Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3714

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
C/16/403750 / HA ZA 15-886
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemprocedure na deelgeschil. Tussentijds appèl, Bekrachtiging deelgeschilbeschikking. Bodemrechter op grond van artikel 1019cc lid 1 Rv gebonden aan beslissing in deelgeschil over materiële rechtsverhouding tussen partijen; geen aansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2018/175
PS-Updates.nl 2018-0616
VR 2020/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/403750 / HA ZA 15-886

Vonnis van 18 juli 2018 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R. Schoemaker te ’s-Gravenhage,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ BENELUX N.V., handelend onder de naam ALLSECUR,

gevestigd te Brussel, kantoorhoudend te ’s-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. N.C. Haase te Utrecht (daarvoor mr. P.J. Verdam).

Partijen zullen hierna [eiser] en AllSecur genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 24 september 2015;

- de conclusie van antwoord van 2 december 2015;

- het vonnis van 23 december 2015, waarbij verlof is verleend voor het instellen van tussentijds hoger beroep van de op 2 juli 2015 onder zaak-/rekestnummer C/16/389589 HA RK 15-80 gegeven beschikking in de tussen partijen gevoerde deelgeschilprocedure;

- het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, afdeling civiel recht, handel, met zaaknummer 200.195.108 van 27 maart 2018, waarbij voormelde beschikking van 2 juli 2015 is bekrachtigd en de zaak ter verdere afdoening naar deze rechtbank is teruggewezen.

1.2.

Op 23 mei 2018 heeft AllSecur, onder toezending van voormeld arrest van het hof van 27 maart 2018, vonnis gevraagd en ook vervroeging van de roldatum van 3 oktober 2018 (datum parkeerrol) naar 20 juni 2018.

Van [eiser] is op de roldatum van 4 juli 2018 geen reactie ontvangen.

1.3.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Op 3 juli 2010 is [eiser] betrokken geraakt bij een aanrijding op de Cornelis Lelylaan in Amsterdam, waarbij (ook) mevrouw [A] betrokken was. De auto die [A] bestuurde was voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij AllSecur.

2.2.

AllSecur heeft ten opzichte van [eiser] de aansprakelijkheid betwist.

2.3.

In de tussen partijen gevoerde deelgeschilprocedure onder zaak-/rekestnummer C/16/389589 HA RK 15-80 heeft [eiser] een verklaring voor recht verzocht dat - kort gezegd - AllSecur aansprakelijk is voor de door haar als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade.

2.4.

Bij beschikking van 2 juli 2015 in de deelgeschilprocedure heeft de rechtbank beslist dat AllSecur niet aansprakelijk is voor het ongeval dat [eiser] op 3 juli 2010 is overkomen omdat - kort gezegd - de exacte toedracht van het ongeval niet is komen vast te staan. Het verzoek van [eiser] (2.3.) is daarom afgewezen.

2.5.

[eiser] heeft AllSecur vervolgens met een dagvaarding van 24 september 2015 in deze bodemprocedure betrokken, waarbij zij heeft verzocht verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep van meergenoemde deelgeschilbeschikking. Dat verlof heeft deze rechtbank bij vonnis van 23 december 2015 verleend.

2.6.

In hoger beroep heeft het hof bij arrest van 27 maart 2018 geoordeeld dat [eiser] de feitelijke toedracht van het ongeval die zij aan de vordering ten grondslag heeft gelegd, niet heeft bewezen. De deelgeschilbeschikking van 2 juli 2015 heeft het hof bekrachtigd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert in deze dagvaardingsprocedure hetzelfde als zij heeft verzocht in de deelgeschilprocedure (punt 21 van de dagvaarding). Bij de dagvaarding is als bijlage 2 het verzoekschrift ex artikel 1019w Rv gevoegd, waarin op pagina 11 en 12 het verzoek is omschreven. [eiser] vordert aldus nu bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- primair een verklaring voor recht dat AllSecur aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die [eiser] geleden heeft en nog zal lijden, zonder enige vorm van eigen schuld;

- subsidiair een verklaring voor recht dat AllSecur aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die [eiser] geleden heeft en nog zal lijden, met een percentage eigen schuld van 20;

- meer subsidiair een verklaring voor recht dat AllSecur aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die [eiser] geleden heeft en nog zal lijden, met een in goede justitie te bepalen percentage eigen schuld.

3.2.

Het petitum in de dagvaarding luidt verder, voor zover nu nog van belang, als volgt:

- de veroordeling van AllSecur in de kosten van het deelgeschil (in eerste aanleg), waaronder de kosten van de advocaat;

- de veroordeling van AllSecur in de kosten van deze procedure.

3.3.

AllSecur voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover nodig, hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Allianz is gevestigd in Brussel, België. Daardoor heeft deze zaak een internationaal aspect. Daarom zal eerst nog worden ingegaan op de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en op het toepasselijke recht.

4.2.

Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie wordt onder “de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” als bedoeld in artikel 5 aanhef en onder 3) van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I) zowel gedoeld op de plaats van de veroorzakende gebeurtenis als de plaats waar de schade is ingetreden. In het onderhavige geval is dat Amsterdam. Het schadebrengende feit heeft zich dus in Nederland voorgedaan, zodat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

4.3.

Over het toepasselijke recht overweegt de rechtbank als volgt. Welk recht van toepassing is op het onderhavige geschil moet beoordeeld worden aan de hand van het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg van 4 mei 1971 (Trb. 1971, 118), hierna: het Haags Verkeersongevallenverdrag. Artikel 3 van het Haags Verkeersongevallenverdrag bepaalt: “De van toepassing zijnde wet is de interne wet van de Staat op welk grondgebied het ongeval heeft plaatsgevonden.”. Het onderhavige ongeval heeft zich voorgedaan in Amsterdam, zodat op grond van voormeld artikel van het Haags Verkeersongevallenverdrag op de onderhavige vordering Nederlands recht van toepassing is. Dit is ook niet in geschil tussen partijen.

4.4.

Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de vordering(en) van [eiser] . De gevorderde verklaring(en) voor recht dat AllSecur aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [eiser] is overkomen, kan (kunnen) niet worden toegewezen. Dit wordt als volgt toegelicht.

4.5.

In de deelgeschilprocedure heeft de rechtbank het (getuigen)bewijs waaruit de door [eiser] gestelde toedracht van het ongeval zou moeten volgen, gewaardeerd en geoordeeld dat de exacte toedracht van het ongeval niet is komen vast te staan. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de verklaring die [eiser] op 27 juni 2014 tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft afgelegd niet ondersteund wordt door de verklaringen van de heer [B] en mevrouw [A] , die beiden ook betrokken waren bij de aanrijding op 3 juli 2010. Verder heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken dat het schadebeeld aan de auto’s die betrokken waren bij de aanrijding, niet overeenkomt met de door [eiser] gestelde toedracht van de aanrijding.

4.6.

Ook in hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat [eiser] de feitelijke toedracht van het ongeval niet heeft bewezen, omdat – kort gezegd - de verklaring van [eiser] niet wordt ondersteund door de verklaringen van de overige getuigen en evenmin wordt ondersteund door het schadebeeld. Het hof heeft de deelgeschilbeschikking van 2 juli 2015 dan ook bekrachtigd.

4.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat AllSecur niet aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [eiser] op 3 juli 2010 is overkomen. Aan deze beslissing, die in de deelgeschilprocedure (in eerste aanleg en in hoger beroep) is gegeven, is de rechtbank in deze bodemprocedure gebonden. Het betreft namelijk een beslissing over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv. Op grond van dat artikel(lid) is de rechtbank daaraan in een bodemprocedure is gebonden. Voor de vordering(en) in deze bodemprocedure betekent dit dan ook dat deze moet worden afgewezen; AllSecur is niet aansprakelijk ten opzichte van [eiser] .

4.8.

De gevorderde veroordeling van AllSecur in de kosten van de deelgeschilprocedure (in eerste aanleg) zal worden afgewezen. De rechtbank heeft AllSecur bij beschikking van 2 juli 2015 niet veroordeeld (kunnen veroordelen) tot betaling van de begrote kosten vanwege de omstandigheid dat de aansprakelijkheid van AllSecur niet is komen vast te staan. Deze situatie is onveranderd.

4.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van AllSecur worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat € 543,00 (1,0 punt × tarief € 543,00)

Totaal € 1.156,00

4.10.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.11.

Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat de rechter, ten overstaan van wie op 16 juni 2015 de mondelinge behandeling in het deelgeschil is gehouden, de zaak tussen partijen in de bodemprocedure niet heeft kunnen behandelen omdat hij niet meer werkzaam is binnen deze rechtbank.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van AllSecur tot op heden begroot op € 1.156,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en is in tegenwoordigheid van mr. M.A. Rademaker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.1

1 type: MAR/4186 coll: