap van goederen van partijen en het behoort niet tot de bevoegdheid van de voorzieningenrechter een gemeenschap in kort geding te verdelen. De Hoge Raad heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter beslist dat het uitgangspunt dat een machtiging op grond van dit genoemde artikel niet bij wijze van onmiddellijke voorziening in kort geding kan worden verleend, onjuist is (ECLI:NL:HR:AE4380). Daarmee staat vast dat de voorzieningenrechter nu juist wel bevoegd is bij wege van een ordemaatregel te oordelen over de door [eiser] ingestelde vordering en een dergelijke vordering toe te wijzen, indien uit de stukken en de mondelinge behandeling voldoende aannemelijk is geworden dat nakoming van in dit geding gestelde koopovereenkomst onverwijld dient plaats te vinden. Van verdeling van de gemeenschap is aldus geen sprake.

4.6.

De stelling van [gedaagde] dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is omdat er geen ‘gerechtigde’ is zoals bedoeld in artikel 3:300 lid 1 BW, slaagt evenmin. Niet valt in te zien dat [eiser] niet (ook) een gerechtigde is als bedoeld in dat artikel. Immers, hij is, net als [gedaagde] partij bij de koopovereenkomst en daarmee gerechtigde bij die overeenkomst en daarmee tevens gerechtigde in de zin van artikel 3:300 lid 1 BW.

Spoedeisend belang

4.7.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak, te weten levering van de panden op (zeer) korte termijn, te weten 31 juli 2018. [eiser] heeft een e-mail van de notaris overgelegd met daarin de datum van 31 juli 2018 als leveringsdatum (productie 10). Ook heeft de advocaat van de heer [B] op 12 juli 2018 aan de advocaat van [eiser] geschreven dat indien verkoop en levering uiterlijk op 31 juli 2018 plaatsvinden het conservatoire beslag zal worden opgeheven (productie 12). Daar tegenover legt de niet onderbouwde stelling van [gedaagde] dat deze datum onjuist is, onvoldoende gewicht in de schaal.

Medewerking aan levering van de panden

4.8.

De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen [eiser] en [gedaagde] als verkopers en de kopers op 20 november 2017 een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen. Daarin is opgenomen dat de levering van de panden ten overstaan van notaris [C] zal plaatsvinden. Nadat de levering eerst op een datum in januari 2018 zou plaatsvinden is nadien overeengekomen dat dit zou gebeuren op 31 juli 2018. In de overeenkomst is opgenomen dat de boete 3 ‰ van de koopsom voor iedere dag dat levering uitblijft, dan wel ontbinding van de koopovereenkomst met een boete van 10 % van de koopsom. De koopsom bedraagt € 975.000,00, zodat het eventueel opeisen van de boetes tot aanzienlijke financiële verplichtingen [eiser] en [gedaagde] kunnen leiden.

4.9.

[eiser] heeft vervolgens voldoende aannemelijk gemaakt dat spoedige levering van de panden noodzakelijk is om financiële schade te voorkomen. Die schade zal bestaan uit het opeisen door de kopers van de contractuele boete te voldoen aan de kopers wegens te late levering, ontbinding van de koopovereenkomst door de kopers en hervatting van het executietraject door de bank. De kopers hebben [eiser] en [gedaagde] op 4 juli 2018 gesommeerd tot nakoming van de koopovereenkomst (productie 8) en aangekondigd dat zij bij niet nakoming de schade zullen verhalen. [eiser] heeft er dan ook belang bij dat [gedaagde] zijn medewerking verleent aan de overeengekomen levering van de panden. Dat de boeteclausule niet van toepassing is omdat pagina’s 11 t/m 19 (waarin de algemene voorwaarden bij deze overeenkomst staan vermeld) geen onderdeel van de koopovereenkomst zijn, zoals [gedaagde] aanvoert, is niet aannemelijk geworden. [eiser] en [gedaagde] hebben de pagina’s 1 t/m 10 (de koopovereenkomst) van een paraaf voorzien en pagina 10 ondertekend. De daarop aansluitende algemene bepalingen (op pagina 11 tot en met 21) hebben [eiser] en [gedaagde] op pagina 20 ondertekend. Aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat de afzonderlijke pagina’s van deze algemene voorwaarden niet door hem zijn geparafeerd, maar dat gegeven is niet doorslaggevend zijn, omdat hij op de laatste pagina (door hem ter zitting erkend) wel zijn handtekening heeft gezet, hetgeen door de notaris in zijn meergenoemde verklaring, gehecht aan de koopovereenkomst, is vermeld.

4.10.

Dat de koopovereenkomst niet rechtsgeldig is of dat sprake is van bedrog omdat, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, de pagina’s 11 t/m 19 er tussen zijn geplakt, is niet aannemelijk. Het is immers zonder feitelijke onderbouwing, die ontbreekt, niet te begrijpen dat [gedaagde] zowel pagina 10 (van 21) als pagina 20 (van 21) heeft ondertekend als hij meent dat de koopovereenkomst niet rechtsgeldig zou zijn. Hij heeft daartoe ook geen gemotiveerd verweer gevoerd. De enkele mededeling dat iets zo is, is onvoldoende. Hetzelfde geldt voor het door hem gemelde wilsgebrek. Dat is ook niet gemotiveerd.

4.11.

Het verweer van [gedaagde] dat de koopovereenkomst zou zijn ‘verlopen’ of ontbonden, wordt door [eiser] betwist. Het is aan [gedaagde] zijn verweer te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. De mededeling dat de koopovereenkomst is verlopen omdat de oorspronkelijk overeengekomen leveringsdatum niet is gehaald, is daartoe onvoldoende, omdat gesteld noch gebleken is dat een van partijen om die reden wenste af te zien van de levering. In tegendeel, kopers wensen nakoming ervan, zij het op 31 juli 2018. Dat de koopovereenkomst is ontbonden is evenmin gebleken. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling vermeld dat de overeenkomst (door hem?) is ontbonden, maar vermeldt niet de datum waarop dat zou zijn gebeurd. Ook vermeldt hij dat de overeenkomst zal worden ontbonden, maar die mededeling is niet gevolgd door een daadwerkelijke ontbinding jegens de kopers. Dit verweer van [gedaagde] wordt dan ook verworpen.

4.12.

Op de panden liggen enkele beslagen, waaronder een conservatoir beslag van [B] en het executoriale beslag van FGH/VFS. Dat deze beslagen tot gevolg hebben dat [eiser] en [gedaagde] geen verplichting tot levering meer hebben, is anders dan [gedaagde] aanvoert niet gebleken. In de koopovereenkomst is opgenomen dat indien de beslagleggers niet of niet binnen redelijke termijn meewerken aan de doorhaling van de beslagen, de overeenkomst ontbonden kan worden. Ook is vermeld dat de verkopers bij ontbinding op deze grond de in de voorwaarden omschreven boete niet verschuldigd zijn. Dat maakt nog niet dat [gedaagde] met [eiser] als verkoper de koopovereenkomst niet hoeft na te komen. Het is een recht van de kopers om bij niet opheffen van de beslagen de koopovereenkomst te ontbinden, dus geen recht van [gedaagde] (of [eiser] ).

[gedaagde] vermeldt nog een executoriaal beslag van ene [E] uit hoofde van een hypothecair recht van die [E] op een alleen aan [gedaagde] toebehorend onroerend goed. Zonder juridische en feitelijke onderbouwing op grond waarvan deze [E] enig recht op de verkoopopbrengst van de panden zou hebben (er is geen enkele stuk overgelegd), kan daarmee geen rekening worden gehouden.

4.13.

Het verweer van [gedaagde] dat er geen hypothecaire schuld van [eiser] en [gedaagde] is, slaagt niet. [eiser] heeft aangevoerd dat FGH haar vordering op [eiser] en [gedaagde] heeft overgedragen aan [bedrijfsnaam 1] B.V., welke vennootschap is gefuseerd met VFS, waardoor de rechten onder algemene titel zijn overgegaan naar VFS (tevens handelend onder de naam [bedrijfsnaam 2] ). [gedaagde] betwist dat de geldleningen en hypotheekrechten onder algemene titel op VFS/ [bedrijfsnaam 2] zouden zijn overgegaan maar heeft voor de juistheid van zijn betoog geen aanknopingspunten aangereikt. Bovendien blijkt uit een mededeling van de notaris aan [gedaagde] dat uit zijn recherchewerkzaamheden is gebleken dat van de overdracht door hem notariële akten zijn aangetroffen. Zonder een feitelijk onderbouwd verweer, dat ontbreekt, moet de voorzieningenrechter van de juistheid van die mededeling uit gaan.

4.14.

De door [gedaagde] gestelde claim van meer dan € 750.000,00 op de bank heeft [gedaagde] niet onderbouwd. Dat een bedrag van € 303.000,00 uit de verkoopopbrengst van het pand in Amstelveen is ‘verdwenen’ bij de bank, zoals [gedaagde] aanvoert, heeft hij ook niet onderbouwd en daarvan is evenmin gebleken. Uit een mededeling van VFS/ [bedrijfsnaam 2] aan [eiser] en [gedaagde] blijkt dat dat bedrag in mindering is gebracht op de vordering op beiden. Ook voor zijn stelling dat in de bodemprocedure bij de rechtbank Den Haag tussen [eiser] en [gedaagde] enerzijds en [B] anderzijds kan worden bepaald dat de panden moeten worden ‘terug geleverd’ aan [B] , heeft [gedaagde] geen concrete onderbouwing gegeven. Uit de door beide partijen overgelegde correspondentie volgt bovendien dat [B] met de kopers (ook over de levering van de panden aan de kopers) overeenstemming heeft bereikt. Dit heeft [B] ook zelf aan [gedaagde] bevestigd, zoals blijkt uit diens e-mail van 14 juli 2018 (zie 2.13) . Ook dit verweer slaagt dus niet.

4.15.

Het voorgaande betekent dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een rechtsgeldige koopovereenkomst en voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een rechtsgeldige overdracht van de geldleningen en hypotheekrechten heeft plaatsgevonden. Ook aannemelijk is dat de bank het executietraject zal hervatten indien de panden niet alsnog op korte termijn onderhands zullen worden verkocht en geleverd.

4.16.

Nu vrijwillige medewerking van [gedaagde] aan de levering niet te verwachten valt – [gedaagde] heeft ter zitting verklaard “never nooit” mee te willen werken aan de levering van de panden aan kopers – terwijl voldoende aannemelijk is dat de verplichting tot levering bestaat, zal [gedaagde] ertoe worden veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan de levering van de panden.

4.17.

De opmerking van [gedaagde] dat [B] of een andere koper meer voor de panden zou willen betalen, doet niet af aan de rechtsgeldigheid van de tussen [eiser] en [gedaagde] en de kopers gesloten koopovereenkomst. Dit argument - los van de juistheid ervan – weegt daarom niet mee in de beoordeling.

Inschrijving van de uitspraak

4.18.

De door [eiser] gevorderde mogelijkheid om dit vonnis in de plaats te laten treden van de vereiste medewerking door [gedaagde] aan de levering van de panden, zal ook worden toegewezen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, volgt uit de verklaringen van [gedaagde] dat hij geen medewerking aan de levering zal verlenen. Ook de veroordeling van [gedaagde] in onderhavig vonnis biedt geen garantie tot daadwerkelijke medewerking van [gedaagde] . Teneinde zekerheid te verkrijgen om de levering van de panden door te kunnen zetten, heeft [eiser] op goede gronden gevorderd dat onderhavig vonnis in de plaats kan treden van de medewerking van [gedaagde] . Dat de aard van de rechtsvordering zich tegen reële executie verzet zoals door [gedaagde] is aangevoerd, daarvoor zijn geen aanknopingspunten.

4.19.

In afwijking van de wettelijke termijn van veertien dagen, zal, gelet op de korte duur tussen de uitspraak van dit vonnis (30 juli 2018 om 13.30 uur en de beoogde levering van de panden (31 juli 2018 om 15.00 uur) de termijn als bedoeld in artikel 3:301 lid 1 sub b BW worden bepaald op 24 uur.

Proceskosten

4.20.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 101,63

- griffierecht € 291,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.372,63

5
5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt en gebiedt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis mee te werken aan de levering van zijn deel in de eigendom van:

- het appartementsrecht gelegen aan [straatnaam] [nummeraanduiding] en [nummeraanduiding] te [plaatsnaam] ,

- het appartementsrecht gelegen aan [straatnaam] [nummeraanduiding] te [plaatsnaam] ,

- het appartementsrecht gelegen aan [straatnaam] [nummeraanduiding] en [nummeraanduiding] te [plaatsnaam] , en

- het winkelpand met souterrain en de dubbele bovenwoning, ondergrond en tuin aan [straatnaam] [nummeraanduiding] en [nummeraanduiding] ,

conform de gesloten koopovereenkomst van 20 november 2017,

5.2.

bepaalt dat indien [gedaagde] geen gevolg geeft aan de veroordeling sub 5.1., dit vonnis in de plaats treedt van zijn handtekening onder de leveringsakte zodat de levering zal plaatsvinden door inschrijving van dit vonnis samen met de leveringsakte in de daartoe bestemde openbare registers,

5.3.

bepaalt de termijn als bedoeld in artikel 3:301 lid 1 sub b BW op 24 uur,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.372,36,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2018.1

1 type: PvT (4189) coll: ASP (1301)